Predikers op boerengrond

Een geschiedenis van de familie Knottnerus

 

1.      Oorsprong in Eger

2.      Verklaring van de naam

3.      Opper-Palts

4.      Ballingschap

5.      Greetsiel

6.      Onder alchemisten (Den Haag)

7.      De duif als mystiek symbool

8.      Derde generatie

9.      Voluit orthodox

10.  Opkomend piëtisme

11.  Oldambt: boerentrots

 

 

Otto S. Knottnerus

Haren/Scheemda, 26 maart 2017

Let op: er komen verdere aanvullingen en
en correcties!

 

12.  Knotnerus of Knottnerus?

13.  De naam verschillend uitgesproken

14.  Predikantendynastie

15.  Friesland als tussenstop

16.  Uitgezwermd over Nederland (en elders)

17.  Knottnerus in de populaire Cultuur

18.  Ge(re)construeerde familiebanden

Schema: predikanten per generatie

Een los eindje

      Literatuur

      Noten

Leden van de familie Knot(t)nerus zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten: van vrijdenker en boeddhist tot gereformeerd, doopsgezind, luthers, oudkatholiek en baptist. Toch is de familiegeschiedenis nauw verbonden met de hervormde, of zoals men vroeger zei: de gereformeerde orthodoxie. De hervormde predikanten nemen, hoewel hun aantal altijd beperkt is gebleven, een centrale plaats in de familiestamboom in. Ook de boerentak van de familie, die garant stond voor een flinke eigen inbreng, heeft zich altijd aan het verhaal van de predikanten gespiegeld. In deze familiegeschiedenis staat daarom de predikanten centraal. Hun namen zijn vetgedrukt; daaromheen ontvouwt zich de historie van het geslacht Knot(t)nerus in al zijn schakeringen.

Eigenlijk is er sprake van twee families: een domineesgeslacht en een boerengeslacht dat afstamt van een domineesdochter.[1] Herenboeren en predikanten hadden elkaar tot op zekere hoogte nodig. De dominee was afhankelijk van de opbrengst van het land. Bij iedere dorpspastorie hoorden vroeger akkers en weilanden en de bewoner was het aan zijn stand verplicht enig personeel te houden. Slaagde een predikant er niet in goede huwelijkspartners voor zijn kinderen te vinden, dan raakten zijn nakomelingen aan lager wal of bleven de dochters ongehuwd. Omgekeerd teerden de boeren op het prestige van de orthodoxe predikanten. Beide families vonden elkaar rond 1900 in hun gedeelde sociaal-christelijke overtuiging; de Duitse tak ging daarentegen zijn eigen weg.

Aan de basis van de familietraditie ligt het relaas van drie broers uit de omgeving van Neurenberg die tijdens de Dertigjarige Oorlog naar het noorden trokken. De oudste vestigde zich als lakenverver in Den Haag, de tweede kwam als officier naar Westfalen, de derde werd predikant in de Krummhörn bij Emden. De laatste creëerde een mythische vertelling die later door een van zijn nakomelingen werd opgetekend. Deze grondig herschreven bijdrage gaat op zoek naar de vroegste geschiedenis van de familie, naar de mythes die men over zichzelf vertelde en ook naar de verhalen die men niet heeft doorverteld.


Cheb (Eger) in 1572
(naar Braun & Hohenberg)

 

 

1. Oorsprong in Eger


Verbreiding van de naam Knöttner
in Duitsland: aantal
telefoonaansluitingen in 2008
(verwandt.de)

 

Stamvader Johannes Knöttnerus (1576?-na 1632) oftewel Johann Knöttner kwam uit de lutherse rijksstad Eger (nu: Cheb) in het Duitstalige deel van Bohemen (Tsjechië). Nog in 1910 sprak een derde deel van de bevolking het gebied Duits. Het Egerland was nog niet zo lang protestant. Tijdens de Hussietenoorlogen in de vijftiende eeuw had de inwoners zich uitdrukkelijk tegen de Tsjechische protestbeweging van de theoloog Johannes Hus gekeerd. En daarna duurde het nog tot 1564 voordat de nieuwe leer volledig werd aanvaard.[2]

In Eger wordt de naam Knöttner, Knottner of Knettner (soms ook Knothner, Knödter, Knother, Knöder, Cnot) vanaf het midden van de vijftiende eeuw vermeld, met voornamen als Nikell, Hans en Ventzel. De eerste die genoemd wordt is een weduwe Knötterin in 1440. In de directe omgeving word de naam Knötner in 1392 genoemd.[3] In de stad zelf is de familie inmiddels uitgestorven, maar de naam Knöttner (dan wel Knöttnerová) komt in deze omgeving nog sporadisch voor. In Midden- en Zuid-Duitsland (met name in Beieren) is de naam Knöttner wijd verbreid; het gaat om zo’n zeventig tot negentig personen met het zwaartepunt in Forchheim bij Bamberg. In de Verenigde Staten vinden we hun verwanten vooral aan de oostkust. Ook de kleine Oostenrijkste tak van de familie is vermoedelijk afkomstig uit Eger; een afstammeling was de negentiende-eeuwse districtsarts dr. Johann Knöttner (ov. 1877), eerst te Zhydachiv in Galicië, later te Suceava in de Boekovina (nu Roemenië).[4] Daarnaast vinden we de families Knottner in Noord-Italië (Zuid-Tirool), Knajtner in Servië (Vojvodina), Kneitner in Hongarije en de zeldzame varianten Knotner, Knaitner, Knit(t)ner, Knet(t)ner, Cnet(t)ner, Knat(t)ner, Cnat(t)ner, Kneut(t)ner, Knut(t)ner, Knüt(t)ner, Knötger, Knet(t)ger, Knut(t)ger, Gnot(t)ner, Gnit(t)ner, Gnet(t)ner en dergelijke in Tsjechië, Zuid-Duitsland, Polen en de Verenigde Staten. Latijnse vormen komen verder niet voor.[5]


De namen Knöttner, Knottner, Kneitner
 en Knajtner zijn nog altijd wijd verbreid.
Johannes Baptist Knottner (1861-1910)
 was pastoor te Santa Valburga-Ultimo,
 Zuid-Tirol (Alto Adige), Italië
(sterbebilder.schwemberger.at )

 

Johannes’ vader was mogelijk raadsheer en stadsrechter Georg Knöttner alias Jorg Knett[n]er (ov. 1608). Onder deze naam wordt ook een pelswerker genoemd; wellicht gaat het om dezelfde persoon. Van 1566 tot 1576 werden in Eger vijf jongetjes met de naam Hans Knettner gedoopt; de namen van de ouders werden echter niet genoteerd, zodat het spoor doodloopt.[6] In de verwantenkring bevonden zich wellicht meerdere geestelijken. Een zekere Johann Knottner was vanaf 1553 luthers predikant te Opava (Troppau) in Silezië en daarna predikant en cantor (voorzanger annex leraar aan de Latijnse school) te Chomutov (Komotau) aan de rand van het Ertsgebergte in Bohemen.[7] De lutheraan Michael Knött(n)er (ov. 1561) was deken in het Beierse marktplaatsje Weiltingen.[8] Sebastian Knöttner was in 1527 pastoor in het lutherse Vogtland, niet ver van Eger.[9] Een vooraanstaand geestelijke uit Eger was verder Paul Knod (ov. 1545, ook Knodt, Knothe), kapelmeester aan het Saksische hof en medestander van Maarten Luther. Later was hij als secretaris verantwoordelijk voor de kerkvisitaties in Saksen.[10] Misschien behoorde de wijnhandelaar Niclas Knöttner te Leipzig tot zijn nakomelingen; van diens dochter Magdalena (1602-1631), gehuwd met een notaris, is de rouwpredikatie bewaard gebleven.[11]

Een deel van de familie Knöttner is later – net als de overige inwoners van Eger - weer katholiek geworden. Voorjaar 1626 werd terugkeer tot de katholieke kerk officieel verplicht gesteld; drie jaar later werden protestantse erediensten verboden, waarna meer dan 140 gezinnen de stad verlieten. De Jezuïeten die toezicht moesten houden op de bekering, ondervonden desondanks veel tegenstand. Heel wat lutherse inwoners hoopten nog steeds op een protestantse overwinning. Na afloop van de oorlog werd de druk verder opgevoerd, zodat er in 1654 geen enkele protestant meer te vinden was.[12] Onder de inwoners wordt in 1637 de vishandelaar Nicolaus Knöttner genoemd, later nog Christoph, Johan Adam en Georg Caspar Knöttner. In het Franciscanerklooster woonden in 1720 de paters Antonius en Ambrosius Knöttner.[13]

 

2. Verklaring van de naam


Deze kaart van overwegend Duitstalige (roze) en
overwegend Tsjechische gebieden (groen) rond 1880 laat
zien hoezeer Eger (Cheb) tot 1945 midden in het
Duitstalige gebied lag
(wikimedia)

 

De naam Knöttner betekent in Zuid-Duitse dialecten ‘bewoner van een (bultige) rotspunt’, zoals ook de duif op de rots in het familiewapen zou laten zien. In Hessen komen Am Knötner en Knoden-Acker voor als perceelsnamen. Er bestaat bovendien een dorpje Knoden bij de Knodener Kopf in het Odenwald (Hessen).[14] De Knötel, Knödlberg of Knötler Berg gaf zijn naam aan een belangrijk mijnbouwdistrict in het Ertsgebergte bij Krupka (Graupen), waar al sinds de middeleeuwen tinerts werd gewonnen; de ronde brokken roodbruin erts uit deze streek werden mede daarom knötel genoemd.[15] De Oostenrijkse variant van het woord voor rotspunt is Knott, Knettl of Kneutlar.[16] De naam Knotner met één ‘t’ zou daarentegen zijn afgeleid van knoten of knot ‘bundel, knoop’. Hij komt in de grensstreek van Bohemen (ook wel Sudeten-Duitsland genoemd) tenminste sinds 1395 voor.[17] Deze beide vormen zijn echter etymologisch nauw verwant.

Het bekende woordenboek van de gebroeders Grimm geeft daarnaast de woorden knot(t)er voor ‘capucijnermonnik die een geknoopt touw om zijn lichaam heeft gebonden’ en knotterer voor ‘brombeer’ of ‘knorrepot’; ook de dialectvorm knötterer is wijd verbreid. In het Oostenrijkse Bargoens (dieventaal) staat dit laatste woord voor ‘ruziezoeker’.[18] Dat de naam ontleend zou zijn aan het Slavische woord knot voor ‘lont’ is minder waarschijnlijk, omdat de hele Boheemse grensstreek vanouds Duitstalig was.


Knodener Kopf (Odenwald)
(foto
mtb-news.de)

 

Volgens de naamkundige Jürgen Udolph zijn al deze woorden afgeleid van het Middelhoogduitse woord knode of knote. Dit in de betekenis van ‘natuurlijke knoop aan het menselijk lichaam, aan planten’ of ‘kunstmatige knoop aan een draad of een snoer’. Daaruit ontwikkelde zich de vroegmoderne betekenis ‘knoop, knop, knokkel, uitstekend bot’, dan wel ‘tumor, zwelling, uitgroeisel’, later ook gebruikt voor ‘knobbels aan bomen, stommels, stokken’ en dergelijke. Overgebracht op mensen betekende dit dan weer ‘ruwe, plompe kerel, klungel’ of ook wel ‘bobbelig, dik persoon’. “Er bestaan verbazend veel familienamen met een dergelijke betekenis”, benadrukt Udolph, vaak beginnen ze met kn-, zoals Knauth, Knöner, Knodel, Knott, Knuth, Knoffel, Knotz, Knorr of Knüttel.[19] In het Nederlands en Nederduits bestaan verwante woorden als knot, knoden, knütte of knoedel voor ‘kluwen, klomp, knoop’ (vandaar het werkwoord knütten ‘vaststrikken, knopen’), verder de verkleinvorm knobbel voor ‘verdikking, verhevenheid’ en het afgeleide scheldwoord knoet voor ‘boerenpummel’. Een Nederlandse familienaam met deze stam is Knotter, gelatiniseerd tot Knotterus of Cnotterus.[20]

De uitgang –er of –ner verbindt deze stam met een beroepsgroep of een woonplek. Van daar de betekenis ‘bewoner van een knobbel’. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In Noord-Duitsland en Polen komt de naam Knitter, Knütter of Knetter vaak voor, soms ook Knüttener of Knütger, afgeleid van het werkwoord knütten ‘knopen, breien’ en verwant met het Engelse to knit.[21] Vergelijkbaar zijn de vormen Kneter, Knätter of Knöder voor ‘iemand die brood kneedt’; ook deze vorm werd soms geschreven als Knöttner, zoals blijkt uit een voorbeeld uit Thüringen in 1597.[22] De Noord-Duitse naam Knöner, afgeleid van Knödner en Knödener, zou daarentegen weer direct naar de lichaamsvormen verwijzen. Een zekere Johan Cnodner wordt in 1285 genoemd als burger van Keulen.[23] In de Moezelstreek betekende het woord Knödener in de late middeleeuwen iets in de trant van ‘keuterboer’, wellicht eveneens verwijzend naar diens hoge woonplaats.[24]

 

3. Opper-Palts


 Academie te Altdorf bij Neurenberg (1714)

 

Johann Knöttner studeerde in elk geval vanaf 1598 aan de lutherse hogeschool van Altdorf, gesticht in 1575 op het grondgebied van de vrije rijksstad Neurenberg.[25] Hij promoveerde in augustus 1601 bij de jonge filosoof Michael Piccart (1574-1620); zijn dissertatie werd bij een uitgever te Neurenberg gedrukt en later nog eens opgenomen in een verzamelbundel.[26] Daarna werkte hij waarschijnlijk als huisonderwijzer voor een vooraanstaande familie in Neurenberg of Altdorf.[27] Het archief van de evangelische kerk in Beieren heeft zes boeken met zijn eigendomsmerk Ex libris Iohannes Knöttneri Egr[anus] en twee met Ex libris Joh. Knötnerij Egranij; ook is er een brief bewaard aan de calvinistische theologieprofessor, taalkundige en humanist Albert Molnár Szensi uit Transsylvanië, die hij in 1604 zijn ‘dierbare vriend’ noemt.[28] De stadsbibliotheek van Neurenberg bezit zijn album amicorum (vriendenboek) uit de jaren 1598 tot 1614.[29]

De Latijnse vorm van zijn naam hoort bij de humanistische mode van deze tijd, die vooral aan protestantse universiteiten en hogescholen als Altdorf aansloeg.[30] Door inheemse namen een antiek voorkomen te geven, werd de bewondering die men voor de klassieke oudheid had extra benadrukt. Zelf ondertekende Johann zijn brieven met Johannes Knöttner (soms ook met Knötterer of Knottner), maar in het Latijn werd dat Knöttnerus; beide vormen bleven voorlopig naast elkaar bestaan.

Johann werd gegrepen door het strenge calvinisme. De stadsrepubliek Neurenberg was weliswaar luthers, maar rond 1600 hadden aanhangers van Melanchton en Calvijn er veel invloed. Er bevonden zich bovendien nogal wat Nederlandse kooplieden en handwerkers in de stad, die vasthielden aan hun gereformeerde opvattingen.[31] Pas na een ketterijproces in 1614 tegen een groep socinianen kreeg de lutherse orthodoxie tijdelijk de overhand. Dat lag anders op het omliggende platteland, waar van het begin af aan veel weerstand tegen het calvinisme bestond. De directe omgeving van Neurenberg behoorde tot de Opper-Palts (Oberpfalz), een grotendeels agrarisch gebied met een kwijnende mijnbouwindustrie en zo’n 180.000 inwoners die grotendeels op het platteland of in kleine stadjes leefden. In omvang was het vergelijkbaar met de provincies Gelderland en Utrecht.[32] Het gebied was verbonden met de Keurpalts, een lappendeken van welvarende territoria langs de Rijn met als hoofdstad Heidelberg. De familie van de keurvorst was sinds 1583 (en al eerder van 1567 tot 1577) het calvinisme toegedaan en benoemde waar mogelijk gereformeerde predikanten en schoolmeesters. Het was een klassieke reformatie van bovenaf. Het calvinisme bood de keurvorst vooral een handvat om de bevolking sterker te disciplineren, morele misstanden tegen te gaan en de staatsmacht verder uit te bouwen. Dat leidde uiteraard tot reacties.[33]

In mei 1605 werd Johann aangesteld als eerste calvinistische rector van het lutherse stadsgymnasium te Neumarkt in der Oberpfalz.[34] Het grootste deel van de leerlingen en hun ouders bleef luthers. Nog in 1591/92 vond hier een oproer plaats tegen de godsdienstpolitiek van de regering. Ook later bleef de stad obstinaat en in 1617 liepen de inwoners opnieuw te hoop tegen een pas aangestelde predikant die zijn lutherse collega had bekritiseerd.[35] Maar Johan wist zich goed te handhaven: dankzij zijn tweede huwelijk in 1607 met de 21-jarige Barbara Euvelstätter (1586-na 1626), dochter van de voormalige rentmeester der kloostergoederen ging hij bij de plaatselijke elite horen.


Forsthof te Kastl, rond 1900,
gebouwd kort na 1563 voor
Kaspar Euvelstätter
(foto
Familiearchief Rudel-Reindl)

 

Barbara’s vader Kaspar Euvelstätter (1529-1599) was oorspronkelijk benedictijner monnik in het klooster Kastl en tevens dorpspastoor te Markt Kastl, later tevens rentmeester van de kloostergoederen en vanaf 1580 ook landschapscommissaris (woordvoerder) van de geestelijke stand in de landdag van de Opper-Palts.[36] Als zodanig was hij een belangrijke vertegenwoordiger van de lutherse keurvorst Lodewijk VI en diens gereformeerde opvolgers. Nadat de regio in 1556 tot het protestantisme overging, kon hij alsnog in het huwelijk treden met Barbara Schmidt uit Amberg. Volgens latere berichten genoot hij respect omdat hij – in tegenstelling tot zijn opvolgers – de kloostergoederen met succes tegen inhalige beambten beschermde. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan de jongste een jaar voor zijn dood in 1599 werd geboren. Hun grafzerk bevindt zich nu in het portaal van de kerk te Markt Kastl. Dochter Barbara erfde van haar ouders een kwart hoeve in deze plaats.[37]


St. Maria Dolorosa te Hagenhausen
(
foto Stadt Altdorf)

 


Birgitinessenklooster Gnadenberg in 1687
(
wikipedia)

 

Twee jaar bleef Johann Knöttner verbonden aan de stadsschool. In oktober 1609 werd hij predikant in de Sint Maartenskerk te Pfaffenhofen bij Markt Kastl, vier jaar later in het grensplaatsje Hagenhausen bij het voormalige Birgittinessenklooster Gnadenberg (1613-1626). Bij zijn proefpredicatie noteerden de toezichthouders dat hij ondanks gebrek aan ervaring vlot en begrijpelijk sprak, zodat men van hem nog veel verwachtte.[38] Aan zijn schoonfamilie zal Johannes Knottnerus het mede te danken hebben gehad dat hij deze kans kreeg. De eerste drie kinderen (Barbara Magdalena, Johann Caspar en Georg Friedrich) kregen namen die vooral aan de familie Euvelstätter waren ontleend. Johann Michael en zijn aan kinderpokken gestorven broertje Johann Jakob werden daarentegen vernoemd naar gereformeerde overheidsvertegenwoordigers.[39] De één was rechter Hans Michael von Loefen (1575-1638) te Gnadenberg, zoon van de geadelde jurist dr. Michael von Loefen, die Kaspar Euvelstätters taken als rentmeester en landschapscommissaris had overgenomen. De vader was bovendien met zijn collega dr. Theophilus Richius betrokken bij een groot mijnbouwproject in het Fichtelgebergte waar ijzererts werd gewonnen.[40] De andere doopgetuige was Johanns jongere medestudent dr. Johann Jacob Heber (ca. 1584-1634), geheimraad en secretaris van de kerkelijke raad van de Opper-Palts, vanaf 1627 een van de sleutelfiguren in een internationaal netwerk dat de calvinistische diaspora vanuit Neurenberg ondersteunde.[41]

Afbeeldingsresultaat voor "Pfaltzgrafen Urlaub"
“De paltsgraaf gaat op vakantie”.
Spotprent op de ballingschap van de Winterkoning
en zijn gezin in 1621.

(wikipedia; Deutsche Digitale Bibliothek)

Drie jaar na het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd de Opper-Palts weer katholiek. De jonge keurvorst Frederik V (1592-1632), een kleinzoon van Willem van Oranje, was in 1619 als leider van de Protestantse Unie gekozen tot koning van Bohemen, maar hij dolf het onderspit in de strijd tegen de katholieke Liga onder leiding van keurvorst Maximiliaan van Beieren. Al na één winter verloor hij Bohemen aan de keizerlijke troepen (vandaar zijn bijnaam de ‘Winterkoning’).[42] Het protestantse leger werd definitief verslagen bij de Slag op de Witte Berg in november 1620. Daarna werd de koning ook uit zijn eigen vorstendommen verjaagd en moest hij naar Holland vluchtten. Al snel trok het nieuwe bewind de touwtjes strakker aan; eerst werden de calvinisten aangepakt, daarna ook de lutheranen. Stamvader Johannes Knöttner werd kort na februari 1626 door de Beierse regering verdreven uit Hagenhausen en vond onderdak in het naburige Altdorf. Hier werd ook zijn jongste dochter geboren. Barbara’s erfdeel en hun andere bezittingen werden in beslag genomen.[43] In het vriendschapsalbum van een Silezische edelman scheef hij twee jaar daarna: “destijds balling van Christus’ wege” (tunc temporis exul Christi).[44]


 De grens tussen de Opper-Palts en
de vrije rijksstad Neurenberg
liep door Hagenhausen

 

Jaren later trokken Johanns kinderen wegens het oorlogsgeweld naar het noorden. Hun vader leefde net als de meeste andere verjaagde predikanten in armoede, zoals blijkt uit de ondersteuning die hij in 1632 van zijn geloofsgenoten in Wezel ontving.[45] Een deel van zijn boeken moest hij verkopen; een aantal kwam in handen van de koopman Nikolaus Deschauer, een protestantse balling die in 1629 Eger moest ontvluchten.[46] Zijn familieaantekeningen uit de jaren 1607 tot 1625 bleven bewaard tussen zijn andere notities in het kerkenboek van Hagenhausen. Johann had als gereformeerd predikant wel degelijk succes gehad, in elk geval meer zijn meeste collega’s, die er niet in slaagden de lutherse weerstand tegen de nieuwe leer te overwinnen. “In huis en op het erf riekt het naar het calvinisme”, klaagde de jezuïetenpater die terugkeer naar het katholicisme moest stimuleren.[47] De meeste parochianen weigeren zich aanvankelijk te bekeren. Maar uiteindelijk bewerkstelligden militaire strafmaatregelen, hoge boetes en andere vormen van intimidatie dat vrijwel de hele bevolking weer toetrad tot de katholieke kerk. Door wraakacties van Zweedse troepen in 1635 gingen kerk, pastorie en dorpsschool samen met het nabijgelegen klooster Gnadenberg in vlammen op.

 

4. Ballingschap


Heidelberg in 1645,
kopergravure door Matthäus Merian

 

De beide broers Johann Caspar (1610-1665) en Johann Michael Knöttnerus (1617-1684) werden rond hun tiende jaar ingeschreven als leerlingen van het gymnasium dat was verbonden aan de hogeschool van Altdorf (sinds 1623 een volwaardige universiteit): de eerste in oktober 1619, de tweede in juni 1627.[48] De jongste hoefde geen inschrijfgeld te betalen omdat zijn vader uit de Palts had moeten vluchten. De oorlog schudde hun levens grondig door elkaar; een loopbaan als predikant of arts zat er voorlopig niet in. Michael doorliep ten minste drie klassen; Caspar moest intussen ergens aan de kost komen. Wellicht heeft hij in Neurenberg het vak van lakenverver geleerd dat hij later uitoefende, misschien heeft hij ook ervaring opgedaan met de mijnbouw. De vrije rijksstad herbergde een omvangrijke textielindustrie die deels terugging op de Nederlandse vluchtelingen uit het begin van de Tachtigjarige Oorlog.[49] De Neurenberger ambachtslieden stonden bekend om hun vakkennis en inventiviteit. De stad gold bovendien als het centrum van de mijnbouwindustrie en metaalhandel in de regio. Een derde broer Georg Friedrich (1611-voor 1675) werd vermoedelijk gedwongen dienst te nemen als huursoldaat.[50]


De Opper-Palts in 1618
(
Wikimedia, aangepast)

 

In Altdorf waren de gezinsleden betrekkelijk veilig. Het religieuze klimaat in de stadsstaat was een stuk toleranter geworden sinds men niets meer te vrezen had van de calvinistische buren. Een nieuwe generatie handwerkers en kooplui maakte zich los van de lutherse orthodoxie en eiste vrijheid om zelfstandig te mogen nadenken.[51] Caspar zal hier – meer dan zijn broer die nog scholier was – voor het eerst in contact zijn gekomen met de spiritualistische stromingen die later zijn leven zouden kleuren. In 1633 werden de laatste gymnasiumklassen van de universiteit opgeheven. De zeventienjarige Michael mocht het jaar daarop, nadat Zweedse troepen in 1631 de Rijnpalts hadden bevrijd, zijn opleiding voortzetten aan de universiteit van Heidelberg. Misschien ging zijn broer Caspar met hem mee. Nog niet alle verjaagde professoren waren teruggekeerd en het geld dat de Engelse regering had gestuurd ging grotendeels op aan het ondersteunen van vluchtelingen en hongerige medeburgers. Toch maakte men een nieuw begin met het universitaire onderwijs. De Zweedse nederlaag bij Nördlingen begin september 1634 gooide opnieuw roet in het eten; de Rijnpalts werd alsnog onder de voet gelopen. Slechts een klein groepje studenten wist met moeite uit de verwoeste universiteitsstad te ontsnappen.

Afbeeldingsresultaat voor "Pfaltzgrafen Urlaub" 
Zomerpaleis van de Winterkoning te Rhenen,
gebouwd 1630-1631 (
bron)

 

De getalenteerde Johann Caspar kwam intussen dankzij een aanbeveling van een kennis (wellicht Johann Heber) in dienst van de edelman en diplomaat Johann Joachim von Rusdorf (1589-1640), hoofd van de vorstelijke regering in ballingschap. Hij werd aangenomen als diens persoonlijke secretaris (amanuensis) en volgde hem waarschijnlijk op zijn buitenlandse reizen.[52] Zijn chef had daarnaast nog een jongere assistent, Pierre Cordier uit Otterberg in de Rijnpalts, later Waals predikant te ‘s-Hertogenbosch en Leiden.[53] Cordier zal de Franstalige correspondentie hebben verzorgd, terwijl Johann Caspar zich eerder met de Duitse en Latijnse brieven bezig zal hebben gehouden. Rusdorf vluchtte na de val van Heidelberg eerst naar Frankenthal en ging toen via Worms, Regensburg en het vorstelijke zomerpaleis te Rhenen naar Londen, het laatste in gezelschap van twee jonge prinsen. Hij reisde vervolgens terug naar Duitsland, opnieuw naar Londen, en arriveerde tenslotte herfst 1637 aan het keurvorstelijke hof in Den Haag, waar de weduwe Elizabeth Stuart zetelde.[54] Door zijn werk leerde Johann Caspar in elk geval de hofhouding van nabij kennen; zijn werkgever was tevreden over hem.


Hendrik Alting (1583-1644, ook
 Johann Heinrich Alting genoemd),
hoogleraar theologie
te Heidelberg en Groningen

 

Johann Michael werd op zijn beurt naar Bremen gestuurd, wellicht met een brief die Rusdorf in oktober 1634 had geschreven voor Georg Bernhard von Pelckhofen, de verdraagzame predikant van de Martinikerk in Bremen, die eveneens uit de Opper-Palts stamde.[55] Hij vervolgde hier zijn opleiding en leerde tevens de Nederduitse volkstaal (de oude taal van de Hanze) kennen. De verdraagzame theologische sfeer die hier gold en de vriendschappen met andere vluchtelingen moeten hem zeker hebben gevormd. In de studentenlijsten komt hij echter niet voor.[56] Mogelijk bezocht hij niet de hogeschool zelf, het Gymnasium Illustre, maar uitsluitend de vooropleiding, het Paedagogeum.

Juni 1637 schreef Johann Michael zich in als student te Groningen, samen met jaargenoot Marcus Flocken uit Bremen, zoon van de strenge voorganger van de Rembertikerk, die in zijn jeugd de Palts had moeten ontvluchten en daar later zou terugkeren.[57] Rusdorf stuurde vanuit Londen een aanbevelingsbrief aan zijn oude vriend, de Groningse theologieprofessor Hendrik Alting (1583-1644) uit Emden, oud-hoogleraar te Heidelberg en een vertrouweling van het keurvorstelijke hof.[58] Deze Bijbelgetrouwe maar ondogmatische calvinist was de voormalig huisonderwijzer van de Winterkoning en diens oudste zoon, bovendien een sleutelfiguur in het gereformeerde netwerk.[59] Namens de keurvorst had hij de Dordtse Synode van 1618-1619 bijgewoond. Ook hij was in 1634 samen met tientallen andere predikanten naar Heidelberg afgereisd om de wederopbouw van de gereformeerde kerk in de Palts ter hand te nemen, maar bleef in Frankfurt steken en kon slechts via een moeizame omweg naar Groningen terugkeren. De vrome, irenischgezinde Alting werd vermoedelijk Johann Michaels belangrijkste leermeester; hij stond erom bekend dat hij als een vader voor zijn studenten en oud-leerlingen zorgde.[60] “Zijn hart was gedeeld in liefde tot de Paltz en tot Nederland, dat hem een tweede vaderland was geworden”, schrijft een biograaf.[61] De andere hoofddocenten waren de bejaarde Franciscus Gomarus (1563-1641), leider van de strenge fractie der contraremonstranten op de Dordtse Synode en sinds 1618 hoogleraar in Groningen, en de veelzijdige wiskundige Matthias Pasor (1599-1658) uit Herborn.


Oude academiegebouw in Groningen,
afgebroken mei 1846

(RHC Groninger Archieven)

 

Het ging volgens de briefschrijver (Rusdorf) om een bescheiden jongeman met goede omgangsvormen, verstandig en niet onelegant, geboren uit gelovige ouders die vanwege hun overtuiging in ballingschap waren gegaan. Het resultaat was dat de student, in de brief kortweg Michael Knöttnerus genoemd, werd vrijgesteld van inschrijfgeld en ook op verdere ondersteuning kon rekenen. Volgens een familieoverlevering uit 1820 had hij uitsluitend een (zegel)ring en een degen bij zich, die – zo mogen we aannemen – later door de familie in Oost-Friesland werden bewaard. Zelf gaf hij bij zijn inschrijving te kennen dat hij uit Gnadenberg stamde en dat vertelde hij later ook zijn kinderen. Het klooster met de aansprekende naam Mons Gratiae was ongetwijfeld bekender dan naburige parochie waar hij was geboren.[62] Maar dat was, zoals we zullen zien, niet de enige reden om dit te benadrukken. Zijn studie werd bekostigd door ‘de edelmogende heren provincial’ van Groningen. September 1637 werd zijn naam toegevoegd aan het lidmatenregister van de kerkelijke gemeente.

In hoeverre de jongeman op de hoogte was van de onderhuidse spanningen tussen de Groningse theologen en hun collega’s Bremen, die in de daaropvolgende jaren tot uitbarsting zouden komen, weten we niet. De vader van zijn reisgenoot, Gerhard Flocken, was een van de aanstichters van deze geleerde ruzie, die ook Rusdorf ernstig zorgen baarde. In de jaren daarop zouden Alting en Gomarus de hoogleraren in Bremen geregeld van onrechtzinnigheid beschuldigen en daarmee de voorzichtige toenaderingspogingen tussen gereformeerden en lutheranen in het Duitse Rijk verstoren.[63] Maar het lijkt erop de jongere generatie waartoe hijzelf behoorde hier met afgrijzen naar keek.


Wetenschappelijke boekhandel, uit: Jan Amos Comenius,
Orbus sensualium pictus, ed.
Kopenhagen 1672
(Otago University: From Pigskin to Paper:
The Art and Craft of Bookbinding
)

 

Meer dan tweederde van de Groningse studenten kwam uit het Duitse achterland, waaronder vele vluchtelingen die vrijgesteld werden van het betalen van inschrijfgeld, in de mensa mochten eten en in de slaapzalen overnachten.[64] De meeste professoren waren Duits en van de zeven stadspredikanten kwamen er drie uit Bremen, Wezel en Gdánsk (Danzig). De predikant van het nabijgelegen Haren was gevlucht uit het Sauerland, zijn nieuwe collega’s in Middelbert en Norg waren ballingen uit de Palts.[65]

Een van Johann Michaels studiegenoten was Jacob Alting (1618-1679), de oudste zoon van zijn leermeester. Die vertrok al het volgende voorjaar naar Emden om Hebreeuws te leren, verbleef enkele jaren in Oxford en keerde in 1643 als hoogleraar oosterse talen terug.[66] Gelijk met Johann Michael arriveerde de Hongaar Johannes Molnár, zoon van de theoloog Albert Molnár die met zijn vader bevriend was geweest.[67] Verder trof hij een lotgenoot uit Heidelberg, namelijk de stadspredikant Andreas Pilger, die tegelijk met hem de stad was ontvlucht en net als hij een aanstelling in Oost-Friesland kreeg, voordat hij in 1650 kon terugkeren naar de Palts. Pilger werd in 1639 predikant van gereformeerden in Norden, aangesteld door de heer van Lütetsburg die een bewonderaar van de vermaarde pedagoog Jan Amos Comenius was.[68] Vermoedelijk raakte Johann Michael bevriend met Georg Sohnius uit het graafschap Meurs, kleinzoon van een vermaarde theologieprofessor in Heidelberg, wiens zuster later met zijn broer zou trouwen.[69] In 1638 arriveerde zijn landsman Georgius Hornius uit Kemnath, die eerder theologie en geneeskunde in Altdorf had gestudeerd; hij was waarschijnlijk een bekende van de familie. Hornius werkte tevens als huisonderwijzer en vertrok in 1644 met twee Engelse pupillen via Den Haag naar Engeland.[70] Uit de Rijnpalts kwamen onder andere Johannes Matthias Schelius, Nicolaus Lorch en Gerhard Bettinger; de laatste kende Johann Michael uit Bremen. Schelius werd later predikant te Hornhuizen en Kloosterburen, Lorch vestingpredikant te Langakkerschans (nu: Bad Nieuweschans).[71] Bettinger verhuisde naar een polderdorp bij Gdánsk, waar hij tot predikant werd benoemd door een dorpsheer die eveneens met Comenius bevriend was.[72] Ook uit Bremen kende hij Matthias Vorstius, die later terugkeerde naar Bremen om daar te promoveren; hij werd een vooraanstaand predikant in zijn geboortestreek Moers.[73] De vrome wiskundige Johannes von Lünenschloss uit Solingen werd tenslotte hoogleraar te Heidelberg; de jonge arts Philipp Gualtherus Schreckenfuchs uit Oppenheim verhuisde naar Engeland, waar hij zich bezighield met alchemie.[74] Dit zijn de Duitse studiegenoten waarvan we het spoor min of meer kunnen volgen. Van anderen weten we vaak niet waar ze uiteindelijk terecht zijn gekomen. Allen hadden ze een beurs.

Johann Michael schreef verder een bijdrage in het album van zijn landsman Wigand Salmuth, een geleerde domineeszoon uit de Opper-Palts die later veldprediker en tenslotte predikant te Dessau zou worden. Salmuth stond – getuige albuminscripties van Rusdorf en Cordier – weer in contact met de kringen in Den Haag waarin ook Johann Michaels broer Johann Caspar zich bewoog. Hij verkeerde in de omgeving van Emanuel de Geer, zoon van de befaamde wapenfabrikant Louis de Geer uit Amsterdam, die sinds 1641 in Groningen studeerde. Kennelijk op bezoek bij diens ouders ontmoette hij een jaar later Comenius; in 1644 kreeg hij via Jacob Alting een stipendium om de zeven jaar jongere De Geer op diens studiereizen te begeleiden.[75]


Jan Amos Comenius
(1592-1670)
Portret door Wenceslaus Hollar, 1652
(bron: wikimedia)

 

Al met al lijkt het te gaan om een kring van jonge theologiestudenten die onder invloed stonden van het mystieke chiliasme van Jan Amos Comenius (1592-1670) en de Schotse vredesapostel John Dury (1596-1680). Dit gedachtegoed had ook in Bremen waar Johann Michael eerder studeerde wortel geschoten.[76] Een belangrijke representant van deze stroming was de charismatische hoogleraar Tobias Andreae (1604-1676) uit Solms-Braunsfeld, sinds 1635 professor Grieks en geschiedenis in Groningen. Hij was een vertrouweling van Hendrik Alting en had eerder toezicht gehouden op de opleiding van diens zonen, waarna hij in Den Haag huisonderwijzer van de hertog van Pfalz-Landsberg was geweest. In 1643 huwde hij Elizabeth de Geer, de zus van Emanuel.[77] Een andere zuster huwde de industrieel Adriaan Trip, die zich in 1654 in Wildervank vestigde. Andreae’s collega Matthias Pasor was misschien geen medestander, maar wel een jeugdvriend van Comenius.[78]

De Amsterdamse koopman en industrieel Louis de Geer, die vooral in Zweden aktief was, was de belangrijk financier van het gereformeerde netwerk. Tussen 1627 en 1648 besteedde hij 11.000 daalders aan de vluchtelingen uit de Opper-Palts en Neurenberg; maar liefst een derde van het hulpfonds was van hem afkomstig; aan de vluchtelingen uit de Keurpalts gaf hij eenzelfde bedrag, daarnaast grote sommen aan de Waalse emigranten.[79] De Geer was een schoolvoorbeeld van het type gereformeerden dat zich liet leiden door de protestantse arbeidsethiek, zoals de socioloog Max Weber die heeft beschreven. Het geld dat anderen aan scheepsverzekeringen uitgaven of voor hun kinderen reserveerden, gaf hij uit aan goede doelen. Dit in het stellige vertrouwen dat God hem als hij dat nodig achtte daarvoor zou belonen. En dat dit ook gebeurde, kon vervolgens als teken uitverkiezing worden gezien.[80] Mede dankzij zijn wapens kon Zweden als verdediger van de protestantse belangen een belangrijke rol in de Dertigjarige Oorlog spelen. De Geer raakte bevriend met Comenius; hij kwam onder de indruk van diens opvoedkundige idealen en steunde hem ook financieel.

Groningen lijkt een eigen plek in dit internationale netwerk te hebben ingenomen. Comenius’ zwager Pavel Cyrill uit Praag studeerde in 1640 een tijdje in Groningen, nadat hij vijf jaar in het atheneum in Bremen had bezocht. Dury en zijn secretaris Peter Figulus (Comenius’ toekomstige schoonzoon) bezochten de stad in december van dat jaar; de laatste studeerde hier in de winter van 1643/44.[81] De Haagse predikant Caspar Streso uit Saksen-Anhalt, die met Comenius bevriend was, stuurde in 1640 zijn jongste broer naar Groningen, terwijl een andere broer koeriersdiensten verzorgde.[82] Groningen was nu eenmaal niet het rijke Holland, dat veilig achter de waterlinie lag. De oorlog in Duitsland leek dichtbij en de hoop op een ommekeer, ook op het spirituele vlak, moet de verzamelde jongemannen diepgaand hebben bezig gehouden.

Door de dood van Hendrik Alting in augustus 1644 viel de vriendenkring vermoedelijk uiteen; verschillende studenten zetten hun opleiding elders voort. De spanningen waren zoals we zagen al eerder merkbaar. De vermaarde hoogleraar werd opgevolgd door de strijdlustige Samuel Maresius (1599-1673), weliswaar een sympathisant van Comenius en geïnteresseerd in het werk van Descartes, maar tevens iemand die, zoals hij zelf vol trots beweerde, zich geroepen voelde tegen alle afwijkingen van de strenge leer “als een getrouwe hond van God blaffend tekeer te gaan”. Het chiliasme zou hij later dan ook scherp afkeuren.[83]


Tobias Andreae (1604-1676),
 hoogleraar te Groningen
(bron: ebay)

Johann Michaels naam is tot dusverre niet in andere studentenalbums aangetroffen. Uit de lotgevallen van zijn medestudent Gerhard Andreae krijgen we echter een aardig beeld van de kringen waarin hij verkeerde. Gerhard Andreae uit Solms was zes jaar ouder, had al voor de klas gestaan, lange reizen gemaakt en zenuwslopende avonturen beleefd.[84] Hij logeerde bij zijn broer Tobias in Groningen; een andere broer was predikant in Oost-Friesland, een derde te Gdánsk, een vierde apotheker en drogist (‘materialist’) in Bremen. Na een jaar als huisonderwijzer bij de edelman Maurits Ripperda te Uithuizen besloot hij zich in 1637 te concentreren op de lessen van Alting en Gomarus. Hij was bevriend met Jacob Alting; zijn album bevat onder andere de namen van vier professoren, drie stadspredikanten en een raadsheer. Waar Johann Michael weinig had om op terug te vallen, kon Andreae gebruik maken van een bescheiden familiekapitaal en een groot netwerk, waartoe tevens de familie De Geer behoorde. Ook zelf had hij contact met de kringen rond Comenius; zijn broer Ernst in Gdánsk was – net als hun grootvader Johannes Piscator – een overtuigd chiliast en gehuwd met een dochter van De Geers zaakwaarnemer ter plaatse.[85] Gerhard Andreae bleef rondreizen tot de oorlog voorbij was en accepteerde pas op 38-jarige leeftijd een baan als predikant in zijn geboorteland. Zijn reisverslagen geven een goede indruk van de gereformeerde diaspora waarvan Johann Michael en zijn broers deel uitmaakten.

Vier jaar bleef Johann Michael in Groningen. Hij maakte er nieuwe vrienden en leerde vermoedelijk ook de Nederlandse taal beheersen, die na de invoering van de Statenvertaling in 1637 gangbaar werd in de Hervormde Kerk. Dat laatste was niet alleen het geval in de Republiek, ook in naburige gebieden als Oost-Friesland, Lingen en Bentheim zette het Nederlands zich tegen het einde van de zeventiende eeuw definitief door. Voor de calvinisten gold het Nederlands als “een beter en soeter taal” dan het Nederduits, zoals de kerkenraad van Emden in 1677 meende.[86]


Religies in Groningen en
Oost-Friesland rond 1700

 

Als leerling van Hendrik Alting was de jonge student welhaast verzekerd van een baan. Zijn professor was geboren en getogen in Emden, waar diens vader Menso Alting aan de wieg van het strenge calvinisme had gestaan; hier kon hij ook zijn invloed aanwenden om zijn leerlingen aan een betrekking te helpen. De nauwe betrekkingen die de Oost-Friese hervormden met Nederland onderhielden bleven tot ver in de negentiende eeuw bestaan, ook toen hun landstreek na 1744 onderdeel werd van het koninkrijk Pruisen. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw hield men hardnekkig aan het Nederlands vast. Na de Pruisische nederlaag bij Jena in 1806 behoorde Oost-Friesland enige tijd bij het Koninkrijk Holland en werd het Nederlands tot grote ergernis van de lutheranen voor iedereen verplicht, totdat de provincie in 1810 tijdelijk werd ingelijfd bij Frankrijk. Daarna werd Oost-Friesland bij het koninkrijk Hannover gevoegd.[87] Alleen de westelijke districten waren overwegend calvinistisch: het Rheiderland en de Krummhörn, de omgeving van Leer en verspreide enclaves in de omgeving van Norden en Jever. De rest van het schiereiland was luthers.

 

5. Greetsiel


Krummhörn (Kreis Aurich)
door Willem Janszn. Blaeu 1645.


Kerk en oude pastorie te Greetsiel
(
Wikimedia)

 

Nog voordat hij zijn studie had afgerond werd Johann Michael Knöttnerus (zoals hij zich nu noemde) in 1641[88] benoemd tot hervormd predikant in Oost-Friesland, eerst als tweede predikant te Pilsum en vanaf 1645 als voorganger in het handelsplaatsje Greetsiel, waar de grafelijke familie een belangrijke vinger in de pap had. Dankzij deze laatste aanstelling was hij een van de voornaamste geestelijken in deze welvarende kuststreek (de Krummhörn) geworden. De overlevering suggereert dat hij zich hier eerst als student had gevestigd om ervaring op te doen en vervolgens “in eene der aanzienlijkste gemeenten beroepen werd”.[89]

Johann Michael was niet de enige geleerde vluchteling uit de Palts die in Oost-Friesland terecht kwam. In Jemgum zat oudgediende Matthias Nahum uit Dirmstein (bij Worms), zoon van een hoogleraar in Herborn, in Mittling-Mark Johann Caspar Ohlius uit Groß-Umbstadt (bij Dortmund), in Norden Andreas Pilger uit Heidelberg. De laatste twee hadden tijdens hun ballingschap meerdere universiteiten bezocht. Toen de Keurpalts in 1650 opnieuw onafhankelijk was geworden, besloot het drietal gezamenlijk terug te gaan.[90] Johann Michael koos ervoor in Oost-Friesland te blijven; zijn vaderland – de Opper-Palts – was nog altijd bezet door het katholieke Beieren. Ook Johann Georg Hopfius uit Ladenburg (bij Worms), sinds 1640 predikant te Leer, bleef op zijn post, net als een handvol lotgenoten in Nederland.[91]

Zoals andere predikanten zal Johan Michael een boerenbedrijfje met wat rundvee, weidepercelen en bouwland hebben beheerd. De pastorie was doorgaans voorzien van een boerenschuur met een veestalling. Sinds 1656 gaf hij bovendien les aan de Latijnse school te Emden. De rector was net als hij een Hoogduitser, in dit geval uit Saksen-Anhalt, waardoor ze elkaar goed begrepen.[92] Als de weersomstandigheden het toelieten bezocht hij de vergadering van de classis, die hier coetus werd genoemd; de gereformeerde predikanten van Oost-Friesland kwamen bij zomerdag wekelijks bijeen in de Nieuwe Kerk te Emden. In 1660 raakte Johann Michael verwikkeld in een rechtzaak met zijn ambtsbroeder Philipp Herlyn uit Visquart, die hem in een dronken bui had beledigd en daarvoor eerst achteraf excuus aanbood.[93] De kinderen stammen uit zijn eerste huwelijk met Esther (Hester) Hillenius.[94] Waarschijnlijk gaat het om een dochter van de strenge Groningse stadspredikant Cornelius Hillenius (1568-1632), over wie we later nog meer zullen horen. Van Johann Michaels tweede vrouw Geeske Behrents, een weduwe uit de Krummhörn, is alleen de naam bekend.[95] Zijn derde vrouw Juliana Bo(e)lenius stamde vermoedelijk uit een lutherse familie in Aurich: verschillende naamgenoten hadden functies aan het Oost-Friese hof. Ander leden van deze familie waren luthers predikant.[96]

Dankzij zijn afkomst kon Johann Michael vlot met Duitstalige beambten, lutherse predikanten en de vreemde huursoldaten die het gebied lange tijd bezet hielden communiceren. In het dagelijkse leven zal hij echter vooral Nederduits hebben gesproken. En ook op de preekstoel bleef de streektaal nog een tijdlang gangbaar. De gemeenteleden “verstaan Nederlands noch Hoogduits”, heet het in 1666 uit het nabijgelegen Eilsum. Zijn landsman Matthias Nahum genoot zelfs een zekere faam omdat hij de Hoogduitse gezangen zou hebben ingeruild voor Psalmen Davids in de volkstaal.[97] Johann Michaels afkomst uit de Palts, een van de oudste bolwerken van het calvinisme, zal bij dit alles een zeker respect hebben afgedwongen. Het is bovendien niet onmogelijk dat hij verre verwanten in Oost-Friesland had.[98] Meer dan eens reisde hij met zijn eerste vrouw naar Holland om hun studerende zoon en het gezin van zijn oudste broer te bezoeken. Na diens dood in 1665 veranderde de situatie; de tweede zoon Johann Friedrich vervolgde zijn studie niet in Leiden maar in Bremen.

Grafzerk van JOHANNES MICHAELIS KNOETTNERUS, Greetsiel 1684.
De steen lag oorspronkelijk midden in de kerk, maar is rond 1900 verplaatst en
rechtop naast de kansel gezet.

(Foto © Jan Knottnerus, Emmen; Van Epen 1897)

 

Het kasteeltje te Greetsiel diende de lutherse gravin-regentes Juliane van Hessen-Darmstadt (1606-1659) enige tijd tot buitenverblijf. Het motto op de grafzerk van Johann Michael uit 1684 Consumor aliis serviendo (‘ik word verteerd door anderen te dienen’ of ‘dienende teer ik uit’) werd ook gebruikt door haar grootvader, landgraaf Georg van Hessen-Darmstadt.[99] Hier staat dit motto aan weerzijden van een brandende kaars, die weer rust op een doodshoofd boven twee gekruiste doodsbeenderen.

De symboliek van de brandende kaars was rond 1600 wijd verbreid; hij was vooral in zwang bij artsen als teken van dienstbaarheid aan anderen.[100] In het bekende embleemboek van Nicolaus Taurellus (1547-1606), hoogleraar genees- en natuurkunde te Altdorf, komen verschillende varianten voor. De professor was één van de leermeesters van Johann Michaels vader, die het boek als album amicorum gebruikt heeft.[101] Ook diens studievriend Christoph von Dohna (1583-1637) die in 1599 een bijdrage in het album schreef, gebruikt later dit embleem in een mystiek geschrift.[102] De opgroeiende zonen zullen het album van hun vader goed gekend hebben. De spreuk had overigens niet alleen een religieuze betekenis, hij stond tevens in verband met de alchemie, een liefhebberij die – zoals we zullen zien – een opvallende rol in de vroegste familiegeschiedenis speelde.

Johann Michael overleed in 1684. Zijn rijkversierde grafzerk schildert hem uitdrukkelijk als balling uit de Palts die na ‘verschillende avonturen’ in vreemde landen is terecht gekomen. De familieoverlevering verhaalt hoe hij uit een ‘oud aanzienlijk geslacht’ stamde en ‘alle zijne rijkdommen’ vanwege het geloof heeft moeten achterlaten, waarna hij ‘verscheidene merkwaardige lotgevallen’ heeft beleefd voordat hij predikant werd.[103] Voor volgende generaties heeft hij een dringende raad: “Ook gij, wandelaar, zult niets meenemen. Ga, en volg gewillig waarheen het lot u trekt!” (Et tu viator, nil efferes. Vade, et sequere volens, quo fata trahunt).[104] Een dergelijke gang van zaken was niet ongebruikelijk. Verschillende predikantengeslachten benadrukten vol trots (en niet altijd terecht) dat hun voorouders uit de Palts afkomstig waren, zoals Althusius, Braunius, Brucherus, en later ook Janssonius.[105] Deze mededeling keert soms op grafzerken, avondmaalbekers en klokken terug.[106] De mythe van de geloofsvluchteling sprak velen aan.

 
Aliorum absumor in usus’
(Ik verteer mijzelf tot nut van anderen)
uit: Nicolaus Taurellus,
Emblemata
Physico-Ethicam
, Neurenberg (1595) 1602.
Johann Knöttner gebruikte een exemplaar
van dit boek als album amicorum.

De afbeelding is opgedragen aan de jurist en
mijnbouwondernemer Theophilus Richius,
grafelijke rentmeester te Amberg in de
Opper-Palts en als zodanig een collega
van Johanns schoonvader. Hij werd in 1618
ontslagen wegens corruptie, maar bleef tot
1627 actief als mijnbouwer. Ook hield
hij zich bezig met de tinhandel.

 

De andere familieleden kwamen eveneens in Oost-Friesland terecht. De broer Georg Friedrich – in de volksmond Jürgen Knotner genoemd – was waarschijnlijk legerofficier en woonde omstreeks 1656 in het katholieke stadje Coesfeld (Westfalen), de residentie van de Münsterse bisschop Christoph Bernhard von Galen (‘Bommen Berend’). Volgens de Duitse familieoverlevering was hij met twee zusters naar Denemarken gevlucht, waar hij kapitein in het leger was geworden. Toen Münsterse en Deense troepen in 1663 (dan wel de tweede keer in 1676) Oost-Friesland bezet hielden, hoorde hij dat de predikant van het dorp waar hij gelegerd was dezelfde achternaam als hijzelf droeg. Hij ondervroeg Johann Michael over diens afkomst en constateerde daarna zonder blikken of blozen: “Dann bist Du mein Bruder, Pfaff”. De volgende morgen trok hij met zijn troepen verder. Het verhaal suggereert dat hij in het bijzijn van zijn manschappen afstand nam van zijn broer, daarmee verheimelijkend dat hijzelf met de gereformeerden sympathiseerde.

Georg Knöttner bevond vermoedelijk al langer in Westfalen; misschien kwam hij met de Hessische troepen die Coesfeld in 1633 bezet hielden. Het kan ook zijn dat hij verwikkeld raakte de oorlog om de Palts, waarin de protestantse hertog Bernhard van Saksen-Weimar tot zijn dood in 1639 een sleutelrol verulde. Georgs beide kinderen (en mogelijk ook hijzelf) verhuisden later alsnog naar het Oost-Friese stadje Leer. Een andere hoge militair die in dienst stond van de bisschop van Münster vestigde zich omstreeks deze tijd eveneens in Oost-Friesland: baron Gustav Wilhelm von Wedel verkreeg in 1665 het slot Evenburg bij Leer, nadat hij de erfgename van de kasteelheer had gehuwd. De nieuwe eigenaar was luthers, zijn bruid Maria von Ehrentreuter gereformeerd; haar vader stond in Nederlandse dienst. Later was Von Wedel veldmaarschalk in het Deense leger. Wellicht heeft Georgs verhuizing naar Leer hiermee te maken gehad.

Georgs zoon Rotger Borcherts Knottner (Rutgerus Burchardus Knotner, ca. 1640-na 1696) uit Coesfeld studeerde vanaf 1656 in Leiden als hulpje van de jonge hoogleraar Georgius Hornius, een historicus en politicoloog die zoals we zagen eveneens uit de Opper-Palts stamde.[107] De veelschrijver Hornius gold als één van de sterren van de universiteit, een meeslepend spreker die – zoals men zei – sneller schreef dan God kon lezen en met zijn ene oog meer zag dan anderen met twee.[108] Als vluchteling was hij in 1635 in Neurenberg beland, waar hij ook de familie Knöttner moet hebben leren kennen. Hij woonde daar bij zijn oom, die tot dezelfde kerkgemeenschap behoorde. Als leerling van Hendrik Alting beschouwde Hornius zichzelf als voortzetter van diens kerkhistorische werk.


Leer (Oost-Friesland) rond 1850

 

Waar de jonge Rotger het gymnasium heeft bezocht is onbekend; de nieuwe Jezuietenschool in Coesfleld kwam daarvoor zeker niet in aanmerking. Misschien woonde hij een tijdlang bij zijn oom in Den Haag. Na afloop van zijn studie koos hij echter niet voor een predikantenloopbaan: hij vestigde zich omstreeks 1666 als koopman of winkelier in Leer. Dit Oost-Friese stadje had zich ontwikkeld tot een knooppunt voor de Westfaalse textielexport, en zou kunnen dat Rotger zich met de lakenhandel heeft bezig gehouden. Hij verkocht ook andere producten: voor het schilderen van de kerkgebouwen van Bunde en Weener leverde hij in 1692 en 1696 de verf.[109] De oudste zoon Jürgen of Georg Knottnerus (1666-na 1687) werd in 1685 ingeschreven als theologiestudent te Leiden en twee jaar later te Groningen, maar is vermoedelijk jong gestorven, net als diens broertje Corneljes. Dochter Maria Knotners huwde de schoolmeester Gerriet Prins te Emden. Hun tante Barbara Knottnerus (ook Knot(e)ner genoemd) had zich na haar huwelijk eveneens in Leer gevestigd. Aan gemeenschappelijke namen als Johannes, Cornelius, Georg, Samuel, Hendrik, Barbara en Anna zien we dat verschillende takken van de familie Knottnerus nog lange tijd met elkaar in contact stonden.


Gezicht op Passau, Augustin Hirschvogel, 1546
(Rijksmuseum, Amsterdam)

 

Volgens de familieoverlevering had stamvader Johann Knöttner vijf kinderen: drie zonen en twee dochters. Een van de zonen zou geneesheer in Amsterdam zijn geweest, terwijl twee zusters als hofdames in Denemarken waren beland. Met de geneesheer zal Johann Caspar zijn bedoeld. Naspeuringen in Denemarken naar de beide zusters hebben verder tot dusver niets opgeleverd. Over de vierde broer Hans Adam (geb. 1619) en drie andere dochters is evenmin iets bekend. Het negentiende-eeuwse kroniekje beweert dat het ‘adellijke goed’ Oberhaus in de Donaupfalz als ‘stamgoed’ van de familie heeft gediend. “Obernhausen ist mein”, zou een gevleugelde uitspraak van Johann Michael zijn geweest. We zullen deze overlevering met een flinke korrel zout moeten nemen. De details van de beschrijving, zoals de vermelding van ‘een voortlopende muur’ die het slot met de vesting Niederhaus verbond, waren ontleend aan recente geografische werkjes.[110] De vesting Oberhaus aan de Donau is in werkelijkheid in 1219 gesticht als dwangburcht voor de vorst-bisschop van Passau. De reformatie heeft in dit ministaatje nauwelijks voet aan de grond gekregen; al in 1561 begon de contrareformatie. De pastoorsplaats van de St. Georgskapel is altijd door katholieke geestelijken bekleed.[111] De vesting was bovendien een beruchte strafgevangenis, waar ook vervolgde protestanten werden opgesloten. Het gezegde gaat misschien eerder terug op Johann Caspars beschermheer Johann von Rusdorf, wiens familie omvangrijke leengoederen van het bisdom Passau had, die hun door katholieke verwanten waren ontnomen.[112] In recente versies van stamboom komt tenslotte nog een oudere halfbroer Knottnerus voor, die zich in 1635 als student te Leiden inschreef als Petrus Guilelmi Knotterus. Hier is echter sprake van verwisseling met een lid van de Leidse familie Knotter.[113]

De familieoverlevering spiegelt zich in de herkomstsage van de verlichtingsgezinde domineesfamilie Janssonius uit Groningen. Ook zij beweerden rond 1800 dat hun eerste voorouder als vluchteling naar Groningen was gekomen. Hun familie leverde eveneens “gedurende ruim twee eeuwen een schier onafgebroken reeks van predikanten aan de vaderlandsche hervormde kerk”, een thema dat aan de genealogie van de familie Knottnerus lijkt te zijn ontleend. [114]

De geslachts naam der Jansoniussen was eertijds Groenewold, naar eene heerlijkheid of adelijk gesticht Grunewald in den Paltz.[115]

Terwijl op de verschrikkelijkste wijze daar het bloed werd vergoten der protestanten en hun het bevel was gegeven het land te ruimen of hunne godsdienst af te zweeren, lieten de bezitters van de heerlijkheid Grunewald, liever hunne bezittingen aan den vijand prijs, dan aan Rome zich te onderwerpen. Waarschijnlijk door Hendrik Alting, die vroeger te Heidelberg, later als Groningsch hoogleraar steeds voor de belangen van de Paltz waakte en zorgde, en te Groningen gekomen, verwisselde de zoon van Johan van Grunewald uit nederigheid of om bedekt te blijven, den naam van dien met Janssonius (Johanneszoon) en werd de stamvader van een priesterlijk geslacht.[116]

Hier liet Johan van Grunewald zijn familienaam en adel varen, om ver van de vervolging, die in zijn vaderland woedde, in het vrije Nederland naar de inspraak zijns geweten, God te dienen.[117]

Het verhaal werd uiteindelijk opgehangen aan de inschrijving van de 17-jarige Groningse student Joannes Joannes in september 1636.[118] De onderbouwing ontbreekt, de heerlijkheid bestaat niet en de immigrant komt verder niet in de bronnen voor. Groenewold is eerder het ‘Woud van Gruno’, een eufemisme voor het Wold-Oldambt waar twee voorouders predikant waren.[119] Het lijkt te gaan om een verlichtingsgezinde pastiche uit het einde van de achttiende eeuw, gemodelleerd naar het voorbeeld van orthodoxe predikantenfamilies als Knottnerus die het alleenrecht op de erfenis van de Reformatie claimden. De familie Janssonius behoorde tot felste tegenstanders van het piëtisme dat in de achttiende eeuw opgeld deed; hun voorouders hadden – zoals we nog zullen zien - de familie Knottnerus van nabij leren kennen. Door hun eigen voorgeslacht in het centrum van de Reformatie te plaatsen konden ze kritiek op hun vermeende onrechtzinnigheid met een kwinkslag pareren.


Cornelis Bega – De Alchemist (1663)
(The J. Paul Getty Museum, Los Angeles)

 

6. Onder alchemisten (Den Haag)


Albuminscriptie met een citaat uit
Psalm 73:25,26
in de vertaling van Martin Luther, door Johann
Caspar Knottner, Den Haag 1 januari 1660, in het
album van de voormalige theologiestudent,
oud-officier en leraar Johann Philipp
Mulheiser (ca. 1603-ca. 1677) te Leiden,
afkomstig uit Bad Bergzabern (Pfalz-Zweibrücken)
 (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 129 F 6
Album amicorum Johann Philipp
Mulheiser
, fol. 290r)

 

De broer Johann Caspar Knöttner (Knottner) verkeerde intussen nog steeds in deftige Haagse kringen, ook al verdiende hij de kost als lakenverver. De familie beweerde later dat hij geneesheer is geweest. Mogelijk heeft hij ooit medicijnencolleges gevolgd, het ligt echter meer voor de hand dat hij een tijdlang les heeft gegeven aan de Latijnse school. Zijn vrouw Justina Sohnius wordt oktober 1652 genoemd als doopgetuige bij een deftige familie.[120] Justina stamde uit een Duits predikantengeslacht; haar grootvader was waarschijnlijk de jong overleden theologieprofessor Georg Sohn (1551-1589) in Heidelberg.[121] Haar broer Georg Thomas Sohnius was stadsprocureur en notaris in Emden; hij had, zoals we zagen, met Johann Michael gestudeerd. In de hervormde trouwregisters komt het echtpaar voorzover bekend niet voor; het huwelijk is misschien bevestigd in de Hoogduits gereformeerde gemeente die zich rondom het keurvorstelijk hof had gevormd. Maar we mogen aannemen dat het echtpaar vooral de diensten van de Caspar Streso (1603-1664) in de Grote Kerk bijwoonde. Streso was een vermaard theoloog die mystieke eindtijdverwachtingen met een hardnekkige verdediging van de gereformeerde orthodoxie combineerde.[122]

Van Johan Caspars hand is een kleine bijdrage bewaard gebleven die hij in het vriendenboek van Johann Philipp Mulheiser uit Pfalz-Zweibrücken heeft geschreven. Mulheiser had in Leiden theologie gestudeerd, maar raakten betrokken in de oorlog rond de Palts. Hij trad later in dienst van de West-Indische Compagnie als officier in Brazilië, was daarna een tijdlang verbonden aan de illustere school (het gymnasium) te Dordrecht en vestigde zich vervolgens weer in Leiden.[123] Over de vriendschap tussen beide mannen weten we verder niets. Johann Caspar en Justina lieten hun beide oudste kinderen dopen in de Grote Kerk te Den Haag; bij de doop van de jongste kinderen in de Nieuwe Kerk in 1659 en 1664 zien we opvallende getuigen: beide keren kwamen zijn broer Johann Michael en diens vrouw uit Greetsiel over, aanvankelijk samen met Justines broer Georg uit Emden.[124] Derde getuige was toen de echtgenote van de Haagse bouwondernemer Jan Claeszn. van Oosten, een vertrouweling van de Winterkoning die toezicht had gehouden op de bouw van diens zomerpaleis te Rhenen. De namen van de zonen Johann Friedrich en Johan Casimir verwijzen naar de keurvorstelijke familie. Doopgetuige bij de oudste zoon was misschien Johanns vriend, de arts en alchemist Johann Friedrich Helvetius. Bij de jongste zoon werden de ouders tevens bijgestaan door de Engelse veilingmeester Morgan Fowler en een zekere Eva Schrijvers. Het hele gezin Knöttner stierf in 1665 aan de pest.

Johann Caspar was niet alleen een kundig lakenverver die heldere kleuren kon fabriceren. Hij hield zich ook bezig met de alchemie, een wetenschap waarmee hij mogelijk al in zijn jonge jaren vertrouwd was geraakt. De mijnbouw was in zijn geboortestreek niet onbelangrijk en daarbij kwam veel chemische kennis kijken. Zo was bij het eerdergenoemde mijnbouwproject tevens een goudsmid uit Neurenberg als ‘chemicus’ betrokken.[125] Zijn voormalige werkgever Rusdorf wist eveneens het nodige van de alchemie.[126]

Over Johann Caspars leven is weinig te melden, des te meer over de mensen met wie hij omging. Alchemie en eindtijdverwachtingen hadden een belangrijke plek aan het hof van de Winterkoning, meer nog dan bij andere vorsten: mystieke kringen uit heel Europa hadden hoge verwachtingen van diens huwelijk met de Engelse koningsdochter in 1613.[127] De huwelijksband werd afgeschilderd als een heilig verbond dat grote veranderingen zou inleiden. Allen waren op zoek naar een goddelijke vonk die de wereld zou doen veranderen. Niet de leerstelligheid telde, maar een irenisch verlangen om verschillende geloofsrichtingen binnen één kerkelijke gemeenschap samen te brengen, zoals dat eerder door de Heidelbergse theoloog Franciscus Junius sr. geformuleerd was. In de ogen van de mystici vormde dit het voorspel voor het langverwachte terugkeer van Christus. Ook in latere jaren bewogen zich rond de Koninklijke hofhouding in Den Haag – ondanks vele achterstallige betalingen – nog altijd de nodige alchemisten, religieuze vrijgeesten en vrome gelukzoekers. De koningin had “een zeldzaam talent om schulden te maken zonder ze te betalen en zich toch maar staande te houden”. Wellicht was ook Johan Caspar een van de benadeelde leveranciers die jarenlang op betaling moest wachten.[128]

De verbinding tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart uitgebeeld als een heilig huwelijk. De kopergravure uit 1613 is gemodelleerd naar de tweede houtsnede in het bekende traktaat Rosarium philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550. De plek van de duif wordt ingenomen door het
Hebreeuwse woord
יְהֹוָה (YAHWEH, God)

(Unurthed.com; Pinterest – The Winter Queen)

 

Een van de spraakmakers in deze spirituele kringen was de pansofist Johann Moriaen (1591-1667), een gereformeerde predikant van Nederlandse afkomst uit Neurenberg, die tot 1633 net als de eerdergenoemde dr. Johann Heber een belangrijke rol in het calvinistische ondersteuningswerk speelde.[129] Johan Caspar moet hem al vanuit Altdorf hebben gekend. Moriaen vestigde zich in 1638 in Amsterdam als uitvinder en wetenschappelijk correspondent in het wijdvertakte netwerk dat de Duitse geleerde en spiritualist Samuel Hartlib uit Elbląg (Elbing) vanuit Londen uitbouwde. Tot deze kring behoorden behalve John Dury ook Jan Amos Comenius, die zich in 1656 op uitnodiging van Laurens de Geer (de oudste zoon van Louis de Geer) in Amsterdam vestigde. Ook de eerdergenoemde predikant Caspar Streso speelde aanvankelijk een rol in dit netwerk.[130] Hun wetenschappelijke belangstelling stond in het licht van de Eindtijd, die door een periode van zelfonderzoek en het ontsluieren van verborgen kennis zou worden ingeluid. De natuur was als het ware een gesloten boek dat erop wachtte om aan het einde der tijden geopend te worden (Daniël 12:4). Zoals de mens na de zondeval herboren moest worden, zo diende ook de natuur in haar oorspronkelijke staat te worden hersteld. De alchemie vormde daarbij de sleutel tot terugkeer naar het Paradijs. Moriaen was net als De Geer een godvrezend ondernemer die zijn leven door de Hemelse wil geleid achtte. Hij benadrukte in zijn brieven dat hij zich niet om uiterlijke schijn of wereldse wijsheid bekommerde, maar met zijn vondsten uitsluitend zijn medemensen wilde helpen. “Ik heb mij”, zo schrijft hij in 1650 aan Hartlib, “volgens mijn vrienden alleen maar laten leiden door het spreekwoord Aliis in serviendo consumor” (het motto dat we ook van de familie Knottnerus kennen).[131]


Consumor inserviendo
(ik word verteerd door te dienen)
Titelblad van Christoph von
Dohna,
Kurtze und einfältige
Betrachtungen vnd Außlegungen
Vber das Hohe Lied Salomonis
,
Basel 1635.

In 1651 begon Moriaen samen met de welgestelde lutherse zilversmid Anthonie Grill (1607-1675) uit Augsburg een onderneming aan de Amsterdamse Looiersgracht om goud uit tin te produceren. Het idee kwam van zijn vriend, de apotheker Johann Rudolph Glauber (1604-1670) uit Karlstadt (nu Beieren), een befaamd alchemist en pionier op het gebied van de procestechnologie, die de compagnons een geheim recept verkocht. Het project werd uiteraard een mislukking en Grill vertrok berooid naar Zweden, waar hij in dienst van de familie De Geer alsnog fortuin maakte. “Moriaen heeft zichzelf met het alchemistengedoe ten gronde gericht”, oordeelde Laurens de Geer, die zelf ook een flinke veer had moeten laten.[132] Het laboratorium stond daarna jarenlang leeg, totdat Glauber de gebouwen in 1660 wist te kopen, maar deze slaagde er evenmin in het bedrijf weer op te starten.

Afbeeldingsresultaat voor "bow dye"  stratford
Cornelius Drebbel (157-1633)
(
wikipedia)

 

Om zijn verliezen goed te maken nam Moriaen de lakenververij van de gebroeders Abraham en Johannes Sibertus Kuffeler in Arnhem over, waar hij met chemische stoffen experimenteerde om een betere kwaliteit scharlakenrood oftewel karmozijn te krijgen. Dit productieproces hadden de broers ontwikkeld in Stratford-le-Bow bij Londen, voordat ze in 1642 vanwege de Engelse burgeroorlog naar Den Haag uitweken.[133] De eer gaven ze aan hun schoonvader Cornelis Drebbel, die het recept bij toeval zou hebben ontdekt.[134] In 1646 zetten ze hun bedrijf voort op het Arnhemse landgoed Hulkestein aan de oevers van de Rijn, waar ze weinig concurrentie uit Holland te duchten hadden. De rivier zorgde voor het vereiste schone water. Het was een snelweglocatie avant la lettre: transport was gemakkelijk, het uitzicht op de drogende lakens ondersteunde de mond-op-mond-reclame. Moriaens vriend Georgius Hornius volgde alle ontwikkelingen op de voet en schreef in 1653 vanuit Harderwijk aan Hartlib dat er in zijn omgeving een lakenverver was die het prachtigste scharlakenrood voor lakken en kleding kon maken.[135]

Dr. Johann Sibertus Kuffeler was net als Moriaen een fanatiek alchemist. Zo probeerde hij in 1647 knalgoud te maken; een explosie in zijn laboratorium kostte hem bijna zijn hand.[136] Hij was nauw betrokken bij Moriaens experimenten en bedacht een eigen methode om goud te maken uit antimoon, dat tevens voor de productie van Napels geel werd gebruikt. Later probeerde hij het met tinerts en ongebluste kalk of loogzout.[137] De plannen liepen echter spaak en de schulden liepen op. Geldschieter Moriaen, die de familie al kende uit de tijd dat hij predikant van de illegale Hoogduitse gemeente in Keulen was, vestigde zich in oktober 1654 op het landgoed, wellicht eerst als partner in het bedrijf, daarna als zaakwaarnemer en tenslotte als opvolger. De broers waren inmiddels in teruggekeerd naar Engeland, waar ze allerlei vindingen probeerden te verkopen om hun schulden te kunnen voldoen.[138]


Scharlakenrode rok met bont
vest, ca. 1780
(
Museum für Kunst und
Gewerbe, Hamburg
)

 

Met de geheimen van de karmozijn- en scharlakenververij was veel geld te verdienen, zoals blijkt uit de biografie van de Amsterdamse lakenverver en kunstschilder Jan van de Capelle (1626-1679) en het levensverhaal van andere tijdgenoten.[139] De heldere ‘Kuffelaars couleur’ (color Kufflerianus) was vermaard: het was naar verluidt het meest glanzende rood dat  Europa ooit had gezien. Het felbegeerde scharlakenrood paste niet alleen in het kleurige modebeeld, het had ook een hoge symbolische lading.[140] Men vertelde dat zelfs de paus zijn kleding bij Kuffeler liet verven.[141] In de katholieke kerk was scharlakenrood het privilege van kardinalen; daarnaast was het de kleur van de adel. Het einde der tijden zou volgens de Openbaringen van Johannes worden ingeluid door de komst van Hoer van Babylon, rijdend op een scharlakenrood beest met zeven hoofden en tien horens. In protestantse ogen werd daarmee de katholieke kerk bedoeld. In Engeland droegen de officieren in het New Model Army onder de puritein Oliver Cromwell sinds 1645 scharlakenrode jassen, waardoor het apocalyptische karakter van de burgeroorlog als een strijd tussen goed en kwaad onderstreept werd. De kleur scharlakenrood vertegenwoordigde tevens de een na laatste fase van het alchemistische proces, de fase van ‘roodheid’ (rubedo), symbolisch voor het overwinnen van de tegenstelling tussen geest en materie en het ontstaan van een verlicht bewustzijn dat aan de geestelijke en lichamelijke wederopstanding vooraf zou gaan. Het zoeken naar het perfecte scharlakenrood stond daarom in het licht van de speurtocht naar de steen der wijzen, die andere stoffen in goud kon laten veranderen en zijn bezitter eeuwig leven zou verschaffen. Volgens sommige auteurs is dat ook hetgeen Drebbel heeft bewogen.[142]


Lakenververij op een gevelsteen
uit Dordrecht, 1659
(
www.dordtsekaart.nl)

 

De bejaarde Moriaen die om geld verlegen zat, nam het bedrijf van de Kuffelers over zonder dat hij over de benodigde vakkennis beschikte. Daarom maakte hij dankbaar gebruik van een jonge vakman uit Neurenberg die hem bij terugkeer uit Engeland het ‘mysterie’ van het scharlakenrood en de verdere kneepjes van het rood- en blauwverven bijbracht. Weinig vaklui beheersten beide vaardigheden. “In heel Holland zijn er slechts twee die goed kunnen roodverven en ze worden daar rijk van”, schreef hij in januari 1658.[143] Twee maanden later had hij ook ervaring opgedaan met groen, geel en zwart, zowel bij het verven van wol als van zijde en linnen. Nu durfde hij het aan om voor de duur van twee jaar een meesterknecht en verder personeel aan te nemen. Zijn vriend Hornius bezocht hem meermalen, wellicht vergezeld van diens jonge assistent Rotger Knöttner uit Coesfeld.[144]

Voor de rode wolverf gebruikte Moriaen net als zijn voorgangers karmijn (een extract van cochenille- of schildluizen), dat met aluin, wijnsteen, salpeterzuur en een tinoplossing werd behandeld. Opgelost tinzout werd doorgaans verkregen met behulp van koningswater, een agressief mengsel van zout- en salpeterzuur. Voor het verven van katoen voldeed tinchloride. Voor de blauwe verf heeft Moriaen waarschijnlijk gebruik gemaakt van indigo dat met zwavelzuur (vitriool) werd bewerkt, dan wel met oleum (‘rokend zwavelzuur’) omgezet in karmijnblauw.[145] Om deze processen vlekkeloos te laten verlopen en de lakens snel uit te kunnen spoelen was bovendien veel schoon water nodig. De chemische stoffen die bij dit alles werden gebruikt waren nog maar sinds kort in grotere hoeveelheden beschikbaar, onder andere dankzij het voorwerk van Glauber, die net als zijn vriend Moriaen een tijdje bij de gebroeders Kuffeler heeft gewoond.[146] De grote voorraad aan chemicaliën waarover de lakenververs beschikten konden overigens ook voor andere doelen worden ingezet: Johann Sibertus Kuffeler gebruikte koningswater in zijn ultieme poging goud te maken uit zilver. Een ongenoemde vriend die op zijn laboratorium paste zou dit geheim hebben ontdekt. Toen het betreffende mengsel was opgebruikt, liet het experiment zich echter niet herhalen. Alle pogingen bleven vruchteloos en de door schulden geplaagde Kufferer raakte diep teleurgesteld.[147]

Het levensverhaal van Moriaen is typerend voor de wereld van Hoogduitse immigranten waartoe Johann Caspar Knöttner behoorde. De laatste heeft zich vermoedelijk vroegtijdig op de lakenververij toegelegd. Misschien heeft hij na Rusdorfs dood in 1640 eerst een tijdje in Engeland gewerkt. Eventuele ervaringen uit Neurenberg kwamen nu goed van pas. In 1646 schreef de Duits arts Heinrich Appelius vanuit Amsterdam dat er inmiddels een geleerde landsman van hem was die het geheim van Kuffelers rode verf kende. Hij had daarmee al geëxperimenteerd en het was volgens toeschouwers die hem hadden zien werken beslist geen slodderwerk, maar het werd allemaal zorgvuldig en netjes uitgevoerd. Daarbij moet het welhaast om Johann Caspar gaan.[148]

Er waren overigens meer kapers op de kust, zoals blijkt uit de plannen van een Duitse suikerbakker uit Amsterdam, kennelijk een oud-medewerker van Kuffeler, die zijn geheime kennis van het scharlakenverven in 1646 wilde ruilen voor een opleiding tot karmozijnverver. Dit met als het motto wetenschap voor wetenschap ende kunst om kunst’.[149] De Amsterdamse koopman en zijdeverver Hans Biermans beheerste eveneens ‘het verwen op de nieuwe manier van rootschaerlaecken’; hij beloofde deze vaardigheden aan de doopsgezinde gebroeders De Pla uit Leiden te leren. Een scharlakenverver in de duinen bij Overveen verkocht zijn bedrijfsgeheimen in 1649 voor 1500 gulden aan de gebroeders Tartarolis, eveneens lakenkopers uit Leiden, in ruil voor een nieuwe werkplaats met een kostbare tinketel van 740 gulden. Hier lijkt de vooral de ruime beschikbaarheid van fris water doorslaggevend voor de vestigingsplek te zijn geweest.[150] Een Franse legercommandant uit Maastricht beweerde tenslotte ‘het secreet van charlaecken ende van sijde’ al in het voorjaar van 1644 te hebben bemachtigd. Hij had toen beloofd het geheim te delen met zijn assistent, bij wie hij kennelijk in de schuld stond. Tien jaar richtten stichtten beide mannen alsnog een lakenververij in Tours, gefinancierd door de rijke Haagse kleermaker Steven Verhorst die als derde partner optrad.[151] De lakenververij in Den Haag stelde overigens weinig voor, zodat Johann Caspar hier aanvankelijk het alleenrecht lijkt te hebben gehad.[152]


Cnotner Scarlet-dye
Cnötner MS Chymical
(Samuel Hartlib,
1655 en 1656)

 

Omstreeks deze tijd zijn de gebroeders Kuffeler – zoals we zagen – uit Den Haag vertrokken; Johanns zoon Jacob Kuffeler week in 1647 uit naar Katwijk, waar voldoende schoon water beschikbaar was.[153] Probeerden ze de groeiende concurrentie van hun Hollandse collega te ontlopen? In Arnhem namen ze voor 500 gulden een oude lakenverver uit Flensburg aan, die zijn vaardigheden weer aan iemand anders moest leren. De leerling dreigde vervolgens met zijn kennis naar Engeland te vertrekken. Het ligt voor de hand dat Johann Caspar Knöttner van de verdere ontwikkelingen op de hoogte bleef, onder andere via zijn oomzegger Rotger, die Hornius vanaf 1656 assisteerde. In augustus 1655 plande hij een reis naar Engeland, wellicht om de markt daar te verkennen. “Hij heeft goede scharlakenverf”, noteerde Hartlib, “maar niet zo goed als die van Kuffeler hier in Engeland, die nooit vlekt”.[154] Het bericht stamde van Knöttners vriend Johann Friedrich Helvetius uit Den Haag. Volgens Kuffeler bezat zijn collega de belangrijkste scheikundige handschriften (every good MS chymical). Hij zou bovendien een methode zou hebben ontwikkeld om zilver uit ‘het nieuwe mineraal van de Nieuwe Wereld’ (wellicht argentiet) te extraheren. Dat lezen we tenminste in Hartlibs aantekeningen in de herfst van 1656.[155]

De ontwikkelingen stonden intussen niet stil. Spionage, bedrog en diefstal van bedrijfsgeheimen waren aan de orde van de dag. Het geheim van het scharlakenrood werd langzamerhand in ruimere kring bekend. En er kamen telkens nieuwe vondsten bij. Kuffeler ontwikkelde bijvoorbeeld zwarte kledingverf en een verbeterde scharlakenrode verfstof, waarvan hij het geheim aan Hartlib verkocht.[156] Moriaen klaagde op zijn beurt mismoedig in april 1658 dat hij zijn handen vol had aan karmozijn en scharlaken. Maar na een tijdje lukte het ook hem ‘nieuwe en betere kleuren’ te vinden. Half juni werd het vuur onder de grote tinketel aangestoken, zodat hij eindelijk aan de slag kon.[157] Zijn kameraad Hornius berichtte anderhalf jaar later opgetogen over een andere vriend die zwarte kledinglak en andere mooie tinten uit een helder dompelbad tevoorschijn kon toveren, zonder dat de stoffen daarna afgaven.[158] Hij vertelde er niet bij wie dat was. Moriaen deed bij gebrek aan concurrentie goede zaken; zijn klanten kwamen uit het hele rivierengebied van Rotterdam tot achter Nijmegen. “Hij kan zichzelf met het lakenverven onderhouden en hoopt op den duur welvarend te worden om het heil van de mensheid te kunnen dienen”, berichtte Hartlib, die Moriaen ‘een ware Nathanael’ (een geschenk Gods) noemde.[159] In 1662 verkocht de bejaarde predikant zijn Arnhemse belangen en verhuisde hij naar Muiden, waar hij enkele jaren later overleed. Scharlakenrood bleef een een veelgevraagde kleur, waarvan de omstandige productie zich niet gemakkelijk in een stedelijk keurslijf liet dwingen. Het nieuwe lakenverversgilde in Amsterdam maakte dan ook een uitzondering voor ‘craproot, scharlaken ende kuflaers couleuren’, waarvan het gebruik aan de vrije markt werd overgelaten.[160]


Kopergravure met portret van
Johann Caspar Knöttners vriend
Johann Friedrich Helvetius
(wikipedia)

 

Over de verdere lotgevallen van Johann Caspar Knöttner weten we weinig. Hij werd pas na zijn dood beroemd door een zoutzuurmengsel dat hij had vervaardigd voor Anthonie’s broer, de Haagse zilversmid Andries Grill (1604-1665). Deze gerenommeerde zilverkunstenaar beweerde in 1664 dat hij methode had gevonden om een stuk lood te laten veranderen in goud en zilver.[161] Op het ondergedompelde metaal verschenen na een tijdje witte kristallen die zilver bleken te bevatten. Grill probeerde het daarna nog weer, maar het mengel van zijn plaatsgenoot bleek tot zijn spijt onmisbaar om het experiment te laten slagen. De listige zilversmid had zichzelf al rijk gerekend, maar kwam bedrogen uit. Toen hij uiteindelijk besloot open kaart te spelen tegenover Knöttner, was de ander, die verschillende mengsels in voorraad had, naar eigen zeggen al weer vergeten welke hij had meegegeven. Johann Caspar nam zijn kennis mee in zijn graf; Grill verdronk kort daarna. “Geen enkele onderzoeker heeft na hun dood deze kunst (om zilver te maken) zoals zij dat deden, kunnen vinden”.

Het verhaal over de ontmoeting met Grill werd beroemd door het boek Vitulus Aureus (Gouden Kalf) van de Haagse arts en alchemist Johann Friedrich Helvetius alias Schweitzer uit 1667. Helvetius vertelde dat Knöttnerus een van zijn beste vrienden (amicus aliquo mihi optimo) was geweest; Grill had daarentegen volgens hem geen kaas van alchemie gegeten.[162] De anekdote lijkt als twee druppels water op het eerdergenoemde verhaal van Kuffeler en werd in andere boeken vele malen naverteld. De eigenwijze kleine wonderdokter uit Saksen-Anhalt wist zijn lezers te fascineren met de bewering dat hijzelf - in tegenstelling tot zijn voorgangers – er wel degelijk in was geslaagd goud te maken. Een geheimzinnige koperslager uit het Waterland, in lijn met de chiliastisch-alchemistische traditie ‘Elias Artista’ genoemd, zou hem een stukje van de steen der wijzen hebben gebracht: een wonderbaarlijke substantie die – terwijl hij zelf verteerde – andere materie zou kunnen transformeren tot edelmetaal. Engelen met baarden spelen in de profetieën van die tijd wel vaker een rol. In lijn met het spreekwoord dat we al eerder tegenkwamen stelt de zinspreuk die de zilveren herdenkingsmedaille voor Helvetius uit 1709 siert: “Hij heeft genesen, en is gestorven om genesen te werden”.[163]


Alchemistische symboliek bij Johann
Joachim Becher,
Actorum Laboratorii
Chymici Monacensis, 1669, waarin
Craffts ontmoeting met Johann
Caspar Knöttner wordt beschreven.

 

De chemicus Johann Daniel Crafft (1624-1697) uit Dresden vertelde een andere anekdote. Hij ontmoette Johann Caspar Knöttner in Amsterdam, waar deze hem in een vrolijke bui op dure Spaanse wijn trakteerde.[164] Op de vraag hoe het kwam dat hij ineens zo vrijgevig was geworden, zei hij dat hij dankzij de alchemie nu een glas wijn kon betalen om samen met zijn vriend te drinken. Hij vertelde dat hij had ontdekt hoe je op een simpele manier van kwik echt zilver kon maken. Toen Crafft dit niet geloofde, liet hij op diens kosten zwavel halen bij zijn vaste leverancier of materialist. Hij stopte het kwik in een bolletje van touwvezels, die hij met zwavel had doordrenkt. Dit bolletje stak hij vervolgens in brand, waarna hij puur zilver te voorschijn toverde. Crafft liet zich overtuigen, maar de lol was er volgens hem af zodra alle zwavel was verbruikt. Het doet denken aan een klassieke alchemistentruc waarbij het mineraal cinnaber (kwik(II)sulfide) wordt veranderd in zilverkleurige druppels.[165]

De verhalen geven in elk geval aan dat Knöttner ervaring had met chemische processen. Als gespecialiseerd lakenverver moet hij veelvuldig met zwavelzuur (vitriool) en salpeterzuur (‘sterk water’) hebben gewerkt, mogelijk was hij ook betrokken bij de productie daarvan. Uit het feit dat hij beroepsmatig tevens met verdund zoutzuur (‘de geest van zout’) in de weer was, valt af te leiden dat hij inderdaad vertrouwd moet zijn geweest met de productie van scharlakenrood. Kwik en zwavel werden onder andere gebruikt voor de productie van vermiljoen, waarmee men het scharlakenrood vuriger deed schijnen. Het giftige kwik werd verpakt in schapenhuiden ‘bij duizenden kilogrammen’ uit Slovenië aangevoerd, daarna verwerkt tot cinnaber (kwiksulfide) en vervolgens op de Zaanse molens verpulverd.[166] Was hij wellicht één van de twee vaklui op wie Moriaen doelde? Rijk is hij er in elk geval niet van geworden. Dat geldt wel voor zijn gesprekspartner Crafft, die later succes zou krijgen met de handel in fosfor, een van de nieuwe chemische stoffen die dankzij de alchemie werden ontdekt.


 Geber Arabus & Caspar Hornius,
Chimicae, Leiden 1668.

Ook Johann Caspars landgenoot Georgius Hornius hield zich sinds zijn Neurenbergse jaren bezig met de alchemie en verkeerde regelmatig onder gelijkgezinden. Al in Groningen had hij vermoedelijk contact met andere liefhebbers van dit vak (zoals Philipp Schreckenfuss). Hij was, zoals we zagen, een goede vriend van Moriaen en een studiegenoot van Johann Michael; Helvetius was een van zijn studenten in Harderwijk. De wens om het geheim van het goud maken te ontsluieren hield de professor zo in de grip dat hij daaraan al zijn geld verspeelde. Hij raakte af en toe volledig van slag en werd overvallen door een ‘razende melancholie’. Voorjaar 1665 sloot men Hornius enkele dagen op teneinde hem tegen zichzelf te beschermen. Later liep hij in een vlaag van verstandsverbijstering naakt door de straten van Leiden, terwijl hij in het Latijn uitriep: “Heb je ooit een paradijselijker mens gezien? Ik ben Adam!” De bewering dat de mens zich kon transformeren en net als Adam zonder zonde zou kunnen zijn, sprak de spiritualisten sterk aan. Uitgesproken vroomheid en alchemie waren twee kanten van dezelfde medaille. In de ogen van de gereformeerde orthodoxie dreigde dit te ontaarden in ketterij. Hornius had bovendien het aanzien van de universiteit geschaad. In juli 1668 concludeerde men dat hij krankzinnig was geworden. Hij kwam min of meer onder curatele te staan en werd uiteindelijk gedwongen elders een aanstelling te zoeken.[167]

Hornius gaf de schuld aan de listige goudmakers en wichelaars die hem hadden misleid, met name een ongenoemde ‘goudmaker’ of alchemist uit Den Haag die hem had opgelicht en vijfduizend gulden afhandig zou hebben gemaakt. Hij vatte zijn werk ‘frisser en vrolijker’ dan ooit weer op en publiceerde om zijn gelijk te bewijzen nog hetzelfde jaar een tekst van de middeleeuwse alchemist Jābir ibn Hayyān (Geber Arabis) met een inleiding over het waarheidsgehalte van de alchemie en een traktaat van zijn overleden oom Caspar Horn (1583-1653), een gereformeerde stadsarts uit Saksen zijn toevlucht had gezocht in de stadsrepubliek Neurenberg. Georgius had drie jaar bij hem gewoond. Deze oom stond erom bekend dat hij de Bijbel zestig keer van kaft tot kaft had doorgelezen.[168] Georgius Hornius’ beknopte Kerkelycke historie uit 1665 werd uiteindelijk een groot succes. Kort voor zijn geplande vertrek naar Heidelberg in 1670 stierf de strijdbare hoogleraar. Wie de ‘goudmaker’ was die hem had opgelicht, vermeldt het verhaal niet; mogelijk was het Andries Grill, wiens vertrokken broer de bijnaam aurifaber had.[169] De kans is in elk geval groot dat hun overleden landgenoot Johann Caspar Knöttner en wellicht ook diens neefje uit Coesfeld er meer van hebben geweten.

 


Aliis inserviendo me ipsum Consumo
Pharmacoepia (receptenboek) van de arts Hans Henricus Neller, mogelijk uit Wenen 1621-1622
[170]
(Veilinghuis Sokol Books, 2017)

 

7. De duif als mystiek symbool

Afbeeldingsresultaat voor koberger genesis bibel

Gods adem daalt neer op de
wateren (Gen. 1:2).
Afbeelding uit de bijbel van
Anton Koberger, Neurenberg 1483
(Baierische Staatsbibliothek)
(
www.museum.de)

 

De duif keert terug bij de ark met een
olijftak in zijn snavel (Gen. 8:11).
Afbeelding uit de bijbel van
Anton Koberger, Neurenberg 1483
(Victoria & Albert Picture Library,
biblearchaeology.org)

 

Het wapen op de grafzerk van Johann Michael Knöttnerus uit 1684 toont een omgewende duif met een olijftakje op een rots, met als helmteken een opvliegende duif, eveneens omgewend. Over de kleuren is niets overgeleverd. De nakomelingen meenden te weten dat het om een zilveren duif op een blauw schild ging; de rots kreeg uiteindelijk een groene tinctuur.[171] In de christelijke iconografie geldt de olijftak als symbool voor verzoening, niet alleen tussen God en de mensheid, maar ook tussen de mensen onderling. De duif wordt gezien als een vredesbode. Volgens het Bijbelverhaal liet Noach nadat hij met zijn gezin de Zondvloed had overleefd eerst een raaf en vervolgens een duif uitvliegen. De duif kwam terug met een olijftak als teken dat het verdronken land opnieuw bewoond kon worden. Ook Gods adem wordt in de regel uitgebeeld als een duif. “Und der Geist Gottes schwebet auff dem Wasser”, zo vertaalde Maarten Luther de tweede zin van het scheppingsverhaal, en hij voegde eraan toe dat het wel om de Heilige Geest moest gaan, want de wind bestond immers nog niet. In het Nieuwe Testament staat de vliegende duif voor de Heilige Geest die na diens doop op Jezus neerdaalde en bij de mensen achterbleef nadat hij in de hemel werd opgenomen. Het gaat vanuit deze visie dus niet om een simpele vredesduif, maar om een symbool uit de verbondsleer, waarmee tegenstellingen overwonnen en gelijkgezinden met elkaar verbonden worden. In de middeleeuwse iconografie kende men tenslotte ook de ‘zeven gaven van de Heilige Geest’ als de bijzondere eigenschappen van de verwachte Messias (Jesaja 11:1-2), bijvoorbeeld bij Thomas van Aquino, die in de vorm van zeven duiven werden weergegeven.[172] Protestsantse theologen uit de late zeventiende eeuw zagen deze zeven vormen van hemelse genade als een cyclus van innerlijke wedergeboorte.[173]

 
De Heilige Geest in de vorm van een
duif daalt neer op Jezus na zijn doop.
(Detail uit de Doop van Christus,

Piero della Francesca, ca. 1448-50)
(
concordatwatch.eu)

 

Het is de vraag waarom Johann Michael de duif tot zijn wapen heeft gekozen. Het antwoord ligt misschien niet alleen in de gangbare christelijke beeldentaal. De alchemistische denkwereld van zijn broer, die afwijkt van de gangbare orthodoxie, biedt hele andere perspectieven. In de taal van de alchemisten en hermetische denkers had de duif vooral een verborgen betekenis. Vanuit de Joodse mystiek stond de hij voor de onsterfelijke ziel van de mens. In de Kaballa wordt bijvoorbeeld beschreven hoe de Messias tot zijn komst in een soort hemelse duiventil verblijft.[174] Voor de hermetici die zich door de Joodse traditie liet inspireren werd het daarom een belangrijk gegeven dat Christus’ ziel was ontsnapt aan zijn stervende lichaam op Golgotha. Eerst zijn reis naar de onderwereld maakte vervolgens de totale overwinning op de dood mogelijk. Iedere gelovige kon aan dit wonder van transformatie deel hebben.[175] Het Heilige Sacrament fungeerde daarbij als een soort steen der wijzen die het proces van innerlijke wedergeboorte op gang bracht. Lijdensweg, kruisdood, hellevaart en fysieke wederopstanding van Christus stonden volgens de alchemisten model voor de hoofdfasen van hun Grote Werk. Waar katholieken en lutheranen zich echter op lichaam en bloed van Christus als symbool voor diens innerlijke natuur en levenskracht concentreerden, stelden de calvinisten juist de werking van de Heilige Geest centraal. Daardoor ontstonden verschillende tradities binnen de alchemie. Maar ook anderen lieten zich door deze hermetische visie inspireren. Zo benadrukt Comenius dat in het diepste van de mense geest de ziel huist, de bron van de vrije wil en het geweten, die lichaam en geest stuurt zoals de stuurman zijn schip bestuurt. Bij hem wordt deze alchemistische symboliek vooral allegorisch opgevat.[176]

Bij de alchemie gaat het dus niet alleen over scheikundige processen. De zoektocht naar de steen der wijzen was tegelijkertijd een metafoor voor geestelijke transformatie, inkeer en vernieuwing. En omgekeerd: religieuze modellen werden gebruikt om beter begrip te krijgen van de natuur. Deze kennis was niet voor iedereen weggelegd; hij werd, zo meende men, alleen geopenbaard aan diegene die zich voor innerlijke vernieuwing openstelde. De zoektocht naar alchemistische kennis bewerkstelligde een loutering van de ziel die de mensheid rijp zou maken voor eenheid en verzoening. De geheimen waren bovendien geld waard, zodat men alleen tegenover vertrouwde vrienden klare taal durfde te spreken.[177] De middeleeuwse beeldentaal die op de gecompliceerde chemische processen werd losgelaten leidde echter ook tot verwarring.

De alchemistische principes werden getoetst aan het menselijk lichaam, dat steeds meer als een samenspel van tegenstrijdige krachten en autonome mechanismen werd gezien. Het mensbeeld was bezig te veranderen. Waar het lichaam tot dan toe werd gezien als een kwetsbaar geheel dat vooral tegen dreigingen van buitenaf beschermd moest worden, kwamen nu processen van innerlijk verval en vernieuwing centraal te staan. Volgens de leer van de iatrochemie was de menselijke gezondheid afhankelijk van een chemisch evenwicht dat door specifieke medicamenten beïnvloed konden worden. Men ging daarom op zoek naar de geest der dingen, de innerlijke levenskracht of de goddelijke vonk die voor herstel en wederopstanding kon zorgen, het universele medicijn dat de menselijke ziel uit zijn sterfelijke lichaam zou bevrijden. Dit alles is een diepe onderstroom die in het begin van de zeventiende eeuw zowel mystici en spiritualisten als strenge calvinisten en puriteinen bezig hield.


De Heilige Geest in de vorm van
een duif brengt de ampul met heilige
olie aan Sint Remigius, die op het
punt staat koning Clovis te dopen.
West-Vlaanderen, midden 14e eeuw.
(
wikipedia)

 

Aan het begin van het alchemistische proces staat de duif voor de goddelijke inspiratie die nodig is om werk van transformatie te laten beginnen. Dit is de vermaarde steen der wijzen, een soort universele katalysator die het veranderingsproces op gang brengt.[178] Het bekende traktaat Rosarium Philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550, beeldt dit beginpunt uit als een neerdalende duif een roos komt brengen. Het bijschrift stelt: “Het is de Geest die levend maakt” en in een andere variant “Het is de Geest die verenigt”.[179] De koning en de koningin houden elkaars linkerhand vast, daarmee het tegenstrijdige en risicovolle karakter van deze eerste fase benadrukkend. De roos is tegelijkertijd een metafoor voor de olijftak van verzoening als een aanbod van hogerhand.[180] Het mannelijke en het vrouwelijke element worden samengebracht zonder dat de uitkomst nog zeker is. Pas door goddelijke inspiratie ontwikkelen de dingen zich ten goede. De afbeelding verwijst tevens naar de ampul met heilige olie waarmee Franse en Engelse koningen werden gekroond, die volgens de traditie ooit was gebracht door de heilige geest in de vorm van een neerdalende duif.[181]

Het is deze houtsnede die model staat voor verschillende prenten waarmee het heilige huwelijk tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613 werd opgeluisterd. De duif is hier vervangen door het Hebreeuwse anagram יהוה of יְהֹוָה (JAHWEH, ‘God’), dat in deze context het irenische streven naar kerkelijke eenheid lijkt te benadrukken.[182] Voor de hermetici moeten de visuele parallellen met het sleutelwoord יחדה (JECHIDAH, ‘goddelijke vonk, eeuwige ziel’) uit Kaballa overduidelijk zijn geweest. Het aanbrengen van diakritische tekens duidt mogelijk op het hardop reciteren van Gods verschillende namen als onderdeel van de mystieke geloofsbeleving.[183] Zelfs voor leken die de Hebreeuwse taal niet machtig waren zou dit buitengewoon heilzaam zijn, zo benadrukt althans de spiritualist Heinrich Khunrath (ca. 1560-1605). De wederzijdse aanraking met de linkerhand heeft op de nieuwe prenten plaats gemaakt voor een normale handslag, een heilig verbond tussen twee vorsten, waarmee kennelijk vooruit wordt gelopen op de volgende fase van het transformatieproces. De spirituele thematiek werd verder uitgewerkt in het geruchtmakende boek Chymische Hochzeit des Christian Rosencreutz uit 1616, toegeschreven aan de mythische grondlegger van de Rozenkruisers, een fictief genootschap waarvan de naam werd gebruikt om mystieke vroomheidsidealen onder de aandacht van een groter publiek te brengen.[184] De werkelijke auteur (de jonge theoloog Johann Valentin Andreae) bleef vooralsnog onbekend.


 De witte duif als spirituele essentie
van de oude man die het eeuwige
leven zoekt (1582)
(
Splendor Solis, plaat 11)

 

De eerste fase van het Grote Werk is een periode van lijden, ontbinding en versterving (nigredo of ‘zwartheid’). Dit wordt doorgaans afgebeeld als een kraai of raaf die op een schedel zit. Pas in de volgende stap maakt de geest zich los uit de verstrengeling met de dode materie. Dit is de fase van de albedo of ‘witheid’, het wegwassen of wegbranden van onzuiverheden, waardoor de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Bij chemische processen herkende men dit aan de zouten, destillaten en extracten die zich hadden gevormd. Op deze wijze dacht men ook onedele metalen in zilver te kunnen veranderen. De alchemisten beeldden deze fasen gewoonlijk uit als een witte duif die na een langdurig gevecht de zwarte raaf overwint. Zij noemden dit de ‘geest der wijsheid’ of spiritus philosophorum.[185] Een vijftiende-eeuws traktaat geeft een treffende omschrijving:

Dit is het lood der filosofen’ (plumbum philosophorum), dat zij ook wel de geest van lood noemen: het looderts waarin een prachtige witte duif verborgen ligt die metaalzout wordt genoemd. Dit is de hoogste graad van meesterschap die men bij het werk kan bereiken. Dit is de kuise, verstandige en rijke koningin van Seba, omfloerst met witte sluiers, die zich aan niemand anders dan aan koning Salomo wil onderwerpen. Geen mensenhart kan dit alles doorgronden.[186]

Ook dit proces had een spirituele lading. In het rijk verluchte manuscript Spendor solis uit 1582, toegeschreven aan Salomon Trismosis, wordt het tragische verhaal verteld van een bejaarde koning die op zoek is naar de eeuwige jeugd. Hij laat zich doden om zijn innerlijke essentie in de vorm van een witte duif terug te winnen.

De geest maakt zich los uit de
omstrengeling door de vier
elementen (Frankrijk, 18e eeuw)

(uit: Sapientia veterum
philosophorum
,
Parijs, Arsenal Ms. 974)
(
hermetik-international.com)

 

Il "Mercurio dei filosofi" rappresentato come "anima del mondo". Da un manoscritto del XVI secolo.:
 ‘Mercurius philosophorum’
(tweede helft 16e eeuw)
(uit:
Turba Philosophorum, Parijs,
BNF, Ms. Lat. 7171)
(
Pinterest)

 

Symboliek van innerlijke transformatie bij Basilius Valentinus

(1613, ed. 1678)
(
wikimedia, naar Deutsche Photothek)

Soms zien we in de afbeeldingen een opvliegende duif die zich heeft losgemaakt van de materie. Een van de essenties die de alchemisten meende te kunnen isoleren was het ‘kwik der filosofen’ (mercurium philosophorum), afgebeeld als een omfloerste Venusgestalte met een opvliegende duif op haar hoofd. De duif is hier niet alleen een teken dat de reinigingsfase voltooid is. Hij staat hier ook voor de vogel van Hermes (avis hermetis), de boodschapper der goden en de brenger van verborgen kennis. De stralende vrouwengestalte wordt elders ook afgebeeld als metafoor voor de menselijke ziel.[187] Op het eerste gezicht lijkt het vooral om een chemische proces te gaan, waarbij men het vloeibare metaal met hitte meende te kunnen ‘bezielen’, zoals ook Johann Caspar Knöttner dat in een van zijn experimenten deed.[188] Glauber wijdde er zelfs een heel boek aan. Maar ook hier was nog iets anders aan de hand.

Uit het zogenaamde Boek van Lambspring, ontstaan rond 1500 in Noord-Duitsland, blijkt dat deze goddelijke vogel tevens een metafoor is voor het levenspad van vrome mannen en vrouwen die steeds meer streven naar het hogere, maar nog steeds innerlijk verscheurd worden door materiële zorgen en liefde voor hun kinderen. De vogel die op haar nest zit (in dit geval een adelaar) houdt haar evenbeeld tegen die omhoog wil vliegen.[189] Deze materiële kant van het bestaan wordt elders gesymboliseerd door de pelikaan die zichzelf opoffert voor haar kinderen. Uiteindelijk dragen de beide duiven echter de kroon van de overwinning. Dergelijke beelden waren wijd verbreid dankzij alchemistische handboeken als die van Basilius Valentinus (Azoth, 1613), Johannes Daniel Mylius (Philosophia Reformata, 1622) en het Musaeum Hermeticum (1625), het laatste met illustraties van de bekende etser Matthäus Merian.[190] De zeven stappen van innerlijke wedergeboorte bij Valentinus weerspiegelen bovendien de zeven hemelse genadegiften die – zoals we zagen - vanouds in de vorm van zeven duiven werden afgebeeld. Het lijkt hierbij tevens te gaan om een voorloper van het  piëtistische leerstuk dat zeven stappen van wedergeboorte onderscheidt.[191]


 Detail uit een ets van Matthaeus Merian over het maken
van drinkbaar goud

(‘Auri Potabilis Chimice Praeparati’, in:

Robert Fludd, Utriusque cosmi majoris scilicet et minoris
metaphysica, physica atque technica historia
,
Oppenheim 1617)
(
golden-dawn.com)

Nog één keer komt de duif daarna terug in iconografie van het Grote Werk, nu aan het slot van de laatste fase van rubido of ‘roodheid’. De duif symboliseert hier de overwinning van alle tegenstellingen en de voltooiing van het transformatieproces. Hij heeft zich losgemaakt van materiële zorgen, maar moet alleen nog zijn vurige passie beteugelen. Hij raakt in een bloedig gevecht met zijn tegenspeler, maar wordt daardoor opnieuw getransformeerd. “Uit de duif wordt een nieuwe fenix geboren, die duisternis, stank en dood achter zich laat, om zo een nieuw leven te beginnen”, zoals Lambspring het onder woorden brengt.[192] De fenix die ongeschonden oprijst uit het vuur staat voor het geloof in de onsterfelijke ziel en de verwachting van een eeuwig leven. Uiteindelijk krijgt de duif als symbool van de Heilige Geest een plek tegenover het Lam Gods aan de linkerhand van de Schepper. Deze fase wordt ook wel afgebeeld als de wederstanding, waarbij de dode oprijst uit zijn graf.


Wapen op de grafzerk van
JOHANNES MICHAELIS
KNOETTNERUS, Greetsiel 1684.
(Foto © Jan Knottnerus, Emmen)

 

De duif was in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk symbool voor innerlijke transformatie en het kan haast niet anders dan dat Johann Michael deze beeldentaal van nabij kende. Er bestonden in deze periode nog veel raakvlakken tussen strenge calvinisten, puriteinen en spiritualisten. Er was vermoedelijk geen reden voor hem om van deze symboliek afstand te nemen. De familieoverlevering suggereert dat het familiewapen stond afgebeeld op de zegelring en daarom veel ouder was. Maar het kan evenzeer om een persoonlijk wapen zijn gegaan of om een wapen dat hij met zijn broers deelde.

Op de grafzerk van Johann Michael worden alle drie fasen van innerlijke transformatie aangeduid als in een stripverhaal: het lijden en versterven door anderen te dienen (de brandende kaars op de schedel), de losmaking van het materiële (de zittende duif) en de uiteindelijke bevrijding (de opvliegende duif). In beide gevallen maakt de duif zich los van de ondergrond die hier afgebeeld wordt als een rotspunt. De rotspunt is tegelijkertijd een verwijzing naar het sterven van Christus op de berg Golgotha (Hebreeuws voor ‘schedelplaats’); vaak werd hiervoor de heraldische vorm van de drieberg gekozen, maar dat is niet noodzakelijk. Johann Michael stamde naar eigen zeggen uit Gnadenberg (een zinspeling op Golgotha), maar had zich daar noodgedwongen van los moeten maken. De olijftak kan tenslotte worden opgevat als teken van overwinning.[193]

Een dergelijke symboliek was in de regio waar Johann Michael zich vestigde niet ongebruikelijk. Het zinnebeeld van de pelikaan die zichzelf opoffert vinden we ook in het wapen van het stadje Appingedam.[194] En de marktplaats Weener, vlakbij de woonplaats van zijn zoon, koos omstreeks deze tijd voor de fenix, naar verluidt als teken dat men zich goed had hersteld van de ellende van de Dertigjarige Oorlog.[195] Het Oost-Friese gravenhuis en de stad Emden tooiden zich daarentegen met de bloeddorstige harpij (net als overigens Neurenberg), terwijl Groningen (net als Eger) de rijksadelaar in zijn wapen had. De vreedzame duif die zich evenals de pelikaan tussen de strijdbare partijen wist te handhaven, contrasteerde in dit opzicht met de onstuimige tijdgeest.

De alchemistische symboliek heeft mogelijk nog een onverwachte kant, omdat hij tevens naar de lakenververij van de broer Johan Caspar lijkt te verwijzen. De duif maakt zich los van de rotspunt (knott), zoals het witte tinzout zich losmaakt uit het tinerts (knötel) van Bohemen. Het resultaat is de prachtige rode kleur waarnaar gestreefd werd. Het is bovendien een afspiegeling van de verwachting dat men ooit tin in zilver of goud zou kunnen transformeren, zoals men hoopte ook de ziel te kunnen transformeren. Dit geeft een onverwachte bijklank aan de naam Knöttner(us); het gaat zo gezien niet alleen om de bewoner van een rotspunt, ook om een soort beroepsnaam: iemand die in staat moet worden geacht met Gods hulp de materie in iets hogers te veranderen.

Familiewapen Knottnerus met
omgewende duif en als
helmteken een opvliegende duif,
gemodelleerd naar de grafzerk
uit 1683.
(Uit: Nederlands Patriciaat 1951)

 


Familiewapen Knottnerus,
heraldisch gecorrigeerd
door
Karel van den Sigtenhorst,
1972.
(Bron: Website familie Knottnerus)

 

Dat alles roept tenslotte de vraag op of het gecorrigeerde familiewapen Knottnerus, zoals wapentekenaar Karel van den Sigtenhorst (1925-2014) dat in 1972 volgens de heraldische regels heeft ontworpen, wel recht doet aan de voorgeschiedenis. Sigtenhorst, die werkzaam was bij het Centraal Bureau voor Genealogie, verving de opvliegende duif op het helmteken door een zittende duif en liet beide duiven naar rechts kijken (gezien vanuit de toeschouwer naar links). Zoals we hierboven zagen, was het vermoedelijk juist de bedoeling dat de duif op het helmteken omhoog vloog. Dat beide duiven op de grafzerk uit 1684 omgewend waren, zou in theorie een fout van de steenhouwer kunnen zijn, die dan verzuimd heeft de oorspronkelijke zegelring in spiegelbeeld te tekenen.[196] Maar evenzogoed kan de wending naar links een bewust gekozen zinnebeeld zijn geweest voor de spirituele weg naar binnen.

 

8. Derde generatie


Toegangspoort van het oude Academiegebouw
te Groningen, litho uit 1848 naar een tekening
 van Jan Ensing (1846)
(Wikipedia; Beeldbank Groningen)

 

Twee zonen van Johann Michael Knöttnerus uit Greetsiel volgden het spoor van hun vader. De jong gestorven Cornelius Knöttnerus (ov. 1665) werd – na een studie wijsbegeerte, Grieks en theologie in Groningen en voortzetting van zijn studie te Leiden - predikant te Leer.[197] Hij stierf nog hetzelfde jaar tijdens een pestepidemie, net als zijn oom uit Den Haag. Men meende achteraf dat de vele rouwpredikaties hem te veel hadden afgemat, zodat zijn opvolger voortaan van deze plicht ontslagen werd.[198] Zijn jongere broer Johann Friedrich Knottnerus (1647/48-1687, niet Heinrich!) kreeg na zijn studie in Groningen en Bremen in 1673 een aanstelling tot tweede predikant in het volkrijke Groothusen. Na tien jaar verhuisde hij naar het uitgestrekte dorp Bunde in het Rheiderland, aan de rand van de vruchtbare Dollardpolders en onder de rook van de vesting Nieuweschans.[199] De naam Johann Friedrich, later overgenomen door een van de kleinzoons, lijkt een eerbetoon aan de Winterkoning. Waar de jongens hun vooropleiding genoten is niet bekend, mogelijk was dit Latijnse school van Emden, misschien ook de illustere school in het lutherse Norden, die vanouds een goede reputatie had.

Het lijkt erop dat de broers aanvankelijk het theologische pad van hun vader volgden. De Groningse hoogleraar Jacob Alting had zich intussen bekend tot verbondstheologie van de uit Bremen afkomstige Johannes Coccejus, hoogleraar in Leiden, terwijl Tobias Andreae aanhager van Descartes was geworden. Aan de Groningse universiteit heerste nu al lange tijd “een sfeer van principiële openheid tegenover nieuwe denkbeelden”, maar er waren wel degelijk onderhuidse spanningen.[200] Cornelius Knöttnerus volgde filosofiecolleges bij de arestoteliaan Martinus Schoock en voltooide zijn studie in Leiden onder toezicht van Coccejus en diens collega, de cartesiaan en dogmaticus Abraham Heidanus uit Frankenthal in de Palts.[201] Het was in alle opzichten een keuze voor gematigdheid. Bij de classis Loppersum (waar zijn oom Samuel Hillenius deel van uitmaakte) vertrouwde men zijn Groningse vooropleiding kennelijk niet helemaal; Cornelius moest extra bewijs van zijn vaardigheden leveren voor hij in 1662 kon worden bevestigd als kandidaat.[202] Toch zullen de lessen van de strenge Samuel Maresius en diens mildere collega Abdias Widmarius wel degelijk hun sporen hebben nagelaten. Widmarius was een irenisch coccejaan; als vluchteling uit de Palts en leerling van Hendrik Alting verkoos hij een zachtmoedige tussenpositie. Zijn oratie uit 1646 was gewijd aan de verschijning van de Heilige Geest in de gestalte van een duif (Columba, Spiritus Sancti hieroglyphicum).[203] Toen Alting hem in 1667 als hoogleraar theologie opvolgde ontstond alsnog een felle strijd met diens collega Maresius die eerst door de dood van de laatste werd beslecht. Ook Comenius raakte uit de gratie.[204] Dat Johann Friedrich eerder dit jaar de Groningse academie voor die van Bremen verwisselde zal vooral te maken hebben met de vacante leerstoelen in Groningen. Misschien was het ook een inhoudelijke keuze. In Bremen waaide inmiddels een andere wind: de Bremense theologieprofessor Heinrich Flocken, eerder predikant te Emden, was net als zijn vader en broer voorstander van de strengere richting die de calvinistische predestinatieleer centraal stelde.[205] Toch zien we pas in de volgende generatie een duidelijke wending.


Haven van Leer omstreeks 1850.
(Wikimedia)

 

Verder was er nog een derde broer, Engelhart Knottnerus (ov. 1731), die in 1675 net als zijn neef Rotger koopman werd te Leer. Vermoedelijk was hij meester timmerman en houthandelaar. Zus Hester trouwde een man uit Leer die hetzelfde beroep had.[206] Het mystieke christendom dat we bij eerdere generaties tegenkwamen, zou volgens sommige berichten in Leer al in de zeventiende eeuw om zich heen hebben gegrepen. Het ligt voor de hand dat Engelhart en zijn gezin hierdoor beïnvloed zijn. Hij zal zich bovendien hebben bekommerd om de kinderen van zijn in 1687 overleden broer in Bunde. Dat Engelharts zoon ‘meneer’ Jan (1691-1751) predikant te Leer werd, zoals de stamboom vermeldt, berust op een misverstand. Wel is hij in 1731 getrouwd met een predikantsdochter uit het naburige Loga; haar vader Henrich Friedrich Elers (ov. 1734) werd in 1719 door de overheid tot de orde geroepen vanwege zijn steun aan de radicale piëtist Christian Anton Römeling. De vrome predikant stond echter in dienst van graaf Von Wedel en kon zich wel het een en ander veroorloven.[207]

Een van Engelhards dochters (Ebel) huwde de deftige schoolmeester Hermannus Mercator bij de Nieuwe Kerk te Emden, kleinzoon van een dorpspredikant uit Manslagt. Een andere trouwde plaatsgenoot Harmen Dirks uit Leer; twee van hun kinderen droegen opnieuw de achternaam van de moeder, namelijk de schipper Engelhard (Harms) Knottnerus te Groningen (1705-na 1772) en diens vermoedelijk jong overleden broer Cornelius Knottner Harmens (geb. 1708). De nakomelingen van de eerste (een familie van Groningse binnenschippers) noemden zich later Engelhard.[208] Deze tak van de familie Knottnerus stierf in 1808 in mannelijke lijn uit met de bakker Hinricus Fredericus Knottnerus te Leer. De laatste telg was nicht Teetje (1769-1852), die zich in 1815 liet scheiden van haar man. Haar zoon, de lithograaf Johann Engelhard Minnig, maakte carrière als kunsthandelaar en oplichter.[209]

De tweede dochter uit het gezin van Johann Michael was Anna of Annetie Knotnerus (ov. 1742), die zich omstreeks 1680 met haar man grootschipper Jan Lolling vanuit Greetsiel in Amsterdam vestigde. Hij was een van de kapiteins van de vloot die Willem III en Maria Stuart in 1688 naar Engeland bracht.[210] Ook Jan Lolling stamde uit een domineesfamilie; waarschijnlijk gaat het om een zoon van de heetgebakerde eilandpredikant Gerhardus Lolling op Borkum. Het echtpaar woonde op Bickerseiland en had een jong overleden zoon Cornelis, die eveneens op zee voer; kleinzoon Jan had een herberg en was wijnhandelaar. In de stamboom komen zij niet voor.


Gereformeerde synode te Dordrecht, 1618-19.
Cornelius Hillenius (1568-1632)
 wordt
en profil afgebeeld onder nr. 93.



Johann (Friedrich) Knottnerus, predikant te Groothusen en Bunde, trouwde vóór 1672 Swaantje Hillenius, dochter van ds. Samuel Hillenius (1609-1672) uit ’t Zandt. Zij was naar alle waarschijnlijkheid zijn volle nicht. Zijn stiefmoeder Juliana hertrouwde later Swaantje’s oom Esaias Hillenius (1622-1698), die predikant te Usquert was.[211] Mede door deze schoonfamilie kwam er waarschijnlijk een conservatievere inslag in de familie. Swaantje’s grootvader Cornelius Hillenius was in 1610 één van de voormannen van de contraremonstranten en aanstichter van de godsdiensttwisten die Nederland toentertijd sterk verdeelden. Diens medestanders werden wel ‘slijkgeuzen’ genoemd, nadat ze vanuit Alkmaar over de modderige wegen naar Koedijk trokken om zijn preken aan te horen. De Dordtse Synode van 1618-1619 stelde hen – geruggesteund door een staatsgreep – in het gelijk en legde de basis voor de conservatieve koers van de hervormde kerk ten tijde van de Republiek. De mildere Heidelbergse Catechismus uit 1563 diende hierbij weliswaar tot de leidraad, maar in andere opzichten betekenden de besluiten van de synode een breuk met de irenische traditie. De Duitse gereformeerden, met name die uit Bremen, hadden dan ook veel moeite met de strakke koers van hun Nederlandse geloofsgenoten. Cornelius was inmiddels in 1612 als predikant naar Groningen beroepen en verdedigde als rechterhand van Franciscus Gomarus met verve het contraremonstrantse standpunt.[212] Ook diens vader Cornelius van Hille was een vermaard predikant die als balling in Engeland belandde; zijn Kleine Ziekentroost uit 1571 beleefde vele herdrukken.[213] Net als bij de familie Knottnerus werd de mythe van de familie Hillenius door aansprekende verhalen ondersteund. Zo verscheen bij het overlijden van Esaias’ gelijknamige kleinzoon, de bevindelijke predikant Jesaias Hillenius uit Drachten in 1759 een rouwpredikatie waarin de stamboom van de familie werd behandeld. En ook bij hen ging de achternaam op een vrouwelijke tak van de familie over.[214]

Johann (Friedrich) stierf in 1687 op veertigjarige leeftijd, nadat hij ziek was geworden toen hij per schip op weg was naar Emden om de wekelijkse kerkvergadering (coetus) bij te wonen. Met zijn dood en die van zijn vader drie jaar eerder ontstond een breuk in de familietraditie. De weduwe verhuisde met vier kinderen naar een rijtjeshuis bij de kerkhofpoort van Bunde voordat ze in 1704 hertrouwde. De strenge opvattingen uit de familie Hillenius kregen na de dood van haar man kennelijk de overhand binnen het gezin, mede onderschreven door Swaantje’s broer Esaias Hillenius in Usquert en haar schoonfamilie uit Leer. De zoons zullen de Latijnse school in Leer hebben bezocht, waardoor ze kostganger werden bij hun oom Engelhard, die een stempel op hun opvoeding zal hebben gedrukt. Maar zeker weten we dat niet.

 

9. Voluit orthodox


Johannes à Marck (1656-1731)
hoogleraar  theologie in Leiden, 1710
(Bron: wikimedia)

 

De vierde generatie – kinderen van de jong overleden Johann Friedrich Knottnerus – kende opnieuw twee predikanten, namelijk Samuel (1675-1749) en Cornelius Knottnerus (1684-1744). Beide studeerden in Groningen bij de rechtzinnige Brabantse hoogleraar Paulus Hulsius en promoveerden in Leiden bij de Friese dogmaticus Johannes à Marck (1656-1731). De laatste was in 1689 uit Groningen vertrokken na een heftige ruzie met zijn Altings opvolger, de coccejaan Johannes Braun uit Kaiserlautern in de Palts, die hij van onrechtzinnigheid beschuldigde. Ook Hulsius stelde zich vaak onverdraagzaam op. Beide waren volgelingen van de overleden puritein Gisbertus Voetius (1589-1676) uit Utrecht, maar tegelijkertijd wars van de bevindelijke stromingen die omstreeks die tijd de kop opstaken. Daarnaast zullen echter ook de irenische lessen van de oude hoogleraar Herman Witsius (1636-1708) indruk op de studenten hebben gemaakt.

De broers waren voluit orthodox. Samuel verzette zich – zoals we nog zullen zien – net als zijn leermeesters stevig tegen het opkomende piëtisme, dat de noodzaak van innerlijke wedergeboorte propageerde. Het devies van À Marck moet de beide jongemannen zeker hebben aangesproken: “zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven” (Mattheus 10:16).[215] De vernieuwende wind kwam echter, zoals we zullen zien, uit een onverwachte hoek. Juist in Bremen was er toenadering ontstaan tussen mystiek en verbondstheologie, met als belangrijkste vertegenwoordigers Theodor Undereyck (1635-1693) en Friedrich Adolf Lampe (1683-1729). Mede door de predikanten die hier waren opgeleid verbreidde het gereformeerde piëtisme zich langzaam over Oost-Friesland. In de volgende generatie zou dat grote invloed hebben.

Alleen de oudste zoon Johannes Knottnerus of Knotner (ov. voor 1717) koos een ander beroep; hij vestigde zich net als zijn oom en oudoom in Leer en trouwde een schippersdochter.[216] Kennelijk was hij hier in de leer geweest; misschien nam hij de winkel van zijn oudoom over, wiens beide zoons waren overleden. Hij had drie dochters (waarvan er één haar volle neef Edzard trouwde) en een zoon Johannes. Deze laatste was kennelijk Johannes Knotnerus de Vries, die in 1761 in Leeuwarden als meester keurslijfmaker werkte; diens weduwe Louise Castanet stierf omstreeks 1800.[217] Over deze tak van de familie is verder weinig bekend.

Zus Hester huwde de brouwer Geerdt Gerhardus de Boer uit haar geboorteplaats Bunde. Hun oudste zoon Gerhard de Buhr (1694-1730) studeerde theologie in Leiden en werd predikant te Rysum; een naamgenoot, eveneens kandidaat in de theologie, was later verbonden aan de Latijnse school te Leeuwarden.[218]

De jongste zoon Cornelius Knottnerus werd na een studie in Groningen en promotie in Leiden bij Johannes à Marck in 1703 net als zijn grootvader predikant te Pilsum, waar hij in 1744 overleed; hij huwde vermoedelijk een boerendochter; zijn tweede vrouw was de weduwe van een collega.[219] In de nasleep van de burgeroorlog tussen de lutherse vorst van Oost-Friesland en gereformeerde burgerij raakte hij bijna in moeilijkheden toen hij met zijn neef Gerhardus de Buhr in september 1726 de markt in de hoofdstad Aurich bezocht. De partijgangers van de vorst bedreigden hem omdat hij een vluchteling zou hebben geholpen en riepen: Das seind die beede rechte Pfaffen, das seind die schlimste Teufels” (twee echte papen, de ergste duivels). Vanwege hun afkomst uit het opstandige Bunde werden zij bijzonder gewantrouwd. Gerhardus liet zich intimideren, maar Cornelius gaf stevig weerwoord, zette zijn pruik recht en dreigde zo nodig aangifte bij de vorstelijke beambten te doen.[220] Een van zijn zoons nam in december van hetzelfde jaar deel aan een oproer waarbij enkele vorstelijke beambten gevangen werden genomen.[221]


 
Margarethe Knottnerus (1766-1831),
wed. von Halem, geportretteerd
 door de Groningse kunstschilder
Berend Wierts Kunst, Greetsiel 1823.
(De Vrije Fries 1962, afb. 4)

 

De directe nazaten van Cornelius waren brouwer, winkelier of houthandelaar in naburige dorpen. Het lijkt erop dat zij ook in theologisch opzicht het voetspoor van hun vader volgden; het piëtisme dat de neven uit het Rheiderland bezig hield, kreeg in deze tak van de familie nauwelijks voet aan de grond. De bekendste van hen was Johann Friedrich (ov. 1772) te Groothusen die optrad als gerechtelijk veilingmeester; hij had weer twee zonen, namelijk Johann Peters Janssen Knottnerus (1737-1780) te Greetsiel en Cornelius (1742-1784), die beide geen mannelijke nakomelingen hadden.[222] De laatste naamdrager was Margarethe (1766-1831), gehuwd met de welgestelde landgoedeigenaar Johann Heinrich von Halem uit Greetsiel, administrateur van de Oost-Friese landschapskas. Het echtpaar emigreerde in 1790 naar de Kronprinzenkoog in Dithmarschen, een nieuwbedijkte polder die door Von Halem en zijn beide compagnons was aangekocht en keerde na een kwarteeuw succesvol boeren terug.[223] De bijna 2200 hectare grote polder werd een Oost-Friese kolonie vol grote modelboerderijen, een soort tegenhanger van de Landschaftspolder aan de Dollard.

De drang om vast te houden aan de naam Knottnerus was hier ook in volgende generaties groot. De erfgenamen wilden kennelijk niet dat de naam uitstierf. De kinderloze weduwe van Cornelius te Groothusen trouwde in 1788 een zekere Klaas Cornelius; hun zoon Ubbo Klaassen werd predikant te Critzum, maar de kleinzoon kreeg weer de naam Klaas Cornelius Knotnerus Klaassen (1818-1854) als herinnering aan grootmoeders eerste man. De bloedband met het voorgeslacht was hier fictief. Klaassen werd na zijn studie in Halle en Utrecht in 1846 predikant te Bunde.[224] Diens zoon Ubbo, fouragehandelaar te Amsterdam en Duisburg, werd in 1881 (en opnieuw in 1914) Nederlander, nu met de dubbele naam Knotnerus Klaassen.[225] Andere familieleden kregen rond 1780 de namen Knottnerus Bödeker en Knotnerus Rycken.[226]


In de VS staan 75 familieleden Knottnerus in 14 staten
geregistreerd. Het zwaartepunt ligt in de
landbouwgebieden van de Midwest (Namespedia.com)

Johann Friedrichs broer Edzard Habben Knottnerus (1715-1757) te Pilsum huwde – zoals we lazen - zijn nicht uit Leer; hun oudste zoon kreeg naam Johannes Michael (1739-1776) naar zijn bedovergrootvader. De kleinzoons Thode Wyben Janssen Knottnerus (ca. 1773-1848) en Cornelius Knottnerus (1776-1837) waren landbouwers te Rysum, een van de bolwerken van het vrome piëtisme. Thode huwde Aaltje Aizonius, dochter van de vrome predikant Remetius Aizonius te Veenhusen.[227] Hun nakomelingen raakte min of meer aan lager wal. Een van hen (de landarbeider Rudolph Remetius Knottnerus) vertrok in 1881 naar Iowa in de Verenigde Staten; een oom was al in 1846 geëmigreerd, twee kinderen volgden later. De laatste nazaat in Oost-Friesland (Jan Dirks Knottnerus) verhuisde kort voor 1900 naar Hamburg; twee dochters keerden terug naar Rysum, de laatste overleed in 1993.

 

10. Opkomend piëtisme


Hervormde kerk van Böhmerwold (Kreis Leer)
1703
(
bron: wikipedia)

 

De middelste broer Samuel Knottnerus was vernoemd naar grootvader Hillenius. Hij is de stamvader van de Nederlandse familie Knottnerus. Samuel studeerde in Groningen en Leiden, waar hij op twintigjarige leeftijd in 1695 promoveerde bij Johannes à Marck op een studie over Psalm 22.[228] Daarna kreeg hij een aanstelling in het kleine weidedorp Böhmerwold in het Rheiderland en trouwde in 1699 met Annigje Hindriks Kamminga (zelf schreef ze Annijchijn), een voorname boerendochter van Beersterhoogen in het Oldambt Zijn moeder huwde op haar beurt Annigje’s vader, een eigenzinnige man met een stevige reputatie, die als kerkvoogd geregeld ruzie maakte met de predikant in zijn woonplaats.[229] Annigje was geboren ‘uit aanzienlijke ouders’: “Het is onnodig van den luister harer Voorvaderen, uit Neêrlands oude geschiedenissen kennelijk, iets te melden”, zo heet het later.[230] Een oudoom van Annigje was ds. Henricus Waldriks (ca. 1625-1673), een deftige boerenzoon uit Beerta die in Bremen, Zerbst en Leiden was opgeleid.[231] Hij werd pas op zijn veertigste de eerste predikant van het nieuwe polderdorp Nieuw-Beerta. Ook in deze tak van de familie was het dus eerder de gematigde versie van het calvinisme die de boventoon voerde.


Grafzerk van Samuel Knottnerus
en Annigje Kamminga in het koor van de
hervormde kerk te Böhmerwold 1745,
blootgelegd in 1963
.
(Foto © Jan Knottnerus, Emmen)

 

Een van de belangrijkste gebeurtenissen in Samuels jonge leven was de inwijding van de nieuwe kerk van Böhmerwold in november 1703, zoals gebruikelijk gefinancierd door de ‘mildaadigheid’ van de plaatselijke boerenstand.[232] Hij kon daarbij terugvallen op de ervaring van zijn schoonvader, die twee keer eerder leiding had gegeven aan de kerkbouw te Nieuw-Beerta. De predikant wijdde het kerkgebouw in met een preek uit Markus 9:11 over de wederopstanding. Samuel leefde in een zekere welstand en raakte net als zijn broer in opspraak ten tijde van de Oost-Friese burgeroorlog in 1725, zij het om hele andere redenen. Toen hij achterstallige betalingen probeerde te innen kreeg hij het aan de stok met de kerkvoogd, die een klacht indienden bij de vorst van Oost-Friesland omdat hij zo vaak afwezig was. Eerder al hadden enkele kerkgangers geklaagd dat hij zich op de preekstoel liet vervangen door zijn twintigjarige zoon, die nog aan zijn studie moest beginnen. Samuel verontschuldigde zich in zijn beste Hoogduits: hij moest geregeld op bezoek bij zijn beide oudste dochters die samen met hun grootmoeder de familieboerderij met dertig tot vijfendertig hectare laagland te Veenhuizen bij Finsterwolde bestierden. Zelf vond hij dat niet zo’n probleem, want “twee kinderen die zijn opgevoed in de boerenstand hebben voldoende verstand van zulk werk”.[233] Ook was hij verantwoordelijk voor het herstel van de hiertoe behorende dijken, die tijdens de Kerstvloed van 1717 zwaar beschadigd waren; de dijkovergang hierbij werd ook wel Knottnerus-overdrift genoemd.[234] Het grondwerk daarvoor besteedde hij uit aan enkele voerlieden uit Bunde. We weten bovendien dat hij samen met zijn broer een boerderij in Holwierde bezat die hij vermoedelijk van zijn moeder had geërfd.[235] Verder bekommerde Samuel zich om Annigje’s oomzegger Waldrik Reiningh uit Nieuwolda (ov. 1733); deze raakte als beginnend predikant te Freepsum aan de drank. De weduwe werd aangewezen als schuldige en tenslotte opgesloten vanwege haar promiscue levenswijze.[236]

Naast dit alles meende Samuel ook tijd nodig te hebben om te studeren en te schrijven: in 1718 verscheen te Emden zijn strijdschrift Herder-geklang van konink Jesus ende de wachters sijner kudde tegens de vrijgeestige wolven, welke onze Europoeyse kerk-staat dreijgen te overvallen. Het was vooral een aanval op zijn collega Henricus Eyssonius in zijn geboortedorp Bunde, die de radicale piëtist Christian Anton Römeling onderdak had geboden. De toon van dit geschrift was ronduit opruiend, zodat toestemming voor het drukken aanvankelijk uitbleef. De Oost-Friese kanselier Brenneysen merkte fijntjes op dat “niet iedereen geschikt is zulke dwalingen grondig en opbouwend tegen te spreken. Wanneer onhandige mensen zich daaraan wagen, gaat het meestal van kwaad tot erger”.[237] Eerst toen het ergste onrust was geluwd mocht het boek alsnog worden uitgegeven.

Het piëtisme greep in de grensstreek snel om zich heen. Steeds meer gelovigen en hun predikanten benadrukten de noodzaak tot innerlijke wedergeboorte en gaven daaraan uiting door een opzichtig vrome levenswandel.[238] Toen Samuel en zijn gezin ook zelf in de ban raakten van het mystieke geloof, kreeg hun leven een nieuwe wending. Dat blijkt vooral uit het testament dat het echtpaar in 1737 door ds. Christophorus Eyssonius te Finsterwolde (een broer van Henricus) liet opmaken. Samuel en Annigje vertrouwen hun zielen na hun dood toe “an de dierbare vrije genade en Hemelse leidinge van den Zaligen leidsman en behouder der Zielen den Heere Jesus”. Gemeenteleden die geen heftige bekering hadden doorgemaakt, raadde de predikant voortaan dringend aan niet aan het heilige avondmaal deel te nemen teneinde Gods straffende hand niet uit te lokken. Behalve het predikantenechtpaar en de schoolmeester durfden nog slechts twee anderen bij het avondmaal aan te zitten. Later kwamen daar nog een weduwe en twee dochters van de predikant bij. In 1745, het jaar dat zijn vrouw overleed, schreef de Samuel in het kerkenboek:

          Naa dezen Godt de tijden van mijn onwetenheit overgezien hebbende, heeft my en mijn huys de Bekeeringe opgelegt in den jare 1732. Vervolgens sag ik, en most het predigen, hoe onweedergeboorene haar zelve een Oordeel aaten en dronken: Waar op mijn Communicanten meerendeels afbleven, en geen nieuwen toekwamen.[239]


Onbekend wapen op de grafzerk van Samuel Knottnerus
en Annigje Kamminga, Böhmerwold 1749
.
(Foto © Jan Knottnerus, Emmen)

 

Samuels verhaal doet sterk denken aan het proces van innerlijke transformatie zoals dat in de wereld van zijn grootvader en diens broer uit Den Haag nog heel gebruikelijk was geweest. Veel rechtzinnige theologen hadden later afstand van genomen van deze vorm van mystiek, maar in het voetspoor de Nadere Reformatie kwam de mystiek nu terug. Letterwijsheid maakte opnieuw plaats voor innerlijk doorleefde kennis. Zijn zoon Johannes vertelde later hoe hij met zijn ouders en drie zusters binnen korte tijd “op het allernadrukkelijkste bekeerd” raakte, waardoor hij “uit het rijk des Satans in den dienst van Christus overgebracht wierd”.[240] In 1749 overleed de vader; hij had zijn gemeente “meer als een halve Eeuw, en in de laatste jaren met veel ijver” gediend, zo berichtte het Nederlandse predikantentijdschrift Boekzaal der geleerde Waerelt.[241] Op diens grafzerk (weer blootgelegd in 1963) wordt nog eens benadrukt dat het goddelijke heil hem pas na 37 jaar uit de duivelse poel der letterwijsheid heeft gerukt, en dat alleen “om hier noch voor den Heer wat sielen te vergaren”. Het wapen op de grafzerk (met vier kwartieren) is afgesleten, het is in elk geval niet het latere familiewapen, evenmin het wapen van Annigjes vader. Het helmteken is hier een klimmend hert met gewei. Samuel Knottnerus legde de basis voor een bevindelijke traditie die tot ver in de negentiende eeuw het geloofsleven van zijn nakomelingen kleurde. Ook zij waren zeer terughoudend met het doen van belijdenis.[242]


Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750),
voorman van de piëtisten in de Duits-
Nederlandse grensstreek
(Bron: De verhalen van Groningen,
naar RHC Groninger Archieven
)

 

Via de omweg van de religieuze mystiek kwam de vertrouwde taal van de alchemie en het hermetisme terug in het geloofsleven. De piëtisten waren ervan overtuigd dat het menselijke lichaam onderhevig was aan verval. Ook een wakkere geest kon dit niet keren, integendeel, het vertrouwen op eigen kracht was ronduit bedrieglijk. Slechts Gods genade bood een uitweg, en dat alleen aan hen die zich ten volle realiseerden dat niemand die genade had verdiend. De medische wetenschap ontdekte een nieuwe ziekte die men ‘scheurbuik’ noemde, een vorm van innerlijk verval die werd aangewakkerd door gebrek aan morele discipline en een overdaad aan luxe.[243] Het wondermedicijn daartegen was de thee, een oosterse drank die, anders dan sterke drank of wijn, de geest wakker hield tegenover de verlokkingen van de duivel.[244] Theedoctoren adviseerden tientallen kopjes per dag. Het veelvuldig theedrinken was, net als in de alchemie, tegelijkertijd een metafoor voor het proces van innerlijke vernieuwing. In inventarissen van boeren- en burgerhuishoudingen uit de Duits-Nederlandse grensstreek verschijnen vanaf het begin van de achttiende eeuw de theepotten en theeserviezen. Een rijke herenboer in het piëtistische Bunde had al in 1712 enkele complete theeserviezen met een gelakte theetafel. De overleden predikant Edzard Sparringa bezat daarentegen niet meer dan een blikken theeketel, een theerekje en een dienblad.[245] “Bij de boeren is het nu mode geworden dat ze thee drinken en elkaar toespreken”, heet het in 1727 uit de omgeving van Norden.[246]

Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750), de charismatische voorman van de piëtisten in Samuels geboortestreek, nam in zijn beroemde bundels met bevindelijke gezangen uit 1727 een speciaal thee- en koffielied voor de ‘bekeerde Christenen’ op, te zingen op melodie van ‘Ach, was soll ich Sünder machen’.[247] De dichter vergelijkt zich daarin met een waterdruppel die in het niet valt bij de Hemelse genadestromen (die uiteraard vooral uit thee en koffie bestonden):

Doet mij sien, dat ik, onweerdig,
Die uw’ goetheyt niet erken,
’t Minste dropje water ben:
O Mogt ik U, die so weerdig
Zijt, dan prijsen nu voortaan:
Gij hebt alles wel gedaan. […]

Och vergun mij eens te komen
Bij den kristallinen bron
Verre boven Maan en Son:
O Dan sal ik met de vromen
Eeuwig vrolik heffen aan:
Gij hebt alles welgedaan.

 

Zelf rekende Schortinghuis zich aanvankelijk tot de onbekeerde, bekommerde zielen, tot hij een geestelijke ommekeer doormaakte. De liederenbundels vormen in zekere zin een leerschool die aanzet tot kritisch zelfonderzoek. De persoonlijke ervaringen of ‘bevindingen’ staan daarin centraal, zoals eerder in het didactische werk van Comenius. Verstandelijke kennis is niet genoeg, het geloof dient persoonlijk ervaren en in praktijk gebracht te worden. Zorgvuldig geselecteerde teksten en melodieën helpen de gelovige op weg en stellen hem in staat hoopvolle tekenen van uitverkiezing te onderscheiden van valse hoogmoed. Ze geven hem instrumenten om zijn eigen zelfgenoegzaamheid, die het eeuwige heil in de weg staat, te doorbreken.[248]

Bij dit alles staat – net als in de alchemistische fase van de nigredo - de innerlijke versterving centraal. Schortinghuis hanteert daarvoor het schema van de ‘dierbare vijf nieten’ dat de gelovige helpt systematisch zijn eigen tekortkomingen onder ogen te zien en als zodanig te aanvaarden: “ik wil niet. Ik kan niet. Ik weet niet. Ik heb niet. En ik deuge niet”.[249] En aan het einde van dit lange en pijnlijke proces staat tenslotte de bruidsmystiek, het verlangen naar versmelting met Christus.

Een mens die streeft naar God, naar heil, moet komen tot ‘nietiging’, leegwording, ‘vernietiging’ […] Wie het goede, het goddelijke tracht te grijpen, te hebben en te houden, blijft met lege handen achter. Alleen wie alles loslaat, niets meer wil en probeert, heeft de kans zichzelf terug te vinden in de goedheid van God, de ‘oceaan van Gods liefde’, zoals Schortinghuis dat omschrijft. […] De mens die valt in de grenzeloze liefde van God, verliest zichzelf, en pas zo vindt hij of zij zichzelf.[250]

Het is in deze sfeer dat Samuel Knottnerus en zijn kinderen opnieuw de weg naar de gereformeerde mystiek hebben gevonden.

 

11. Oldambt: boerentrots


Oldambtster boerentrots:
Corn
elius Samuels Knottnerus (1786-1826) en
Foktje Eisses de Jager (1790-1820) te Oostwold
(Foto: Stichting Familie Knottnerus)

Samuels tweede dochter Diewertje of Diewertien (1702-1781) woonde intussen nog altijd met haar grootmoeder op de familieboerderij in Finsterwolde.[251] Nadat die eind juni 1729 was overleden, trouwde ze Jan Jans Sand uit Bellingwolde, van wie ze al zwanger bleek te zijn.[252] Deze Jan werkte wellicht op de boerderij als knecht. Hij kwam in elk geval niet uit een gezeten boerenfamilie; zijn vader heette Jan op Zand, de naam van zijn moeder was de predikant van zijn geboortedorp niet bekend. Mogelijk stamt hij af van een zekere Geerdt int Sandt, genoemd in Westerwolde in 1650.[253]

De oudste zoon Samuel nam de deftige achternaam van zijn moeder aan. Daaruit stamt de Oldambtster boerenfamilie. Men noemt dit wel het ‘tweede geslacht’, die spottend ook wel eens de ‘koude tak’ wordt genoemd omdat de achternaam ooit van moeders zijde kwam. De beide andere kinderen hielden vast aan de naam van hun vader. De nakomelingen van de jong overleden dochter Annigje Jans Zand en haar man Tjark Jans kregen opnieuw de achternaam Knotnerus (met één ‘t’).[254] Dit is het zogenoemde ‘derde geslacht’, dat in 1978 in mannelijke lijn is uitgestorven. Zij erfden tevens de familieboerderij. De jongste zoon Jan Jans Zand uit Finsterwolde hield eveneens vast aan de naam van zijn vader; hij stierf jong, maar had weer een zoon Jan Jans Zand, wiens nakomelingen met de achternaam Zand landbouwers te Bellingwolde, Holwierde en Zandeweer waren. Het doorgeven van de achternaam in vrouwelijke lijn was – vooral bij predikantenfamilies - niet ongebruikelijk. Een voorbeeld is de familie Herlyn uit de Emden en de Krummhörn. We zien het ook bij de familie Knottnerus in Leer.[255]

De oude Jan Jans Sand was een gelovig man. Pas op 47-jarige leeftijd deed hij, vermoedelijk na lange innerlijke strijd, belijdenis in de Hervormde Kerk, achttien jaar na zijn vrouw. “D’Heere doe er zo en zo toe tot zijn heerlijkheit!”, noteerde de nieuwe, verlichtingsgezinde predikant Johannes Henricus Janssonius achter zijn naam.[256] Jarenlang was het dorp Finsterwolde verdeeld geweest, nadat een deel van de stemgerechtigden de beroeping van de piëtist Christophorus Eyssonius had doorgedrukt. Eyssonius hekelde de “godloze toehoorderen” binnen zijn gemeente en noemde hen sluipmoordenaars die niet zouden rusten voordat zij hun voorganger “op de rugge sien liggen”.[257] Ook ds. Wilhelmus Schortinghuis, inmiddels predikant in Midwolda, liet zich daarbij niet onbetuigd. Maar Eyssonius was gestorven en hij werd opgevolgd door een voorganger die tot het andere kamp behoorde. Jan Jans Sand had zich kennelijk eerder van het heilig avondmaal laten afhouden vanwege zijn ‘onbekeerde staat’, maar gaf zich nu gewonnen.


Piëtistisch conventikel in het Oldambt omstreeks 1750,
zoals men dat honderd jaar later voorstelde
(H. van Berkum, Schortinghuis en de vijf
nieten
, Utrecht 1859)

 

De nieuwe predikant keek desondanks vol afgrijzen naar de gevolgen van de kerkstrijd en publiceerde een boek waarin hij de uitwassen van het piëtisme hekelde. Janssonius bekritiseerde valse mystiek en geestdrijverij. Hij waarschuwde nadrukkelijk voor “zeer schadelijke en verderflijke dwaalgeesten” en voor de “verachters van ’t woort, die zich afscheiden van de ware kerke”, zoals hij ze eerder in Oost-Friesland had ontmoet.[258] Hij kende de familie Knottnerus van nabij; Jans schoonvader was een van zijn tegenstrevers in de predikantenvergadering (coetus) van Emden. De familiesage van Janssonius lijkt dan ook te zijn gemodelleerd naar die van de familie Knottnerus, waarbij de herkomst van de mythische voorvader uit Grunewald zich spiegelt in de plaatsnaam Böhmerwold. We kunnen vermoeden dat Samuel Knottnerus zich beriep op zijn vrome afkomst, hetgeen reacties opriep. De inspanningen van ds. Janssonius en de zijnen waren echter tevergeefs. Veel toehoorders gaven de voorkeur aan de huiskamerdiensten of ‘conventikels’ waarin vrome lekenpredikers of ‘oefenaars’ voorgingen. Het piëtisme verbreidde zich verder in het Oldambt en de predikant koos uiteindelijk voor een beroep naar het grotere en ruimer denkende Veendam.[259]


 Boerderij van Egbert Tjarks
Knotnerus te Veenhuizen bij
Finsterwolde, 1832
(Hisgis Groningen)

 

Jan Jans Sand, Diewertien en hun kinderen waren succesvol als boeren. Het bedrijf in het laagland tussen Finsterwolde en Nieuw-Beerta, dat zich uitstrekte van het veenstroompje de Tjamme tot aan de Dollardkwelders, groeide allengs uit tot een omvangrijk bezit. Nu is het een verlaten streekje, maar in de achttiende eeuw lagen hier de restanten van het verdwenen kerkdorp Oost-Finsterwolde. De laatste boerderij op deze plek brandde in 1932 af.[260] Ook een dijkovergang – de Knottnerus-overdrift – was naar de familie genoemd. De zoon Samuel Jans Knottnerus verhuisde na zijn huwelijk in 1774 (ingezegend door zijn oom Cornelius) naar een herenboerderij in het bevindelijke dorp Oostwold, waar zijn nakomelingen een grote rol in de plaatselijke politiek en het kerkelijke leven gingen spelen.[261] Oomzegger Hinderikus Tjarks Knotnerus kocht in 1795 een boerderij in de nabijgelegen Oostwolderpolder, die tot 1926 in de familie bleef; diens ongehuwde broer Egbert Tjarks (ov. 1836) bleef op de oude hofstede in Veenhuizen.[262] De Oldambtster boeren waren akkerbouwers, doorgaans met grote bedrijven van veertig tot zestig hectare, grote boerenschuren om de oogst te bergen en deftige woonhuizen met Engelse tuinen en driedubbele rijen vensters, die voorraadkelders en graanzolders aan het oog onttrokken. In hun dienst stonden tientallen landarbeidersfamilies die meestal het strenge geloof met hen deelden.

In de Oldambtster (Groninger) tak van de familie Knot(t)nerus treffen we – behalve succesvolle herenboeren – ook enkele rechtzinnig hervormde en gereformeerde predikanten aan. De boerendochters trouwden vaak gelijkgestemde predikanten of soms een godsdienstonderwijzer, met namen als Cazemier, Jellema, Kramer, Van der Lecq, De Vries, Jonkers, Tichelaar, Van Anken, Lodder, Van Noppen en Riphaagen.[263] Vaak zette dit patroon zich ook in volgende generaties door, waardoor er heel wat neven en achterneven met een kerkelijke of universitaire loopbaan waren. De noordelingen hadden in de regel in Groningen gestudeerd. Bekende nakomelingen waren de theoloog en egyptoloog Lukas Jan Cazemier (1899-1975), de juristen Jan Engbertus Jonkers (1890-1971) en Otto van Anken (1909-1991), en de germanist en dichter Cor Jellema (1936-2003); een van de kleindochters huwde de theoloog Berend Gemser (1890-1962) te Pretoria, later Groningen. Het kerkelijke leven speelde bij vrijwel alle afstammelingen een grote rol. De erfenis van het vrome calvinisme was bovendien vaak tastbaar. In de derde tak van de familie (nakomelingen van Annigje Tjarks) was deze voorkeur minder vanzelfsprekend; hieruit stammen onder andere de liberale politici Boelo Luitjen Tijdens (1858-1904) en Dirk Uipko Stikker (1897-1979).


 Ds. Jan Boer Knottnerus jr.
(1864-1904)

 


Ds. Jan Boer Knottnerus sr.
(1826-1864)

 

De eerste predikant uit de Oldambtster tak van de familie was Diewertje’s achterkleinzoon Jan Boer Knottnerus (1826-1864), vernoemd naar zijn 87-jarige overgrootvader. Deze boerenzoon uit Oostwold begon zijn studie in Groningen, waar in die tijd vooral de ‘moderne’ (liberale) theologie van de Groninger Richting werd uitgedragen, maar stapte in 1850 over naar de strengere theologiefaculteit in Utrecht. Hij werd hervormd predikant te Vriezenveen. Zijn gelijknamige zoon Jan Boer Knot(t)nerus jr. (1864-1904) werd (na een studie in Leiden) net als zijn vader predikant bij de strenge hervormde gemeente van Vriezenveen, die later tot de Gereformeerde Bond toetrad. Hij was actief in de Confessionele Vereniging, publiceerde veelvuldig in verschillende christelijke tijdschriften (waaronder De Jongelingsbode en De Gereformeerde Kerk) en vertaalde in 1898 Calvijns Verklaring van de Psalmen uit het Latijn.[264] Dit boek werd sinds 1970 vijf keer herdrukt. Jan Boers oudere broer Jan Anthonij (Jan Antony) vertrok in 1881 met andere geloofsgenoten vanuit Oude-Pekela naar Grand Rapids in de Verenigde Staten.


Nederlands Hervormde Kerk en Openbare
Lagere School te Oostwold, rond 1900.

(Foto Vereniging Dorpsbelangen Oostwold)

 

Het dorp Oostwold, aan de rand van de Dollard, werd een belangrijk bolwerk van de hervormde orthodoxie. Naast de predikantendynastie ontstond er ook een boerendynastie. De drie zonen van Samuel Jans (Jan, Otto en Cornelius) waren in goeden doen. Allen waren landbouwer; alle drie namen ze het bedrijf van hun schoonouders over. Jan vertrok naar Nieuwolda, de beide andere werden elkaars buren in Oostwold. Otto Samuels (1779-1866) had veertien kinderen uit drie huwelijken, waarvan behalve Jan Boer sr. nog drie zonen en vier dochters de volwassen leeftijd bereikten.[265] Hij kocht behalve het pachtbedrijf van zijn schoonouders nog een tweede boerderij, die later door zijn schoonzoon Addo Pauwels Bastiaans werd overgenomen. Ook zijn zonen namen het bedrijf van hun schoonouders over: Samuel in Oostwold, Klaas in Oostwolderpolder en Cornelius in Nieuw-Scheemda; kleinzoon Ties Sibolt ging naar Zuidbroek.[266]  

 

 

Samuel Ottes Knottnerus (1804-1895) te Oostwold was gehuwd met zijn nicht Geeske Cornelius Knottnerus. Hij schijnt min of meer als hoofd van de familie te zijn beschouwd. Net als eerder zijn vader Otto en grootvader Samuel behoorde hij bij rijkste inwoners van de provincie; in 1852 bekleedde hij de 63e plaats op de officiële lijst van hoogstaangeslagenen in de personele belasting, waarmee hij binnen zijn verwantenkring een toppositie innam.[267] Nadat hij de boerderij aan zijn oudste zoon had overgedragen, was Samuel vooral politiek en bestuurlijk actief, met name als wethouder van de gemeente Midwolda en waterschapsbestuurder. Vanaf de oprichting in 1860 was hij betrokken bij de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs (een initiatief van Groen van Prinsterer). In 1869 werd in zijn woonplaats mede door zijn toedoen een van de eerste christelijke scholen van Nederland gesticht, bedoeld voor de dorpen Oostwold en Midwolda; in 1878 volgde de oprichting van een evangelisatievereniging die eigen kerkdiensten verzorgde. Ook was hij – net als andere familieleden – actief in de beweging rond het Volkspetitionement van 1878, dat het recht op vrije schoolkeuze bepleitte. De oudste zoon Otto (Samuel) (1830-1905) trouwde de dochter van de welgestelde korenmolenaar en scheepsreder Albert Nannes Kranenborg uit Oostwold, achterkleinzoon van een predikant; de jongste Cornelius huwde een boerendochter uit Vlagtwedde.


Boerderij van Otto (Samuel) Knottnerus (1830-1905)
te Oostwold. Het nieuwe woonhuis werd gebouwd
in 1860; zijn vader Samuel Ottes betrok in 1856
een nieuwgebouwde rentenierswoning.

(foto Vereniging Dorpsbelangen Oostwold

 

Samuel Ottes was een man met een wijde blik. Met zijn jongere halfbroer Klaas Ottes (1822-1902), achterneef Hindrikus Knotnerus Hovinga (1815-1890), diens aangetrouwde neef Koert Gravemeijer en andere geestverwanten gaf hij leiding aan het verzet tegen de opkomende vrijzinnigheid in de Hervormde Kerk. De toon hiervoor was gezet door de strijdbare en charismatische voorganger Henricus Eskelhoff Gravemeijer (1813-1890) te Midwolda, die in 1865 weer naar Onstwedde was vertrokken waar hij al eerder werkzaam was geweest.[268] Diens zoon Koert was gehuwd met een dochter van Pieter Hinderikus Knotnerus (1797-1849) te Oostwolderpolder en zette daar de boerderij van zijn schoonmoeder voort. Na ruim drie jaar evangelisatiediensten wisten zij te bereiken dat de vertrekkende predikant werd opgevolgd door een orthodoxe tegenhanger, een medestander van Abraham Kuyper die later zou overgaan naar de Doleantie.[269] De predikantsplaats was een der best betaalde van Nederland, zodat men welbespraakte voorgangers kon aantrekken die een tegenwicht konden bieden aan hun liberale collega’s in de buurdorpen. De jongste broer Cornelius Ottes, gehuwd met de kleindochter van een voorman van de Afscheiding, werd kerkvoogd in Nieuw-Scheemda.[270] Klaas Ottes te Oostwolderpolder, eveneens landbouwer, is de stamvader van de gereformeerde tak. Diens zoon Otto Knottnerus Kzn. was lid van de gemeenteraad en sinds in 1897 Statenlid voor de antirevolutionairen.


Otto Knottnerus Kzn.
(1853-1924) te Oostwold,
AR-politicus en aanhanger
 van de Doleantie.
(Foto J.P. de Groot)

 

De Doleantie van 1886 veroorzaakte een heftige breuk tussen hervormde en gereformeerde tak van de familie. Het was alsof de oude strijd tussen bevlogen verbondstheologie en strenge predestinatieleer die eerder de predikanten had verdeeld nu in de boerenfamile tot opnieuw uitbarsting kwam. Klaas Ottes was op de hand van oud-predikant Johannes Hulsebos, inmiddels te Zuidwolde (Dr.), waar hij met een deel van de kerkenraad uit de Hervormde Kerk was gezet. Hoewel Klaas hervormd ouderling was, had hij een steunbetuiging voor de dolerenden ondertekend en die verspreid, waarom hij eveneens als kerklid werd geroyeerd. De beide dorpen raakten hierdoor lange tijd verdeeld.[271] Klaas en zijn zoon Otto stichtten met hun medestanders in 1888 een eigen kerkgemeente en namen vervolgens het bestuur van de christelijke school over. Hun tegenstanders richtten een eigen ‘Hervormde School met den Bijbel’ op. De oprichtingsakte van de hervormde schoolvereniging vermeldt de namen van tien landbouwers, meest leden van de familie Knottnerus en hun verwanten, alsmede de dorpspredikant Menno Buiskool (een aanhanger van de confessionele richting) en vier anderen.[272] Vooral van de landarbeiders en middenstanders van wie in de regel verwacht werd dat ze de keuze van hun broodheren volgden, vergde dit soms veel takt. De jeugd volgde het voorbeeld van de volwassenen: tussen hervormde en gereformeerde schooljongens werden soms ‘hele veldslagen’ uitgevochten. Oomzegger ds. Klaas Otto Knot(t)nerus (1880-1942), gehuwd met een dochter van ds. Buiskool, brak na zijn studie in Groningen en Leiden alsnog met de Hervormde Kerk.[273] Hij legde in 1906 het predikambt neer, stapte over naar de gereformeerde kerk en werd voorganger onder andere in Westerlee en Ermelo. Ook zijn zwager dr. Willem Lodder, in 1902 gepromoveeerd in Groningen, was gereformeerd predikant. Pas na de Tweede Wereldoorlog groeiden beide geloofsrichtingen weer naar elkaar toe.

 
Geeske Cornelius Knottnerus
(1809-1895)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)


Samuel Ottes Knottnerus
(1804-1895)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)
 

De conflicten hadden veel impact. Familieoudste Samuel Ottes raakte in het laatst van zijn leven onder de indruk van de eindtijdverwachtingen die toentertijd opgeld deden. Hij waarschuwde zijn kinderen en kleinkinderen voor de moeilijke tijden die hun nog te wachten stonden.[274] De toon binnen de hervormde tak van familie werd uiteindelijk gezet door de gematigde voorganger Johannes Christiaan Kromsigt (1866-1941) te Oostwold, een aanhanger van het volkskerkideaal, actief in de Christelijk-Historische Unie en een groot kenner van de geschiedenis van het piëtisme in het Oldambt.[275] De hervormde familieleden bleven ook onderling nauw contact houden. Otto Knotnerus Czn. te Nieuw-Scheemda, oprichter van een plaatselijke evangelisatievereniging, liet zijn jongste zoon in 1895 dopen in Oostwold omdat hij zich niet kon vinden in de vrijzinnige preektoon in zijn eigen dorp. Het verhaal gaat dat het kindje na afloop van de plechtigheid werd gezegend door de hoogbejaarde overgrootvader Samuel Ottes. Deze Otto Knotnerus Czn. logeerde weer bij neef Jan Boer Knottnerus jr. te Vriezenveen, terwijl diens zwager Leendert M. van Noppen, rechtzinnig predikant te Scheveningen, later de familieleden in Nieuw-Scheemda bezocht. “Kind, kind, jij zult later toch wel goed christelijk-historisch worden?”, zou deze in 1924 bij het wiegje van de kleine Auke Titi hebben gezegd. Haar vader had drie ooms, een zwager en vier neven die predikant waren. Veel contacten liepen via vroegere kostschoolvriendinnen die het meisjesinternaat van ds. Johannes Krull te Spannum (1876-1905) of een andere kostschool hadden bezocht. In de Friese tak was ook de onderwijzeressenopleiding van de O.G. Heldringstichting te Zetten populair. De kring van geschikte geachte huwelijkskandidaten was beperkt, zodat soms ook binnen de familie werd getrouwd.

 

12. Knotnerus of Knottnerus?

Knot(t)nerus: vermeldingen in
registers burgerlijke stand en retroacta,
provincie Groningen, 1700-1899.

 

Knotnerus

Knottnerus

Cnodnerus
Knothnerus

1700-49

3

4

2

1750-99

14

5

-

1800-09

22

2

-

1810-19

33

5

3

1820-29

33

1

-

1830-39

69

4

1

1840-49

50

20

-

1850-59

57

33

-

1860-69

37

83

-

1870-79

45

37

-

1880-89

47

52

-

1890-99

33

38

-

Bron: http://www.allegroningers.nl/
(20 januari 2017)

Bij verschillende takken van de Oldambster familie is de tweede ‘t’ uit de naam verdwenen. Vaak werd dat achteraf geweten aan slordigheid bij de invoering van de burgerlijke stand in 1811 of aan foutjes naderhand. Dat is een te gemakkelijke conclusie: in de bevolkingsadministratie is de dubbele ‘t’ vaak al vroegtijdig zoekgeraakt zonder dat de familieleden pogingen deden hier verandering in aan te brengen. Met name de nakomelingen van Annigje Jans Zand uit de ‘derde tak’ schreven hun naam van meet af aan als Knotnerus. Maar soms deden ook andere familieleden dat. Mogelijk maakte men zich niet zo druk over deze kwestie en dacht men eventuele foute spellingswijzen gemakkelijk te kunnen herstellen. Vermoedelijk mede door hernieuwde contacten met de predikantenfamilie werd men zich bewuster van de eigen familiegeschiedenis. De variant met dubbele ‘t’ werd daarbij kennelijk als ‘deftiger’ ervaren. Samuel Ottes Knottnerus te Oostwold was de eerste die rond 1840 ervoor zorgde dat zijn naam en die van zijn kinderen ook in officiële documenten consequent met twee t’s werd geschreven.

Vanaf de jaren vijftig werd de naam Knottnerus met twee t’s opnieuw gebruikelijk, met uitzondering van de nakomelingen van Annigje Jans Zand uit de ‘derde tak’, die zich door het gebruik van één ‘t’ bleven onderscheiden. De regels voor de burgerlijke stand waren strakker geworden en juist die kinderen die kort daarvoor nog een naam met één ‘t’ hadden gekregen, lukte het kennelijk niet deze keuze later terug te draaien. Dat gold met name voor de drie oudste kinderen van Samuel Jans Zand Knottnerus (1838-1845), alsmede voor de nakomelingen van Otto Knotnerus Czn. (1854), Jan Boer Knot(t)nerus (1854) en Ties Siebolt Knotnerus (1856). Vaak weigerde deze kinderen zich bij de situatie neer te leggen en hanteerden ze naar buiten toe toch de naam Knottnerus. Vader en zoon Boer Knot(t)nerus waren hierin het meest vasthoudend, zodat hun achternaam op beide manieren werd gespeld. Ook oudere familieleden werden bij hun overlijden nog vaak met één ‘t’ geregistreerd, omdat ze op die manier vanouds in de registers voorkwamen; dit ondanks het feit dat ze hun kinderen al eerder met twee t’s hadden ingeschreven. Meerdere familieleden hanteerden bovendien ter onderscheiding van naamgenoten een tweede voornaam die in de registers van de burgerlijke stand niet voorkwam.[276]


Verkoop van de boerderij van Samuel Jans Knottnerus (1741-1815)
en Geessien Ottes (1752-1828) te Oostwold.
Volgens de burgerlijke stand werd zijn naam gespeld als Knotnerus.
Ook de kinderen stonden meest met één ‘t’ geregistreerd.
Groninger Courant, 5 december 1828

 

In enkele gevallen werd dit ongemak later middels een officiële naamsverandering rechtgezet of wist men stilzwijgend bij een huwelijk of bij emigratie een tweede ‘t’ binnen te halen. Zo dienden de kinderen van Otto Knotnerus Czn. te Nieuw-Scheemda in 1938 een verzoek tot naamsverandering in, dat uiteindelijk werd gehonoreerd zodra aangetoond kon worden dat ze daadwerkelijk tot dezelfde familie behoorden als Knottnerus met twee t’s. Ze moesten daarvoor inroepen de hulp van een advocaat die het verzoek met uitgebreid bewijsmateriaal onderbouwde, waaronder een serie geboorte- en huwelijksbewijzen die terugging tot het huwelijk van Diewertje in 1729 en het testament van haar ouders uit 1737.[277] Later werd de procedure een stuk eenvoudiger en goedkoper. Van de vijf staken met één ‘t’ zijn er nog drie over, waarbij er één zonder nakomelingen. In de VS en in Duitsland hebben alle familieleden twee t’s.


Annechien Hinderikus Knotnerus
(1788-1873), gehuwd met
Ties Siebolts Hovinga te
Oostwolderpolder; hun zoon
noemden zij in 1816 Hendrikus
Knotnerus Hovinga

(Foto: Stichting Familie
Knottnerus
)




Grafmonument Henderikus
Knotnerus Wiertsema
(1869-1905) te Bierum.
Hij
overleed op jonge leeftijd
na – zoals men zei – een leven
van ‘Wijntje en Trijntje’

(Myheritage: Bram Wiertsema)

 

Soms probeerden de Oldambtsters – net als hun Oost-Friese familieleden – dubbele achternamen te creëren, zoals Zand(t) Knot(t)nerus (1777-1816), Knot(t)nerus Hovinga (1816), Boer Knot(t)nerus (1821), Knotnerus Wiertsema (1869) en Knotnerus Koppius (1948).[278] Slechts in enkele gevallen lukte dat min of meer: Johanna (Jo) Boer Knottnerus (1892-1978) hanteerde sinds haar huwelijk in 1927 de dubbele achternaam van haar vader en grootvader Boer Knottnerus. Het Ministerie van Binnenlandse zaken liet de Hoge Raad van de Adel in 1946 en 1947 onderzoek doen naar het verschijnsel van ten onrechte aangenomen dubbele namen; tot een voorgestelde sanering is het echter nooit gekomen.[279] Sijbrand Bruins en Siemtje Knotnerus te Usquert mochten hun zoon Tjark Hinderikus (1928-2012) op grond van een Koninklijk Besluit van 3 juli 1930 de volledige achternaam Knotnerus Bruins geven.[280] Hierdoor kon de naam Knotnerus uit het ‘derde geslacht’ ook na de dood van zijn oom Detmer Knotnerus (1890-1978) toch nog worden voortgezet.

 

13. De naam verschillend uitgesproken

Afbeeldingsresultaat voor hannekemaaier
Duitse seizoensarbeiders en andere
immigranten werden in Nederland vaak
als
knoet aangeduid. De leden van de
familie Knottnerus hebben hiervan – door
hun naam anders te gaan uitspreken –
kennelijk afstand genomen.

(foto Stichting Hannekemaaierspad)

 

De huidige uitspraak van de naam Knottnerus past in een traditie die vooral in de Noord-Nederland, Noord-Duitsland en Scandinavië wijd verbreid was. De naam is vergelijkbaar met andere Latijnse of vergriekste namen als Michaelis, Eyssonius, Winsemius en Toxopeus.

Vanaf het einde van de zeventiende eeuw zette zich deze nieuwe uitspraak door. De spelling was al eerder veranderd van Knöttner(us) naar Knottner(us), maar in het Nederduits bleef men deze vorm vermoedelijk als knudner (/’knydnə:/) of knootne-rus (/’knəʊtnɛr.əs/) met de klemtoon op de eerste lettergreep uitspreken (vandaar de foutieve spelling Knötterus, Knotterus, Cnofferus of Knutnerus). Johann Michael (ov. 1684) en zijn zoon Cornelius (ov. 1665) waren vermoedelijk de laatsten die consequent de vorm Knöttnerus gebruikten; daarna werd Knottnerus de regel. Bij de familieleden in Den Haag en Leer maakte de kortere vorm Knöttner omstreeks 1660 plaats voor Knottner, Cnot(t)ner of Knottners. De variant Knot(t)ner werd kort na 1700 voor het laatst gebruikt.

De geleerde humanistennaam Knottnerus met de uitgang –us en de Latijnse klemtoon op de voorlaatste lettergreep werd in predikantenkringen vast als deftiger ervaren; hij strookte ook met de in Nederland gebruikelijke uitspraak van de meeste woorden.[281] In het Nederlands had knoet en kneuter vooral de bijbetekenis van ‘boerenpummel, Westfaalse immigrant’ en ‘mopperaar’ of zelfs ‘schurk’, in tegenstelling tot het neutrale woord knot (‘bundel, knoop’). Noord-Duitsers en Denen werden gewoonlijk als mof, knoet, poep of bovenlander betiteld.[282] “Zulk een knoetin, die hier op een strowis komt gedreven!”, heet het in het blijspel uit 1685 over een lichtzinnig dienstmeisje. De Duitse keizer werd geacht te regeren over ‘knoetenland’ en de Duitse huurlingen waarmee het Oranjehuis zich omringde werden spottend ‘mof, knoet of manteldragers’ genoemd. De klemtoon op de eerste lettergreep – zoals bij Schipperus, Cramerus, Costerus of Moellerus – zou deze betekenis benadrukken.

Wellicht mede om zulke scheldpartijen voor te zijn, zette men vanaf het einde van de zeventiende eeuw de beschaafde uitspraak knot-nēris (/knɔt’nɪ:rʏs/) door, herkenbaar aan de spelling als Knotnerius, Cnot Neris, Knotneerus, Knothnerus en Cnodnerus.[283] De weduwe van Johann Friedrich te Bunde werd nog in 1691 als ‘weil. Pastor Knöttnerus Wittibe’ aangeduid. De nakomelingen van haar schoonvader staan daarentegen al omstreeks 1685 te boek als ‘Pastor Johannes Cnottnerius Kinder’, met klemtoon op de tweede lettergreep.[284] Iets dergelijks zien we ook met de naam Kuipéri, waar de verschuiving van de klemtoon de aandacht afleidde van het herkomstwoord kuipen in de betekenis van ‘samenzweren, intrigeren’.

In het Hoogduits kwam de nadruk echter in de negentiende eeuw weer op de eerste lettergreep liggen, zodat de naam daar voortaan werd uitgesproken als knŏtne-rus (/’knɔtnə.ʀʊs/). Dit paste kennelijk beter bij het Duitse taalgevoel. Daarnaast is het is waarschijnlijk ook het gevolg van de wijdverbreide mode om Latijnse woorden te verduitsen en gekunstelde constructies indien nodig terug te brengen naar hun Germaanse oervorm. In Nederland was deze aandrang minder sterk dan in Duitsland, omdat de Latijnse uitgangen zich gemakkelijk liet inpassen in het Nederlandse naamgevingsysteem.[285]

 

14. Predikantendynastie


Advertentie met aankondiging van
het overlijden van Catharina Basuin, wed. van
ds. Cornelius Knottnerus te Harkstede.
Groninger Courant, 22 mei 1798

 

Hierboven kwam vooral de Oldambtster tak aan bod. Ook de Oost-Friese predikantendynastie zette zich in de achttiende en negentiende eeuw voort. Samuel Knottnerus te Böhmerwold had zijn gemeente misschien verwaarloosd, zijn zoons kon hij niettemin een goede opleiding geven. Alle drie bezochten ze de Groningse universiteit. De oudste zoon Hinricus Knottnerus (Hindrik Hemmes, 1704-1762) was vernoemd naar grootvader Kamminga; hij werd in 1733 predikant te Hamswehrum en stierf na een ‘aanhoudende kwijnende ziekte’.[286] De vrome Johannes sr. (1714-1783) kwam terecht in Jarssum, later Campen en Uttum, terwijl Cornelius (1718-1779) pas op middelbare leeftijd een beroep naar Landschaftspolder bij Bunde aannam. Mogelijk was de laatste hier al langer werkzaam, maar het gegeven dat hij niet zoals zijn broer al op jonge leeftijd een dramatische bekering doormaakte, kan tot de nodige aarzelingen hebben geleid.[287] De rijke boeren uit de nieuwe polder vroegen in 1761 of ze hem als predikant mochten aanstellen, maar pas vijf jaar later kwam de toestemming. Kerk en pastorie waren toen nog niet voltooid; zijn inwijdingspreek van de nieuwe kerk ging over de uittocht van het volk Israël uit het land Egypte en de tocht door de woestijn. Enkele jaren daarna vertrok Cornelius naar Harkstede in het Groningerland, waar hij na een langdurig ziekbed kinderloos stierf. Zuster Gesyna huwde, nadat haar eerste man was gestorven, een minder voorname vakgenoot: Willem van Laer (ov. 1757) in het dorpje Gandersum.

Inmiddels had het piëtisme wijd om zich heen gegrepen, zodat in vele gemeenten jarenlang geen catechisatie werd gehouden en vaak ook het Heilig Avondmaal kwam te vervallen. Predikanten die zich gematigder opstelden kregen te maken met felle tegenstand in hun gemeente. Schortinghuis maakte bijvoorbeeld stemming tegen alle collega’s die geen innerlijke roeping hadden genoten. In zijn ogen waren dit potentiële “huirlingen, nietige herders, been brekers en moordenaars der arme Zielen” die slechts vanwege de eer of om het geldgewin het predikambt hadden aanvaard. De meeste studenten leefden er maar wat op los, terwijl de overigen hun tijd verdeden met bloedeloze discussies.

Och, hoe vele onnutte, onbekwame, luije en ledige leerlingen vervullen onse Scholen en Academiën. […] En die noch eens lust hebben, om neerstig hunne studiën te voort te zetten […] wat is hun werk als geestledige, ijdele en onnutte speculatiën te door snuffelen, partijschappen onder Godgeleerde te queeken, hunne meesters woorden als oracelen te bevestigen, en die ‘er tegenspreeken te verketteren en liefdeloos verdagt te maken?. […] Nog eens, begrijpt gij niet, dat de Academie letter oefeningen en het leeraar-ampt geen hertveranderende genade geven, en dat alle dese vleeschelike en letterlike wijsheid maar aardsch, natuirlijk en duivels en niet van boven is?[288]

De kerkhistoricus Eduard Meiners verhaalt in 1739 hoe vele inwoners van Oost-Friesland niet alleen overtuigd waren geraakt van de noodzaak tot wedergeboorte, maar daarvan ook door hun vrome levenwijze getuigden. Predikanten hier kritische vragen bij stelden, riepen vooral weerstand op:

In ons Oostvriesche Zion worden dagelijksch in vele Gemeintens, geestelijke Kerk kinderen geboren, die van het inwendige genade-werk niet alleen eigenaartig kunnen spreken; maar ook in haar gedrag klare blijken geven, datze de zaken, van welke zij gewagen, in haar binnenste gewaar worden.[289]

Meiners geeft een lijstje van kerkelijke gemeenten waar volgens hem “Godts werk … tot overtuigingen en bekeringe gezien en bespeurt wordt”. Daarop staan de meeste dorpen waar leden van de familie Knottnerus preekten of waar hun partners vandaan kwamen.

De gebroeders Knottnerus hadden kennelijk een goede naam, mede omdat ze op een wat rijpere leeftijd aan hun loopbaan begonnen. Ook het huwelijk schoven ze voor zich uit. In zekere zin waren ze wereldvreemd. Een belangrijk deel van hun opleiding kregen ze thuis; Johannes werd door zijn ouders “in alle kundigheden, welke hem voor een hoger onderwijs vatbaar maakte, grondig onderwezen”.[290] Of ze daarnaast een Latijnse school bezochten, is twijfelacchtig. Hun universiteitsdocenten (Anthonius Driessen, Otto Verbrugge, Cornelius van Velzen en Daniël Gerdes) waren overigens gematigde, rechtzinnige heren die hen waarschuwden voor de uitwassen van de geestdrijverij. Schortinghuis en zijn medestanders kregen het soms met deze professoren aan de stok, waardoor een deel van hun aanhangers de Groningse universiteit gingen mijden.[291] Geen van de gebroeders Knottnerus trouwde in het boerenmilieu: de schoonvader van Johannes was onderwijzer of ambachtsman in het streng kerkelijke dorp Oldersum; Cornelis trouwde de zes jaar oudere Catharina Basuin, dochter van een organist uit Delfzijl. Niet alle familieleden raakte overigens onder de indruk van de nieuwe vroomheid: bij de verwanten in Greetsiel en Groothusen bestond aanmerkelijk minder enthousiasme voor het piëtisme.

In de zesde en zevende generatie vinden we opnieuw een handvol predikanten. In de regel studeerden bezochten ze het gynasium te Norden en volgden ze een tijdlang colleges aan de als rechtzinnig bekend staande universiteit van Groningen, waarna ze er nog een of twee jaar aan de hogeschool van Lingen toevoegden, soms ook in omgekeerde volgorde, waarbij de studie in Groningen een afronding vormde. In Lingen leerden ze tevens een mondjevol Hoogduits. Sinds de annexatie van Oost-Friesland door Pruisen in 1744 was dit verplicht. Aan de Groningse academie was intussen meer begrip gekomen voor het piëtisme. Hoogleraren als Michael Bertling, Paulus Chevallier, Gerardus Kuypers en Theodorus Lubbers waren onverdacht conservatief, al hadden enkelen van hen hun benoeming vooral te danken aan hun orangegezindheid.[292]

foto del Dott. Theodor Knottnerus-Meyer, primo direttore del Giardino Zoologico di Roma
Theodor Knottnerus-Meyer
(1876-1936), directeur van de
dierentuin van Rome
(
Giardino Zoologico di Roma)

 

Ds. Hinricus Knottnerus te Hamswehrum had een dochter Anna Kamminga Knottnerus, die Tjarko Jans Meyer (1721-1788) te Manslagt huwde, een vrome predikant uit Emden die uitsluitend was opgeleid in Lingen en pas op gevorderde leeftijd in 1759  een beroep aannam. Het dorp waar hij terecht kwam was kort tevoren het toneel geweest van een radicale opwekkingsbeweging die uit Nederland was overgewaaid, de zogenaamde ‘Nijkerkse beroeringen’; kennelijk sloten zijn opvattingen aan bij de stemming ter plaatse.[293] Hij was eerste predikant in deze grote gemeente en op latere leeftijd tevens toezichthouder (superintendent) over enkele buurgemeenten. De oudste dochter Ida trouwde schoolmeester en organist Albertus Dircks Cramer te Emden die eveneens uit een predikantenfamilie stamde; de jongste Anna verbond zich met ds. Hermannus Brechtezende (1771-1801) te Vellage, later Kirchborgum, daarna met diens broer Fokko. De zoon Hinricus Knottnerus Meyer (1764-1796) werd na een lange studie  predikant op het verarmde eiland Nesserland bij Emden, maar kocht zijn verplichtingen af en probeerde daarna de kost verdienen als ziekentrooster te Amsterdam. Deze ‘burger Knotnerus Meyer’, zoals hij in de handelingen van het stadsparlement werd genoemd, was kennelijk op de hand van het nieuwe revolutionaire regime; hij stierf al snel, zijn gezin in schulden achterlatend.[294] Diens zoon Johan Henricus (Jan, 1792-1825), hoofdonderwijzer te Jemgum, huwde zijn nicht Anna Camminga Knottnerus Appelkamp. De kleinkinderen zetten de dubbele achternaam Knottnerus-Meyer voort. Van hem stamt de Duitse familie Knottnerus-Meyer af, die luthers is geworden. De bekendste telgen waren de schilder en beeldhouwer Hermann Knottnerus-Meyer (1875-1945) en diens broer, de zoöloog dr. Theodor Knottnerus-Meyer (1876-1936), eerste directeur van de beroemde dierentuin van Rome. Hermann werd vooral bekend als boezemvriend en biograaf van de omstreden heimatdichter Hermann Löns.[295] Theodor gold tevens als de ontdekker van een handvol zoogdierensoorten.[296] De kinderen van de andere zoon Hinrikus Knottnerus Meyer jr. (1790-1865), landbouwer en steenfabrikant te Greetsiel, lukte het echter niet hun dubbele achternaam officieel geregistreerd te krijgen. Hun nageslacht was vooral op boerenbedrijven in de Krummhörn te vinden.


Peter Wilhelm Knottnerus
Appelkamp (1795-1876),
Bezirksfeldwebel en ereburger
te Brilon (Sauerland)

(
wikipedia)

 

De naam Knottnerus bleef ook elders in het nageslacht van deze familie rondzingen. Een dochter en drie kleindochters van Hinricus werden vernoemd naar hun (groot)moeder Anna Kamminga Knottnerus; bij de Oldambtster tak bleef deze naam eveneens in ere.[297] Vier opeenvolgende generaties uit een boerenfamilie bij Emden gebruikten de combinatie Hinricus Knottnerus (Meyer), maar nu telkens met Knottnerus als voornaam, terwijl ook nog weer andere koppelingen werden gemaakt. Neef Samuel Knottnerus Cramer (1790-1874) uit Emden was tot zijn pensionering in 1866 bijna vijftig jaar werkzaam in de Nederlands-Hervormde gemeente te Hanau (bij Frankfurt), die al sinds de zestiende eeuw nauwe betrekkingen met Nederland had.[298] Zijn broer Tjarko Meyer Cramer was een begaafd kunstschilder, maar stierf op jonge leeftijd in Rome.[299] Een andere neef was Peter Wilhelm (Knottnerus) Appelkamp (1795-1876), een veteraan uit de oorlog tegen Napoleon en districtssergeant (Bezirksfeldwebel) te Brilon in het Sauerland.[300] Ds. Hinricus Knottnerus Meyer had op zijn beurt een kleinzoon Ubbo Tiden (Knottnerus) Meyer (1826-1909) die van 1852 tot 1872 hervormd predikant te Rysum was.[301] De laatste voorganger met deze naam was Hinrikus Knottnerus (Friedrich) Janssen (1902-1970), evangelisch-luthers predikant te Westrhauderfehn.

Johannes Knottnerus sr. te Uttum werd nog volledig bij het Nederlandstalige predikantencorps gerekend. Bij zijn overlijden in 1783 besteedde de Boekzaal der Geleerde Waerelt een uitvoerig artikel aan hem. Hij werd gekenschetst als een ijverig en waakzaam leraar, die bewerkstelligde dat “veele zondaars uit het rijk des Satans tot dier genade wierde overgebragt”.  Voor het overige was hij bescheiden en zwijgzaam, behalve als het om godsdienstige zaken ging. Hij preekte “op eene treffende, doch lieffelijke en uitlokkende wijze”, waarbij hij zijn toehoorders met zijn zorgvuldige uitleg van het Bijbelse woord wist te raken.[302] Hij had weer drie zonen en een schoonzoon die predikant werden (de zesde generatie): Samuel Johannes Knottnerus (1753-1822) te Campen (waar ook zijn vader had gestaan), daarna te Upleward, Landschaftspolder (net als  eerder zijn oom) en Nüttermoor. Edzard (1755-1844) volgde zijn vader op in Uttum; Johannes jr. (1763-1835) was predikant te Veenhusen, later Cirkwehrum, Norden en Bargebur en tenslotte te Hinte.[303] Samuel was een echte studeerkamergeleerde, aldus het levensbericht in de Boekzaal, net als zijn grootvader: hij was bescheiden en in de omgang vriendelijk en royaal, maar “leefde geheel voor de beoefening der wetenschappen, en sleet in zijn eenzaam boekvertrek, de genoeglijke uren, zijn hart was geheel aan Jezus, en zijn krachten aan zijnen dienst toegewijd”.[304] Edzard nam na 45 jaar trouwe dienst in 1830 afscheid met de oproep aan zijn gemeente “met een voornemen des harten bij den Heeren te blijven”.[305] Johannes woonde een tijdlang in het lutherse stadje Norden, maar nam in 1807 een beroep aan naar de grotere gemeente Hinte, waar Edzard later bij hem introk. De hervormde minderheid van Norden gingen ter kerke in Bargebur, onder de rook van het slot Lütetsburg, waar de dorpsheer in 1684 een kerkje had laten bouwen; de pastorie bevond zich in de stad zelf, de hervormde dorpschool stond bij het slot. Van Johannes wordt gezegd dat zijn levenswandel overeenstemde met de leer die hij verkondigde. Hun zuster Anna huwde eveneens een platijnsredikant uit een bekende piëtistische familie: Lambertus Hoisingh Penon (1789-1825) te Wybelsum en later Wirdum, tevens toezichthouder (superintendent) over een handvol buurgemeenten.


Grafsteen van Hinricus
Knottnerus Hobbing (1837-1883),
leraar te Emden
(
Foto Upstalsboom Gesellschaft)

 

Ook in deze tak van de familie ging de naam Knottnerus als voornaam fungeren: een van Anna’s kinderen was de arts Johannes Michaelis Knottnerus Penon (1789-1825) te Bunderhee, die tegelijk met zijn neef Wesselius Brons Knottnerus in Groningen had gestudeerd.[306] Kleindochters waren Margaretha en Anna Knottnerus Holtkamp. Anna’s kleinzoon, landbouwer te Mitling-Mark, werd op zijn beurt Annäus Knottnerus Wübbena (1885-1965) genoemd. In de laatste gevallen ging het om rijke boerenfamilies die meerdere predikanten in hun voorgeslacht hadden en de herinnering aan deze voorouders hoog wilden houden. De neiging tot deze traditie van naamgeving bestond zoals we zagen al langer: elders in de familie vinden we de combinaties Knottner Harmens (1708), Knottnerus Bödeker (ca. 1780), Knottnerus Rycken (1780), Knottnerus Appelkamp (1789 en 1795), Knottnerus Cramer (1790), Knotnerus Klaassen (1818), Knottnerus Hobbing (1837), Knottnerus Wübben (1884) en Knottnerus Janssen (1902). Omgekeerd werden andere achternamen gekoppeld aan de naam Knottnerus, zoals Kamminga Knottnerus (1725-1789), Steen Knottnerus (1744-1754), Brons Knottnerus (1794 en 1836), Thoden Knottnerus (1815-1874) en Aissonius Knottnerus (1838-1839). Tot dubbele achternamen kwam het vrijwel nooit: de Pruisische wetgeving verbood in 1794 het veranderen van de familienaam, hetgeen nog eens onderstreept werd door de nieuwe wet op de burgerlijke stand van 1875. Een uitzondering daarop vormde de familie Knottnerus-Meyer, waarvan één tak de dubbele naam wist te behouden.

Ds. Johannes Knottnerus jr. (1763-1826) en Alberdine Storch (1763-1830)

Van de drie bovengenoemde zonen had alleen Johannes jr. weer kinderen; Edzard bleef vrijgezel. Uit het eerste huwelijk met Clasina Wessels Brons werd Wesselius Brons Knottnerus (1794-1868) geboren, hervormd predikant op het eiland Borkum. Clasina was de dochter van een textielfabrikant te Leer en een tante van de bekende doopsgezinde koopman en parlementariër Ysaak Brons uit Emden. Uit het tweede huwelijk met de apothekersdochter Alberdine Storch uit Emden stamde Adolph Meinhard Knottnerus, de stamvader van de Friese tak, die in 1830 predikant te Midlum bij Harlingen werd. Ook Johannes’ zuster Habbina huwde een predikant uit een Oost-Friese familie: Claas Willems Wychgram, sinds 1827 te Buitenpost. Zij zijn de zevende generatie predikanten.


Knottnerus en Knottnerus-Meyer in Duitsland,
aantal telefoonaansuitingen in 2007
(© OSN GmbH en Bundesamt für
Kartographie und Geodesie)

 

Het grootste deel van de familie raakte echter naarmate Oost-Friesland meer bij het koninkrijk Hannover betrokken raakte steeds sterker op Duitsland georiënteerd. De nationalistische sfeer die Duitsland na 1848 in zijn greep hield deed de oude banden met Nederland verbleken. Het Nederlandstalige onderwijs maakte plaats voor het Hoogduits, vanaf de kansel werd alleen nog Duits gesproken en de Statenvertaling maakte plaats voor de Lutherbijbel. De hervormde gemeenten van Bunde (1881), Greetsiel en Uttum (1883) behoorden tot de laatste plaatsen waar het Nederlands tijdens de kerkdiensten werd afgeschaft.[307] Alleen de christelijk-gereformeerden en doopsgezinden hielden hier nog langer aan vast.

Wesselius Brons Knottnerus was, zoals we nog zullen zien, degene die zijn omgeving bewust maakte van de bijzondere familiegeschiedenis. Koning Willem I wilde hem in 1822 benoemen tot predikant te Nes op Ameland. Wesselius was kennelijk gehecht aan zijn familie en wees het beroep van de hand; zo kwam hij terecht op Borkum. De eilandpredikant was een liefhebber van het natuuronderzoek; sinds 1822 waren hij en zijn vader corresponderend leden van het ‘Naturforschende Gesellschaft’ in Emden. Hij deed uitvoerig verslag van de stranding van een Noorse vinvis op Borkum in de herfst van 1848.[308] Hij huwde pas op latere leeftijd een onderwijzersdochter uit Hinte. Zijn oude dag bracht hij in de provinciehoofdstad Aurich door; de zoon dr. jur. Johannes Michaelis Palatinus was advocaat te Aurich, diens zusters huwden lutherse beambten en woonden in Aurich, Berlijn en in de Harz.


Grafzerk van dr. jur. Johannes Michaelis
Knottnerus (1799-1860), Justizkommissar
te Stickhausen en Adelheid Friederike
Möhlmann (1812-1893),
Detern
(
Foto Upstalsboom Gesellschaft)

 

Ook Wessels broer dr. jur. Johannes Michaelis bewoog zich voornamelijk in een Duitstalig luthers milieu; hij was procureur (Justizkommissar) en notaris te Stickhausen (bij Leer); hij had vijftien kinderen uit drie huwelijken, waarvan vijf jong overleden. De oudste zoon Johannes Michaelis jr. werd textielfabrikant in Hameln en speelde een pioniersrol bij de ontwikkeling van nieuwe materialen. Op het schiereiland ‘Zur Lust’ bij Afferde liet hij in 1860 een mechanische spinnerij en weverij bouwen; hij publiceerde ook gedichten.[309] Halfbroer Ivo Gaukes werd apotheker te Bad Zwischenahn. Edzard Samuel emigreerde omstreeks 1853 naar Illinois in de Verenigde Staten, gevolgd door zijn broer Johann Gerhard en hun oomzeggers Ernst en Adolph, die allen naar St. Louis vertrokken. Hun nakomelingen kwamen tot voor kort niet in het familiestamboek voor. De resterende Oost-Friese tak stierf in 1919 met de dood van Carl Christian, koopman of winkelier te Detern, in mannelijke lijn uit.

Wat opvalt is dat bijna alle takken van de familie Knottnerus in Oost-Friesland op den duur zijn uitgestorven. Kleine gezinnen, uitgestelde huwelijken en vertrek naar elders eisten telkens weer hun tol. Men leefde kennelijk naar de strenge normen die men zelf had vastgesteld. Alleen de predikantenlinie wist zich min of meer te handhaven. Wat ook bleef was de reputatie van het predikantengeslacht. Andere families, voornamelijk uit de boerenstand, hielden daarom de naam Knottnerus in ere. “Knottnerus, das ist ja Bauernadel”, zo stelde een journalist van de Rheiderland Zeitung dit nog omstreeks 1990 in een gesprek met de auteur. En net als de echte adel stierf deze boerenadel langzaam uit.

 

15. Friesland als tussenstop

De firma ‘Gebroeders Knottnerus’ te Franeker wordt verkocht.
(Leeuwarder Courant,17 juni 1881)

 

Eigenlijk was het alleen Wesselius’ jongere halfbroer Adolph Meinhard Knottnerus (1804-1869) die de traditie van de hervormde orthodoxie hoog hield door in 1830 naar Friesland te verhuizen. Zijn vrouw was een boerendochter uit Diele bij Weener. De Oost-Friese predikant was geliefd in eigen dorp; de gemeenteleden van Midlum betaalden in 1869 het grafmonument voor hemzelf en twee jong overleden zonen.[310] Het echtpaar had elf kinderen. Maar liefst vier zonen begonnen een studie: letterenstudent Johannes (1830-1851) stierf plotseling in Groningen, enkele dagen na zijn propedeuse; Nicolaas (1847-1868) overleed thuis als kandidaat theologie.[311] De beide andere voltooiden hun theologieopleiding in Utrecht (de achtste generatie); twee broers begonnen een kruidenierswinkel, de zevende werd boer. De winkel in Franeker bleek een mislukking; woning en de inventaris werden in 1881 verkocht.[312] Ubbo verhuisde later naar Nijehaske en werd klerk bij de Nederlandsche Tramwegmaatschappij, Leendert kreeg een baan als belastingambtenaar te Den Haag.[313] Edzard vestigde zich in 1870 als pachtboer op Groot-Salverd te Hijkersmilde. Twee zussen bleven vrijgezel, één huwde Heinrich David Schlüter, zoon van de gelijknamige voorzanger (cantor) van de Grote Kerk te Emden, die zich als koopman in Den Helder vestigde. Hun twee zonen trouwden weer twee volle nichten (dochters van Hillrich), waarna een van hen (een marineofficier) nog eens de weduwe van de ander huwde.

De Willemskerk der Nederlands Hervormde en Lutherse Gemeente te Batavia, gezien vanaf de westzijde, 1880
(collectie Tropenmuseum)

 

Hillrich Knottnerus (1838-1897) verkreeg eerst een aanstelling in Loppersum; hij werd daarna door de Nederlands-Indische regering benoemd tot rondreizend predikant op Sumatra, vervolgens tot voorganger van de Protestantse Kerk te Soerakarta (Java), rondreizend predikant op Ambon en tenslotte hoofdpredikant van de Willemskerk te Batavia (nu: Jakarta). Na zijn vervroegde pensionering diende hij de gemeenten Heerenveen, Gulpen en Berlicum-Rosmalen.[314] Hij was in 1871 een van de initiatiefnemers tot oprichting van een internaat voor kinderen van Nederlandse plantagearbeiders in het feodale vorstendom Surakarta, dat vervolgens onder leiding van de plaatselijke vrijmetselaarsloge kwam te staan. De vorst weigerde intussen zijn diensten te bezoeken met het smoesje dat de rechtzinnige predikant “veel te nieuwmodisch” zou zijn.[315] In opdracht van het gouvernement maakte hij in 1881 een kerkelijke dienstreis van tien maanden naar de Molukken, waarvan hij uitvoerig rapport uitbracht. Zijn ‘humanitaire streven’ was befaamd. Hij liep echter – net als eerder Multatuli – tegen de corrupte realiteit van het toenmalige koloniale bestuur aan en keerde door ziekte gedwongen in 1892 terug naar Nederland. Zijn vertrek leidde tot veel onrust in de gecombineerde Nederlands Hervormde en Lutherse Gemeente van Batavia, omdat men bang was dat “onvervalscht Goddelijk woord en het Evangelie des kruizes” niet meer van de kansel zouden klinken. De gemeenteleden kondigden aan liever weg te blijven “dan het Goddelijk woord verminkt, of doormengd met moderne begrippen te moeten hooren”.[316]

Ivo Gaukes Knottnerus sr.
 (1840-1917),
predikant te Den Haag.
Portret door Johannes Hermanus
van der Heijden, 1874.
(Beelddocumentatie RKD)

 

Ivo Gaukes sr. (1840-1917) diende de gemeenten van Soesterberg, Exmorra, IJlst en Dordrecht, voordat hij in 1876 naar Den Haag vertrok. Hij werd door orthodoxe tijdgenoten gezien als een groot talent; hij publiceerde een handvol boeken en brochures en zette zich vooral in voor de Nederlandsche Evangelische Protestantsche Vereeniging, een organisatie voor ‘inwendige zending’ die vooral in voormalige Réveilkringen veel aanhang had. Als zodanig reisde hij geregeld door Nederland en kwam hij in contact met geestverwanten in den lande, die hem doorgaans op handen droegen. De Haagse predikant was bijna een kwart eeuw secretaris van deze organisatie en betrokken bij de oprichting van tientallen plaatselijke afdelingen.[317] Zo moet hij ook voor het eerst kennis hebben gemaakt met naamgenoten uit het Oldambt. Hij had veel contacten en wist vermoedelijk meerdere verwanten aan een betrekking te helpen. De populaire voorganger woonde in een herenhuis vlakbij paleis Noordeinde en had geregeld leden van het koninklijk huis onder zijn gehoor. Zo bericht hofdame Henriëtte van der Pol over de eerste kerkgang van prinses Wilhelmina in 1888:

Wij hebben dien dag een zeer mooien preek van Ds. Knottnerus gehoord, die vooral ook zeer mooi voor Koning, Koningin en Princesje gebeden heeft.[318]

Ivo Gaukes gold als een markante persoonlijkheid met veel charisma en een groot doorzettingsvermogen, een ‘preekkanon’, die zijn toehoorders aan zich wist te binden. “Zelden zag ik in een Evangeliedienaar zooveel kracht, eenvoud, geloof en takt vereenigd”, noteerde Groen van Prinsterer op zijn sterfbed.[319] “De stoerheid, die zijn uiterlijk kenmerkte, was hem ook eigen in zijn gedragingen. […] Waar hij tegenwoordig was, bemerkte men zijn aanwezigheid”, zo heet het later. Al kort na zijn aantreden veroorzaakte de strijdbare predikant een kleine sensatie door op Hemelvaartsdag 1876 de dienst van ds. Ferdinand Domela Nieuwenhuis in de Lutherse Kerk waar te nemen. Nieuwenhuis wilde die dag niet preken omdat hij twijfels had over de kerkelijke dogma’s. Ds. Knottnerus prees diens eerlijkheid, maar maakte tevens gebruik van de situatie door aanhangers van de moderne theologie in eigen huis stevig de oren te wassen. Achteraf sprak men over de ‘hemelvaartsstorm’.[320]

Ivo Gaukes legde veel nadruk op het persoonlijke in het geloofsleven. Hij was – net als veel tijdgenoten - ervan overtuigd aan het einde der tijden te leven. De terugkeer van Christus zou in Israël plaats vinden op het moment dat het verstrooide Joodse volk weer thuis zou komen. Dit chiliasme dat hij met zijn verre voorouders deelde, behoedde hem voor dogmatisme of overdreven mystiek. Hij nam dan ook afstand van de gedachte dat de kerk de bestaande wereldorde moest ondersteunen.

De laatste tijden, waarin wij oogenschijnlijk thans verkeeren, zijn gevaarlijke tijden, naar hetgeen Gods Woord ons leert. Satan is nog steeds de overste dezer wereld en zijn macht zal slechts door de persoonlijke verschijning des Heeren verbroken worden. Dan zal op de aarde, die Gods geboden verzaakt heeft, de Heere regeeren, ongerechtigheid, wreedheid, oorlog en zonden zullen ophouden en in plaats daarvan zal de vrees en de liefde Gods aller harten vervullen.[321]

Zijn oudedag bracht hij door in Apeldoorn en Heerde, waar hij geregeld in de hofkapel van Paleis het Loo preekte. Hij had negen kinderen, waarvan twee jong overleden.

 

16. Uitgezwermd over Nederland (en elders)

Een van de populaire
kinderboekjes door
Wilhelmina Knottnerus (Elisabeth), 1897 (www.achterderug.nl).

 

Friesland bleek voor de familie Knottnerus slechts een tussenstop; de meeste nakomelingen van Adoph Meinhard verhuisden naar het midden of westen van het land. De familie zwermde langzamerhand uit over heel Nederland. In de volgende (negende) generatie bekleedden de boerenzoons Adolph Meinhard (1863-1938) en dr. Bauke Rommert (1871-1961) en hun neven Ivo Gaukes jr. (1876-1935) en Jan George (1884-1948) eveneens het ambt van predikant. Allen studeerden in Utrecht; het vrijzinnige Groningen was uit de gratie. Adolph Meinhard werd directeur van het nieuwe diaconessenhuis in Arnhem en bestuurder van de Johanna Stichting, zijn zus en twee nichten werden diacones.[322] De diaconessenbeweging was uit Duitsland komen overwaaien; hij richtte zich op protestantse vrouwen die ervoor kozen in een leefgemeenschap te gaan wonen, een kuisheidsgelofte af te leggen en zich dienstbaar te maken voor hun medemensen. De neven en nichten Knottnerus maakten veel reclame voor deze beweging.

(Panoramio.com)

Bauke Rommert was onder andere predikant te Zuidwolde, Vries en Sebaldeburen, en tevens bestuurder van de Christelijke Landbouwkolonie ‘Het Hoogeland’ te Beekbergen, een instelling naar Duits model voor de opvang van ‘ontslagen gevangenen, zwervers, landloopers, alcoholisten en maatschappelijk ongeschikten’. Hij ontfermde zich een tijdlang over de ‘Kolonie Filadelfia’ te Vries, waar 35 mannen werden verzorgd. Later was hij ziekenhuispredikant in het Groningse Diaconessenhuis. Bij zijn 50-jarig ambtsjubileum werd hij gekenschetst als “een zeldzaam opgewekt Christen; iemand die zijn eigen weg met blijdschap reist, en die zeer velen troost mocht brengen en moed mocht inspreken”.[323] De jong overleden nicht Wilhelmina (1867-1905) uit Den Haag (de oudste dochter van Ivo Gaukes sr.) werd een bekend schrijfster die onder het pseudoniem Elisabeth tientallen christelijke verhalenbundels en kinderboeken publiceerde.[324] Haar oudste broer dr. Adolph Meinhard Carl Gustaaf (1873-1944) leidde een psychiatrische kliniek, een andere, Leendert Nicolaas Johannes (1881-1956), werd rentmeester van de Stichting Oranje Nassau’s Oord te Renkum, waar op initiatief van koningin Emma een sanatorium was gesticht. Ivo Gaukes jr. werd predikant te Den Briel en Beuningen; hij was – net als andere familieleden - actief in de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, een paramilitaire organisatie onder de vlag van de Nederlandse overheid.[325] Geen van hen nam snel een blad voor de mond. Adolph Meinhard nam het bijvoorbeeld in 1898 publiekelijk op voor de burgemeester van zijn woonplaats, die door de grootste raadspartij werd gemangeld:

Velen in Zaamslag […] willen niet graag lid van de raad wezen: zij huiveren terug voor dit wespennest. […] Er zijn vele kwesties in Zaamslag, die allen voorkomen, volgens mijne overtuiging, uit één vuile bron. Ik kan dit zeggen, omdat ik meer weet dan de heeren zelven misschien weten. […] Maar het kruikje gaat zoolang te water tot het breekt. God regeert. Het recht zal zegevieren.[326] 

Ds. Jan George
Knottnerus (1884-1948),
reserve-veldprediker in
mobilisatietijd

 

De jongste broer Jan George was predikant te Varsseveld, maar raakte op latere leeftijd in 1937 verwikkeld in een heftig conflict met de kerkenraad. Hij slaagde erin de orthodoxe meerderheid in zijn gemeente achter zich te krijgen, waarna zijn aanhangers alsnog kerkenraad naar hun hand konden zetten. Eerder was hij in opspraak geraakt als sympathisant van de NSB en als ‘geestelijk leider’ van de extreemrechtse Orde der Getrouwe Getuigen van den komenden Christus.[327] Door zijn activiteiten als reserve-veldpredikant in mobilisatietijd (in de rang van majoor) en de betrokkenheid van zijn gezin bij het verzet wist hij echter veel goed te maken. Zijn mobilisatiedagboek is in 2004 uitgegeven. Zoon Riep kreeg een erevermelding als ‘rechtvaardige’ door de Joodse organisatie Yad Vashem; hij wist tientallen mensen uit de handen van de bezetter te houden door ze op veilige adressen onder te brengen.[328] Zwager Reinier Meeuwenberg diende de gemeenten van Breskens, Batenburg en Driel. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog actief als veldpredikant; met zijn echtgenote Habbina zette hij zich in voor opvang van Belgische vluchtelingen, waarvoor beide werden gedecoreerd. Daarna gaven beide een jaar lang leiding van het Zendingshuis van de Nederlandse Zendingsvereniging te Rotterdam.[329] Onder de neven vinden we verder een commies, een sleepbootkapitein op Java en een marineofficier die in de koophandel ging.

De achterkleinzoons uit de tiende generatie, namelijk Dolph (Adolph Meinhard, 1903-1963), Ab (Albert Herman, 1913-1998), Lee (Simon Leonard, 1914-1987), Hans (Johannes Ivo Jacobus, 1914-1987) en Bart (Bartholomeus Johannes, 1919-2016), kozen opnieuw voor een loopbaan binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Bart was opgeleid tot pastoraal werker (‘wika’) en bestuurde de Stichting voor Diaconaal Maatschappelijk Werk in de provincie Utrecht; Dolph was een tijdlang directeur van de Samenwerkende Zendingscorporaties te Oegstgeest, daarna predikant te Oude-Wetering; zijn broer Arnold (1904-1967) leidde de christelijke uitgeverij Callenbach. Hans werkte bijna tien jaar onder de Nederlandse emigranten in Zuid-Afrika. Nadat de Hervormde Kerkeraad van Johannesburg bezwaar maakte tegen de gebruikte liturgie werd in 1958 een afzonderlijke Nederlandse gemeente gesticht; na terugkeer in 1964 gaf hij lezingen waarin hij zich naar aanleiding van zijn ervaringen kritisch over de apartheidspolitiek uitliet. Ab was tevens gevangenispredikant te Breda, waar hij tevens de geestelijke verzorging van drie tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadigers (de zogenaamde Drie van Breda) op zich nam; Lee werkte onder andere te Hillegom en Dordrecht. De electrotechnisch ingenieur Lodewijk (1916-1993), werkzaam als technisch inspecteur van de Genie, publiceerde in 1987 een theologisch werkje waarin hij schepping en evolutie probeerde te verzoenen.[330] Bart publiceerde op hoge leeftijd behalve zijn jeugdherinneringen tevens een bundel over stervensbegeleiding en een verzameling Moppen en anekdotes (2015).

Knottnerus in Nederland in 2007 (n=166).
De zwaartepunten liggen in Amsterdam,
Den Haag, Utrecht, Almere, Zwolle,
Groningen en Oldambt
(Meertensinstituut: Nederlandse
familienamenbank
)

 

Knotnerus in Nederland in 2007(n=37)
Niet gekarteerd: Knotnerus Bruins (n=5)
(Meertensinstituut: Nederlandse
familienamenbank
)

De orthodoxe familietraditie maakte langzamerhand plaats voor modernere opvattingen. Vanuit de universiteiten van Utrecht en Groningen verbreidde zich de ethische richting binnen de Hervormde Kerk, later sprak men van de middenorthodoxie, en er ontstond zelfs belangstelling voor een voorzichtige doorbraak naar links. Ab was een van de vele predikanten die na de Tweede Wereldoorlog openlijk voor de Partij van de Arbeid koos.[331] Zwager Pieter van Stempvoort (1911-1969), die een dochter van Bauke Rommert huwde, was als hoogleraar in Groningen een typisch voorbeeld van een theoloog die een verzoenende middenkoers volgde.[332]

De tiende generatie predikanten stond aan het einde van een onafgebroken rij die begon in 1601. De enige jongere voorganger in Nederland is Hans (Jacobus Johannes) Knottnerus (1949), oudkatholiek pastor; via zijn moeder behoort hij tot dit kerkgenootschap. Hij was eerst majoor-legerpredikant, daarna voorganger van de Evangelische Broedergemeente te Eindhoven. Daarmee breekt de traditie af: in Nederland is de theologiestudie bij de familie Knot(t)nerus niet meer gebruikelijk. De vanzelfsprekende band met de rechtervleugel van de Hervormde Kerk is na de Tweede Wereldoorlog verwaterd. Ook de politieke voorkeur leidde niet meer automatisch tot een keuze voor de Christelijk-Historische Unie en verwante partijen; zo was Jan Knottnerus (1950-2006) uit Groningen Statenlid voor de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), een voorloper van Groen Links. In de elfde generatie vinden we andere beroepen als inspecteur van financiën, wis- en natuurkundige, graficus, apotheker (Ivo), bankier (Harry), rechter (Gim), verpakkingsadviseur, walvisvaarder, enkele leraressen en maar liefst vier ingenieurs. De familieleden waren vooral bij de overheid werkzaam, minder in het bedrijfsleven en helemaal niet in de landbouw.

Bronzen plaquette, aangeboden aan
 Otto Samuel Knottnerus bij zijn 40-jarig
dienstverband bij de Handelsmij/OGEM, 1935
(particulier bezit)
(Stichting Familie Knottnerus)

Dezelfde ontwikkeling – maar later en veel minder uitgesproken – zien we in de Groninger tak, waar het boerenbedrijf eveneens plaats maakte voor andere beroepen. Een opvallende persoonlijkheid was de domineeszoon Otto Samuel Knottnerus (1860-1948), veertig jaar lang directeur en president-directeur van de Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij te Rotterdam (later OGEM) en als zodanig een van de tycoons van het Nederlandse bedrijfsleven rond 1900.[333] Hij was verantwoordelijk voor de opbouw van de gas- en electriciteitsvoorziening in tientallen steden in Indonesië, Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland zelf. Verder was hij was enkele jaren gemeenteraadslid voor de Liberale Unie, voorzitter van de Vereeniging van Gasfabrikanten in Nederland en een van de intitiatiefnemers voor de totstandkoming van het ambachtsonderwijs in Nederland. Politiek en bestuurlijk actief waren ook de landbouwkundige ir. Kees (Cornelius Samuel) Knottnerus (1912-1991), voorzitter van het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité en het Landbouwschap, en de jurist Sieto Robert Knottnerus (1913-1984), burgemeester van Scheemda en Stadskanaal en gedurende twaalf jaar Eerste Kamerlid voor de Christelijk-Historische Unie.[334] Opvallend is dat de vrouwenemancipatie zich ook binnen het conservatieve milieu doorzette. De juriste Cootje (Jacobina) Blomhert-Knottnerus, dochter van Otto Samuel, was de eerste vrouw binnen de familie die zich inschreef voor een universitaire studie; ze promoveerde in 1916 te Utrecht en later was werkzaam als secretaresse van de voogdijraad te Rotterdam. In de Friese tak beet Louise Knottnerus (1898-1985) de spits af. Maar pas na de Tweede Wereldoorlog begonnen universitaire studies gebruikelijker te worden.

Sam Knottnerus (1972)
Foto: Arcadia Church, 2017

 

Tot de bekendste familieleden behoren tegenwoordig de medicus André Knottnerus (1951), voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, en David Knottnerus (1946), hoogleraar sociologie aan de Oklahoma State University. George Knottnerus (1953) is schrijver van (historische) romans, korte gedichten en boeken over natuur en cultuur.[335]

Een bescheiden lichting van dikwijls evangelisch geïnspireerde familieleden in de Verenigde Staten en Canada hebben de fakkel van het predikantschap overgenomen: Jean Catherine (1928-2014) uit Grand Rapids werkte met haar man Nathan Jay Nauta als baptistisch zendingswerker in de Domicaanse Republiek; Cathy (Catharina Wolthera, 1936), een dochter van Dolph en gehuwd met de Nederlander Gerrit Hedde Cazemier, was voorganger bij de Calvin United Church te Rathwell (Manitoba).[336] Tot de twaalfde generatie behoort Sam (Samuel Olaf) Knottnerus (1972), predikant te Arcadia in Los Angeles County, Californië.

Domineesleed…

(Nieuwsblad van het Noorden, 3 juli 1907)

 

17. Knottnerus in de populaire cultuur

Afbeeldingsresultaat voor marleen "kleine waarheid"

 

Inmiddels heeft de naam Knottnerus een plaats gekregen in de populaire cultuur. In het eerste deel van de trilogie De kleine waarheid van Jan Mens uit 1960 figureert de familie Knottnerus uit Zuidbroek. De hierop gebaseerde televisieserie uit 1970 begon alle afleveringen met de openingszinnen:

Martje kwam van buiten; uit een klein dorp in Groningen, Zuidbroek genaamd, het ligt aan de spoorlijn Groningen-Winschoten. Een groot gezin, twaalf kinderen, vader werkte op de strokartonfabriek van de firma Scholten. Martje werd op haar twaalfde jaar meid bij een steenrijke boer, een zekere Knotterus, vijftig gulden per jaar en de kost was best.

In de historische roman Rivierlandschap in de winter van Theun de Vries uit 1989 – over de Franse inval van 1795 – komt een dominee Knottnerus voor, die zich afzijdig houdt van de revolutionaire omwenteling. Rudy Kousbroek vertelt in Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam uit 1981 over “een jongeman, die zich verschool in de schaduw van een knotnerus”.[337] Muzikant en cabaretier André Manuel (1967) bracht bij de opening van de Art Brut Biënnale in 2012 een ode aan zijn vroegere buurjongen uit Diepenheim, waar Hans Knottnerus predikant was:

U begrijpt, dit verhaal speelt zich af in een ver verleden. In een tijd dat ze nog bestonden. De Dorpsgekken die voor reuring zorgden. De Maatschappelijk Onaangepasten die de lucht pimpelpaars schilderden omdat ze de lucht nu eenmaal het liefst pimpelpaars zagen. Alsof ze zo uit een Schilderij van Jeroen Bosch waren gestapt, wonderbaarlijke schepselen der natuur met vleugels op hun rug, oren groot als schotelantennes en armen zo lang als bezemstelen zodat ze de kinderen in het dorp van dienst konden zijn bij het jatten van appels uit de boomgaard van Dominee Knottnerus.

Advertentie van restaurant ‘De Hoop
op d’Swarte Walvis’, Zaandam 1977
(NRC Handelsblad, 24 november 1977)

 

Vaak wordt de naam verbasterd. Een Zaans restaurant adverteerde in 1977 met de annekdote van juffer Catharine Knottnerius tot Zwanenburg, die verliefd werd op een walvisvaarder. De Duitse journaliste Katja Kessler noemt in de roman Herztöne uit 2009 een van haar karakters Monika Knottmerus-Meier. Soms is de naam fictief. Journalist Rudie Kagie voert in zijn autobiografische Hopman: een memoir uit 2017 het pleeggezin van een zekere Ger Knotnerus en zijn vrouw te Middelburg op. Onder haar eigen naam trad een Duits familielid eind de jaren zeventig op in erotische fims. Ronduit curieus is tenslotte het spookverhaal ‘Het huis Knottnerus’ in de bundel Volmaakt monster uit 2014 van de Vlaamse schrijver Tom Thys over een geval van godsdienstwaanzin: “Het huis Knottnerus […] stond ergens in de polders ver buiten het dorp en had het typische uiterlijk van een spookhuis”.[338]

 

18. Ge(re)construeerde familiebanden

Familie Knot(t)nerus in aantallen

Nederland

1947

2007

2012

  Knottnerus

104

166

181

  Boer Knottnerus

1

-

-

  Knotnerus

29

37

36

  Knotnerus Bruins

1

5

3

Totaal Nederland

135

208

220

Duitsland

 

 

 

  Knottnerus

 

 

10

  Knottnerus-Meyer

 

 

14

Elders in Europa

 

 

5

USA/Canada

 

 

ca. 90

Totaal

 

 

340

(Meertensinstituut: Nederlandse
familienamenbank
;
Stichting Familie Knot(t)nerus)

Al met al waren de aantallen predikanten dus nooit erg groot: drie of vier per generatie. En pas in de negentiende en twintigste eeuw werden dat er een paar meer. In totaal gaat het om niet meer dan dertig mannen en twee vrouwen op een totaal van bijna 900 naamgenoten. Maar deze predikanten onderhielden wel het contact tussen de verschillende takken van de familie. Door hun studie en hun werk waren ze gewend te reizen. Bovendien hielden ze vaak een uitgebreide briefwisseling bij. Het contact tussen de Friese en de Oost-Friese tak blijkt ook uit de namen van de kinderen. Namen als Ivo Gaukes, Adolph Meinhard, Edzard, Ubbo en Habbina komen in beide families voor. Vooral beide eerste combinaties vallen op: ze komen volledig van buitenaf. Een van de predikantenvrouwen (Alberdine Storch) was eerder gehuwd geweest met Johannes, zoon van de goud- en zilversmid Ivo Gaukes Swartte te Norden en kennelijk nazaat van de vermaarde doopsgezinde arts Yvo Gaukes (ca. 1660-1738) uit Emden.[339] Mogelijk wilde men hiermee de stichter van een bescheiden familiefortuin eren.

In Oost-Friesland is de belangstelling voor de vroegste familiegeschiedenis begonnen. Jannes Edzards te Pilsum kreeg al in 1739 de doopnamen Johannes Michaelis van zijn bedovergrootvader mee. Diens achternicht Anna, gehuwd met de predikant Lambertus Hoisingh Penon, en haar broer ds. Johannes Knottnerus jr. te Norden gaven hun zonen in 1789 en 1799 dezelfde namen. In het overlijdensbericht van Johannes Knottnerus sr. uit 1783 wordt uitvoerig ingegaan op de familiegeschiedenis. Volgens de auteur is de familie “altijd zonderling gezegend geweest” sinds de stamvader zijn vaderland vanwege de godsdienstvervolgingen had moeten verlaten.

Onder dezelve heeft men tot nog toe altijd Leeraars van eene uitmuntende schranderheid en grondige geleerdheid gevonden, die uit aanmerking van hunne natuurlijke en zedelijke Caracters zeer geacht en geliefd wierden.[340]

Deze in eigen regio “met roem bekende en door een grondige geleerdheid uitmuntende Leeraarsfamilie” woonde nu al bijna twee eeuwen in Oost-Friesland, zo heet het bij het overlijden van Samuel Knottnerus veertig jaar later.[341] Kennelijk bestond er een familieregister: in 1836 telde men dertien predikanten in het voorgeslacht. De neven Knottnerus Meyer en Knottnerus Cramer alsmede de theologiestudent Georg uit Leer werden daarbij niet meegeteld.[342]


Zegelafdruk van het wapen,
gemaakt met behulp van een
zegelring afkomstig van Adolph
Meinhard  Knottnerus (1875-1940)
(Dick Knottnerus, 1976)

 

In 1820 zette de oudste zoon van Johannes, Wesselius Brons Knottnerus, de verhalen van zijn vader en diens beide broers op papier. Er bestond ook een Duitstalige versie, die via een achterkleindochter van Wesselius Brons, Adele Wannschaff geboren Knottnerus uit Hameln is overgeleverd. Zij vervaardigde in 1934 te Celle een afschrift voor Piet Fehmers.[343] Wesselius Brons was vermoedelijk degene die het familiewapen op de grafzerk aan de vergetelheid ontrukte en ervoor zorgde dat zijn vader en diens broers het dit wapen op hun graf kregen. Op het grafmonument van Samuel Johannes uit 1822 en de grafstenen van zijn broers Johannes jr. en Edzard uit 1835 en 1844 werd het oorspronkelijke wapenschild aangebracht zoals dat op de grafzerk uit 1684 in Greetsiel te zien was.[344] Wesselius noemde zijn oudste zoon in 1843 Johannes Michaelis Palatinus (= uit de Palts), naar het voorbeeld van de stamvader, die in zijn grafschrift als balling uit de Palts (exul palatinus) wordt aangeduid.

Familiewapen Knottnerus op grafzerken te Oostwold, algemene
begraafplaats, 1976. Rechts de grafzerk van Otto Samuels Knottnerus
(1830-1905). Dit wapen sierde ook de zerk van zijn echtgenote Klasiena
Kranenborg (1832-1906). Beide zerken zijn omstreeks 2005 geruimd.
Links de zerk van zijn jongste broer Cornelius Samuels Knottnerus
(1850-1938)
(Foto O.S. Knottnerus)

De contacten tussen de Nederlandse en Duitse takken van de familie verwaterden in de loop der tijd. Ivo Gaukes sr. ging daarom eind negentiende eeuw op zoek naar zijn laatste neven en nichten. Hij bezocht onder andere een verre neef die op een boerderij in de Krummhörn woonde, bekeek de grafzerk met het wapen in Greetsiel en kwam tevens in het bezit van het familiekroniekje.[345] Het is niet duidelijk of hij het wapen dat ook het graf van zijn grootvader sierde al kende. De predikant schijnt niettemin een van de eersten te zijn geweest die een zegelring met het wapen liet maken. Van Epen geeft in 1897 een beschrijving van het wapen, waarbij het helmteken afwijkt van de oudere voorbeelden:

Het door deze familie gevoerde wapen is als volgt: In blauw een omgewende zilveren duif, een olijítakje van hetzelfde in den snavel en geplaatst op een heuveltje van natuurlijke kleur. Helm gekroond. Helmteeken: de duif, op het heuveltje, omgewend met het olijftakje in den snavel.[346]

Daarna werd het wapen steeds vaker gebruikt, met name in de vorm van graftekens en zegelringen. De website van de familiestichting meldt:

Een kleine rondgang langs de familie leert evenwel dat er vele varianten hierop in omloop zijn. Er zijn duiven die naar links kijken of hun kopje hebben omgewend alsook duiven die bezig zijn hun vleugels uit te slaan. De duiven hebben wel in alle gevallen een olijftakje in hun snavel.[347]

 Tekening van
onbekende herkomst

(www.knottnerus.org)

 

Uit: Sibbekunde 1944

(www.knottnerus.org)

 

Er zijn minstens vijf versies van het wapen bekend: het volledige wapen met helmteken zoals afgebeeld op de grafzerk uit 1684, een versimpelde versie zonder helmteken, een heraldisch gecorrigeerde versie en twee versies waarbij de duif het hoofd in tegengestelde richting draait. Deze laatste varianten zijn vermoedelijk in 1944 bedacht door de genealoog F.R. Elema Gzn. uit Haren, die meende dat de boerenfamilie niet gerechtigd was tot het voeren van het oorspronkelijke wapen, omdat dit zijns inziens uitsluitend in de mannelijke lijn diende te worden doorgegeven.[348] De gecorrigeerde versie werd werd in 1972 ontworpen door Karel van den Sigtenhorst op verzoek van Lee en Carl Knottnerus. Er zijn, zoals we zagen, redenen om aan te nemen dat hiermee onrecht wordt gedaan aan de bedoeling van het oorspronkelijke wapen.


Zegelontwerp voor
O. Knottnerus Czn. te Nieuw-
Scheemda, door hofjuwelier
 H.E. Oving Bzn. te Groningen, 1906
(Familiearchief O.S. Knottnerus,
Scheemda)

 

Bij de familieleden uit Oostwold raakte het originele wapen in zwang, vermoedelijk het eerst op de grafzerk van Otto (Samuels) Knottnerus uit 1905. Schoonzoon Otto Knotnerus Czn. te Nieuw-Scheemda had bij een verbouwing een jaar eerder een gipsplaquette in zijn woning aanbrengen. In 1906 bestelde hij een of meer zegelringen bij Hofjuwelier H.E. Oving Ezn. in Groningen. Het motto Consumor aliis serviendo raakte tegelijkertijd wijder bekend. Naar aanleiding van de groeiende belangstelling werd het grafmonument van Johannes Michaelis te Greetsiel kort na 1900 vanuit het koor van de kerk verplaatst naar een ‘beter beschermde plek’ bij de kansel.[349]

Het domineesgeslacht en de verschillende takken van de boerenfamilie vonden elkaar vooral in aanhankelijkheid aan het koningshuis, gehechtheid aan de hervormde orthodoxie en betrekkenheid bij het Réveil, de internationale opleving van het calvinistische denken in de negentiende eeuw. Ivo Gaukes sr. heeft waarschijnlijk als eerste het contact gelegd met zijn naamgenoten in het Oldambt, wellicht via de evangelist Theodorus Kousbroek, die eerder in Oostwold had gewerkt en in 1882 door hem naar Den Haag werd gehaald.[350] Ook over kerkelijke zaken wisselde men soms van gedachten. Klaas Otto of anders diens zoon Otto vroegen de Haagse predikant om advies te krijgen ten tijde van de Doleantie.[351] De zoon Ivo Gaukes jr. bezocht op zijn beurt weer Otto Samuel Knottnerus in Rotterdam.[352]

 

Ivo Gaukes Knottnerus sr.
 (1840-1917). Foto door Adolphe Zimmermans, 1896
(RKD, Collectie Iconografisch Bureau, Den Haag)

Ivo Gaukes Knottners sr. gaf in 1897 opdracht tot het eerste genealogische onderzoek. In de stamboom die de gerenommeerde genealoog Didericus van Epen (1868-1930) uit Den Haag voor zijn stadsgenoot  opstelde, kwam de Oldambtster tak nog niet voor.[353] Wel schijnt men daarvoor al gegevens te hebben verzameld: zo ontvingen de erfgenamen van familieoudste Samuel Ottes (1805-1895) te Oostwold een vragenlijst van een niet nader vermelde afzender, die door de zoon Otto Samuels vermoedelijk nog hetzelfde jaar werd beantwoord.[354] Volgens overleveringen hadden de Oldambtsters een eigen boek met familieaantekeningen, dat ooit – na te zijn uitgeleend – bij een brand verloren was gegaan. De Oost-Friese traditie bood hier een welkome aanvulling. Hier was het de familieoudste Johannes Michaelis (1824-1898) te Hameln die zo goed en kwaad als het ging de vragen beantwoordde.[355] Hoe weinig men nog over de voorgeschiedenis wist, blijkt wel uit een opmerking van de protestantse dialectoloog Johan Winkler in zijn boek over de Nederlandsche geslachtsnamen uit 1885: “Knottnerus schijnt mij een verlatijnsching van eenen oorspronkelijk hoogduitschen geslachtsnaam”.[356] Ook over de verwantschap tussen de Friese en de Groningse tak tastte men aanvankelijk in het duister.

Pas in de uitgave van het Nederland’s Patriciaat uit 1951 en de verschillende versies van de genealogie van mr. dr. Jacoba Otteline (Cootje) Blomhert-Knottnerus (1889-1989) in de jaren 1949 tot 1979 was dat anders. Hier kwam voor het eerst de vroegste geschiedenis van de familie aan bod. In deze publicatie kreeg ook de Groningse tak een plek, niet als deel van dezelfde familie maar volgens de officiële regels van de genealogie als een afzonderlijk geslacht.

 

De opname van beide families in het ‘Blauwe Boekje’ onderstreepte de gedachte dat de voorouders altijd al bij burgerlijke elite van Nederland hadden gehoord. Het voorwerk daarvoor was onder andere gedaan door dr. ir. P.G.F. (Piet) Tilmann Fehmers (1886-1962) en mr. dr. Aaldrik Hooite Stikker (1892-1965).[357] Stikker kwam er – met behulp van het Finsterwolder kerkarchief - achter dat de Groningse tak afstamde van ds. Samuel Knottnerus; hij publiceerde zijn bevindingen in 1937. Fehmers was degene die vier jaar eerder ontdekte dat het voorgeslacht uit Eger stamde. Hij correspondeerde vanaf 1933 met de pastoor van Gnadenberg, de stadsarchivaris van Eger en later ook met de bejaarde Oost-Friese publicist Wilhelm Itzen (1861-1946), oud-burgemeester van Weener. Itzen schreef op zijn beurt eveneens brieven naar Eger, dat inmiddels was ingelijfd bij het Derde Rijk. Dit gegeven paste uitstekend in het orthodoxe familieverhaal: wat was er nu mooier dan de veronderstelling dat stamvader afkomstig was uit de beweging van de Tsjechische hervormer Johannes Hus?

Kort na de Tweede Wereldoorlog verzamelde de sociaalgeograaf Reinout Bina (Riep) Knottnerus (1918-2012) als eerste familielid eigenhandig gegevens in Oost-Friesland, Beieren en Tsjechië. Tenslotte zorgde het echtpaar Johannes-Vienne Smidt en Erica Smidt-Oberdieck (1969) alsmede ds. Simon Leonard (Lee) Knottnerus (1914-1987) in een serie publicaties uit de jaren 1978 tot 1985 ervoor dat ook de ontbrekende delen van de Oost-Friese tak systematisch in kaart werden gebracht.

Familiereünie te Paterswolde, 1964
(www.knottnerus.org)

 

Er niet veel bekend over het allereerste stamboomonderzoek, toch kunnen we er van uit gaan dat de predikanten daarbij voorop liepen. Zij hielpen ook mee bij het organiseren van de eerste familiereünies die vanaf 1962 om de paar jaar werden gehouden. Mede doordat de meeste familieleden uit hetzelfde rechtzinnige en veelal christelijk-historische milieu kwamen, werden deze bijeenkomsten al snel een succes. Tijdens een tweedaagse bijeenkomst te Paterswolde mei 1964 werd een uitstapje naar Greetsiel gemaakt, waar het gezelschap een zondagse kerkdienst onder leiding van ds. Lübbo Akkermann bijwoonde. De roerige jaren zestig waren in de burgerlijke atmosfeer waarin de deelnemers zich veilig waanden, nog maar nauwelijks begonnen. Tijdens het diner werd een tafellied gezongen dat begon met een couplet voor de mannen:

Apotheker, burgemeester,

landbouwkundig ingenieur,

ambtenaren van het rijk.

teller van het aardse slijk.

boeken makend van een schrijver,

staande voor een klas, vol ijver,

wonend in een pastorie.

zittend op de boerderie,

in het eigen land gebleven,

of gereisd naar verre dreven,

is dat alles bij elkaar

niet een grote Knottenschaar?

Daarop zongen de vrouwen met een kwinkslag: “ja, dat is ons bestaan, alleen voor KNOT-jes zorgen, ach mensen, wat een baan”. Waarop de mannen weer repliceerden: “Wij zijn van de familie van één of dubbel T, maar zonder thee der vrouwen viel ’t leven ok niet mee (bis)”.[358]

In 2010 stond de teller inmiddels op negentien bijeenkomsten. In 1984 kwam het eerste nummer van het periodiek ’t Knottekistje uit. Op initiatief van Titia (1924) werd vervolgens in 1991 de ‘Stichting Familie Knottnerus’ opgericht; het blaadje verscheen voortaan jaarlijks. Nico (1940) nam vanaf 1994 het voortouw in de ‘Commissie Genealogie’ die twee jaar later met een eerste publicatie kwam. De genealogie werd in 2003 en 2013 vernieuwd en aangevuld; dankzij het internet werd het ook mogelijk de ontbrekende Duitse en Amerikaanse takken in de stamboom te integreren. Inmiddels hebben volgende generaties ook op deze vlakken de fakkel overgenomen.

Genealogie Knottnerus,
te bestellen bij
Stichting Familie Knottnerus
www.knottnerus.org

 

Met het uiteenvallen van de protestantse orthodoxie en de democratisering van de samenleving verloren ook de oude familiemythes hun vanzelfsprekende zeggingskracht. De overlevering kreeg een nieuwe wending. Romanschrijver George geeft bijvoorbeeld in een interview in januari 2017 een eigentijdse versie van het verhaal over de ‘roots’ van de familie:

Een oom heeft het eens helemaal uitgezocht. Ruim vier eeuwen geleden leefde onze voorouders in de grensstreek van Duitsland en Tsjechië. Ze waren nettenknopers en bomenknotters. Vandaar hun achternaam Knöttner. Maar ze waren niet Rooms maar protestants. Dus werden ze door de Roomsen vervolgd als ketters. Ze vluchtten naar het meest protestante plekje in Europa, te weten Noord Nederland. Daar werden ze boer of dominee. In de tijd dat dit sjiek was latiniseerden ze hun achternaam tot Knöttnerus. De umlaut ging ergens in de 18e eeuw verloren, vermoedelijk door een slordigheidje bij een geboorte aangifte.[359]

Zo gaat ook de geschiedenis verder. Eén conclusie valt wel te trekken: DE familie Knot(t)nerus bestaat niet. En hij heeft wellicht ook nooit bestaan. Wel waren er in de loop der tijden heel wat families met deze naam, die telkens weer nieuwsgierigheid waren naar andere naamgenoten.

Otto Samuel Knottnerus (Nieuw-Scheemda 1959) is een telg uit de Oldambtster tak van de familie. Hij heeft zich van zijn dertiende tot zijn twintigste met stambomen en kwartierstaten bezig gehouden.
De foto’s van familieleden en van het familiewapen zijn (voor zover niet nader verantwoord) ontleend aan de website van de Stichting Familie Knottnerus: http://www.knottnerus.org/. Een eerste versie verscheen in: ‘t Knottenkistje – Contactorgaan van de familie Knot(t)nerus nr. 8 (2000) en 9 (2001), bijgewerkt en gepubliceerd als internetpublicatie in oktober 2006 onder de titel ‘Knot(t)nerus – een familie van predikanten, boeren, burgers en buitenlui’.

 

Schema: predikanten per generatie

Met een overzicht van het gebruik van de naam Knot(t)nerus als voornaam en in dubbele achternamen.

I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI

XII

Johann KNÖTTNER

of

KNÖTTNERUS

Johann Michaelis KNÖTTNERUS

Johann Friedrich
KNOTTNERUS

Samuel

Johannes sr.

Johannes jr.

Adolph Meinhard

 

FRIESE TAK

Johannes* †

 

 

 

 

 

Ubbo

Adolph Meinhard

 

 

 

NAKOMELINGEN FRIESE TAK

Edzard

Adolph Meinhard (Dolph)

 

 

 

Bauke Rommert

Adolph Meinhard (Dolph)

Catharina W. (Cathy)

Edzard, Huib, Arnold

 

Albert Herman (Ab)

 

 

Jacob

 

 

 

Hillrich

Hendrik Johannes

Hendrik Johannes (Harry)

 

 

Ivo Gaukes sr.

Johanna Wilhelmina

 

 

 

Adolph Meinhard Carl Gustav

 

 

Ivo Gaukes jr.

Simon Leonhard (Lee)

 

 

Titia

 

 

Leendert Nicolaas Johannes

 George Ivo Mari (Gim)

 

 

Jan George

Johannes Ivo Jacobus (Hans)

 

Reinaut Bina (Riep)

 

 

Bartholomeus Johannes (Bart)

 

 

Lodewijk Frederik Arie

Jacobus Johannes (Hans)

Nicolaas

 

 

 

Wesselius Brons

Johannes Michaelis Palatinus*

† 1890

 

 

 

Johannes Michaelis sr.*

Johannes Michaelis jr.

Ernst &
Adolph

KNOTTNERUS IN VS

 

 

Johann Gerhard

Adolph

Edzard Samuel

John Michaelis (Johmes) & Henry

Carl & August Heinrich & Ivo Gaukes*

OOST-FRIESLAND
† 1919

 

 

 

 

 

Samuel Johannes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Edzard

 

 

 

 

 

Anna x Lambertus HOISINGH PENON

Johannes Michaelis Knottnerus
PENON*

Habbina x HOLTKAMP

Anna Knotnerus Holtkamp x WÜBBENA

Annäus Knotnerus
WÜBBENA

 

 

Hindrik Hemmes

Anna Kamminga x Tjarko MEYER

Hinricus KNOTTNERUS MEYER

Hinricus Knottnerus MEYER

Peter Cornelius MEYER

Christine x JANSSEN

Henrikus Knottnerus JANSSEN

 

Hinrikus Knottnerus MEYER

 

 

Ubbo Tiden Knottnerus MEYER

 

Hinrikus Knottnerus MEYER

 

Geelkelina x HOBBING

Hinricus Knottnerus
HOBBING

Jan KNOTTNERUS-MEYER x Anna Camminga Knottnerus APPELKAMP

Henricus (Heinrich)

Ernst Friedrich

 

KNOTTNERUS-MEYER IN NOORD-DUITSLAND

Bernhard August

Hermann & Theodor*

Johann Henricus

Heinrich

 

 

Ida x Albert D. CRAMER

Samuel Knottnerus CRAMER

Knottnerus CRAMER

 

 

 

 

 

Gezijna Knottnerus MEYER x APPELKAMP

Anna & Peter Wilhelm Knottnerus APPELKAMP

 

 

 

 

 

 

Cornelius

 

 

 

 

 

Diewertje x Jan Jans SAND sr.

Samuel Jans KNOTTNERUS

 

KNOTTNERUS -
OLDAMBTSTER TAK
(2e GESLACHT)

Jan Samuels Sant KNOTTNERUS

Samuel Jans Zand

KNOT(T)NERUS

Jan KNOTNERUS

Jan & Hendrik Jan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OLDAMBTSTER TAK
(2e GESLACHT
)

Samuel KNOTTNERUS

Samuel, Harbert & Jan

 

 

Otto Samuels

Samuel Ottes

Otto (Samuels)

 

 

 

Cornelius Samuels (Knelis)

Samuel Otto (Sam)

Sieto & Kees

Klaas Ottes

Otto Kzn.

Derk Jan

Otto

Ties Siebolt KNOTNERUS

Klaas Otto
KNOTNERUS