Predikers op boerengrond

Een geschiedenis van de familie Knot(t)nerus

 

1.      Oorsprong in Eger

2.      Verklaring van de naam

3.      Via Neurenberg naar de Opper-Palts

4.      Ballingschap

5.      Oost-Friesland

6.      Onder alchemisten (Den Haag)

7.      De duif als mystiek symbool

8.      Derde generatie

9.      Voluit orthodox

10.  Opkomend piëtisme in het Rheiderland

11.  Boerentrots in het Oldambt

12.  Oostwold – Kanaän der Pastoren

13.  Van Réveil tot stammenstrijd

14.  Orthodoxe netwerken

15.  Verwikkelingen rond de ‘derde tak’

16.  Zeven boerengeslachten

17.  Knotnerus of Knottnerus?




Otto S. Knottnerus

Haren/Scheemda, versie 16 mei 2017
Let op: er komen ongetwijfeld verdere
aanvullingen en correcties!

Consumor aliis serviendo

 

18.  De naam verschillend uitgesproken

19.  Predikantendynastie

20.  Friesland als tussenstop

21.  Uitgezwermd over Nederland (en elders)

22.  Knottnerus in de populaire cultuur

23.  Ge(re)construeerde familiebanden

 

Schema: twaalf generaties predikanten

Schema: zeven boerengeslachten

Tabel 1: families Knotterus, Derksema en Mellema

Tabel 2: families Knottnerus en Hovinga

Tabel 3: Knot(t)nerus in Groningen

Tabel 4: één of twee t’s

Tabel 5: Knot(t)nerus in aantallen

      Literatuur over de familie

      Noten

 

Contact: ottoknot(at)xs4all.nl

Leden van de familie Knot(t)nerus zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten: van vrijdenker, vrijmetselaar en boeddhist tot gereformeerd, doopsgezind, luthers, oudkatholiek en baptist. Toch is de familiegeschiedenis nauw verbonden met de hervormde, of zoals men vroeger zei: de gereformeerde orthodoxie. De hervormde predikanten nemen, hoewel hun aantal altijd beperkt is gebleven, een centrale plaats in de familiestamboom in. Ook de boerentak van de familie, die garant stond voor een flinke eigen inbreng, heeft zich altijd aan het verhaal van de predikanten gespiegeld. In een groot deel van deze familiegeschiedenis staan daarom de predikanten centraal. De namen van de predikanten uit de familie Knot(t)nerus zijn vetgedrukt; daaromheen ontvouwt zich de historie van het geslacht Knot(t)nerus in al zijn schakeringen.

Twaalf generaties predikanten en zeven boerengeslachten kenmerken deze familiegeschiedenis. Eigenlijk is er sprake van twee families: een domineesgeslacht Knottnerus en een boerengeslacht Knot(t)nerus dat afstamt van een domineesdochter.[1] Herenboeren en predikanten hadden elkaar tot op zekere hoogte nodig. De dominee was afhankelijk van de opbrengst van het land. Bij iedere dorpspastorie hoorden vroeger akkers en weilanden en de bewoner was het aan zijn stand verplicht enig personeel te houden. Slaagde een predikant er niet in goede huwelijkspartners voor zijn kinderen te vinden, dan raakten zijn nakomelingen aan lager wal of bleven de dochters ongehuwd. Omgekeerd teerden de boeren op het prestige van de orthodoxe predikanten. Beide families vonden elkaar rond 1900 in hun gedeelde christelijk-conservatieve overtuiging. Liefde voor het koningshuis, gehechtheid aan traditionele waarden en sociale betrokkenheid gaven vele raakvlakken. De Duitse tak ging daarentegen zijn eigen weg.

Aan de basis van de familietraditie ligt het relaas van drie broers uit de omgeving van Neurenberg die tijdens de Dertigjarige Oorlog naar het noorden trokken. De oudste vestigde zich als lakenverver in Den Haag, de tweede kwam als officier naar Westfalen, de derde werd predikant in de Krummhörn bij Emden. De laatste creëerde een mythische vertelling die later door een van zijn nakomelingen werd opgetekend.

Aan het begin van het boerengeslacht staat de vrome domineesdochter die een boerderij in Finsterwolde erfde. Het tweede deel van deze bijdrage concentreert zich daarom op haar nakomelingen in het Oldambt, die de orthodoxe traditie op een geheel eigen wijze voortzetten. Het derde deel gaat verder met het domineesgeslacht, dat zich in 1830 in Friesland vestigde en van daaruit over Nederland verspreid raakte.

Wat vooral opvalt zijn de lange lijnen: een belangrijk thema blijft door de eeuwen heen een duidelijke ‘irenische’ betrokkenheid – de wens om sociale en religieuze tegenstellingen te overbruggen en handelend dienstbaar te zijn. Het zeventiende-eeuwse familiewapen met de vredesduif, rond 1900 opnieuw ontdekt, kan gelden als symbool daarvoor. Tegelijkertijd staat deze duif voor de mystieke weg naar binnen, die telkens nieuwe vormen aannam, variërend van alchemistische bevlogenheid en piëtistische bekeringsdrift tot negentiende-eeuwse opwekkingsbewegingen en hedendaagse mystiek. Oprechte naastenliefde en bevlogen zendingdrang, filantropie, kerkpolitiek en letterwijsheid wisselden elkaar af. De weg liep van Comenius tot Schortinghuis, van het Réveil tot aan de Doorbraak, en daaraan voorbij.

Deze grondig herschreven bijdrage gaat op zoek naar de vroegste geschiedenis van de familie, naar de mythes die men over zichzelf vertelde en ook naar de verhalen die men niet heeft doorverteld.


Cheb (Eger) in 1572
(naar Braun & Hohenberg)

 

 

1. Oorsprong in Eger


Verbreiding van de naam Knöttner
in Duitsland: aantal
telefoonaansluitingen in 2008
(verwandt.de)

 

Stamvader Johannes Knöttnerus (1576?-na 1632) oftewel Johann Knöttner kwam uit de luthersgezinde vrije rijksstad Eger (nu: Cheb) in het Duitstalige deel van Bohemen (Tsjechië). Nog in 1910 sprak een derde deel van de bevolking in Bohemen Duits. Het Egerland was nog niet zo lang protestant. Tijdens de Hussietenoorlogen in de vijftiende eeuw had de inwoners zich uitdrukkelijk tegen de Tsjechische protestbeweging van de theoloog Johannes Hus gekeerd. En daarna duurde het nog tot 1564 voordat de nieuwe leer volledig werd aanvaard.[2]

In Eger wordt de naam Knöttner, Knottner of Knettner (soms ook Knothner, Knödter, Knother, Knöder, Cnot) vanaf het midden van de vijftiende eeuw vermeld, met voornamen als Nikell, Hans en Ventzel. De eerste die genoemd wordt is een weduwe Knötterin in 1440. In de directe omgeving word de naam Knötner in 1392 vermeld. Het adresboek van de stad noemt nog in 1943 Josef en Sigismund Knöttner, de eerste invalide, de ander bejaard.[3] In Eger zelf is de familie inmiddels uitgestorven, maar de naam Knöttner (dan wel Knöttnerová) komt in de omgeving nog sporadisch voor. Ook in Praag woonden vroeger enkele naamgenoten: Josef Knöttner was in 1847 een der wachters van de Praagse Burcht.[4] Het verst gaat de naam terug in de stad Brno (Moravië): er is een veertiende-eeuws testament van een zekere Otto Knettner bewaard gebleven. Daarbij werd ook de Latijnse vorm gebruikt: zijn nalatenschap wordt betiteld als relicta Knethneria of Knechneri.[5]


De namen Knöttner, Knottner, Kneitner
 en Knajtner zijn nog altijd wijd verbreid.
Johannes Baptist Knottner (1861-1910)
 was pastoor te Santa Valburga-Ultimo,
 Zuid-Tirol (Alto Adige), Italië
(sterbebilder.schwemberger.at )

 

In Midden- en Zuid-Duitsland (met name in Beieren) is de naam Knöttner daarentegen wijd verbreid; het gaat om zo’n zeventig tot negentig personen met het zwaartepunt in Forchheim bij Bamberg; een belangrijk deel van hen stamt vermoedelijk af van gevluchte Sudentenduitsers uit Tsjechië. In de Verenigde Staten vinden we hun verwanten vooral aan de oostkust. Ook de kleine Oostenrijkste tak van de familie is vermoedelijk afkomstig uit Eger; een afstammeling was kennelijk de negentiende-eeuwse districtsarts dr. Johann Knöttner (ov. 1877), eerst te Zhydachiv in Galicië, later te Suceava in de Boekovina (nu Roemenië). Zijn zoon Leon Knöttner opende in 1891 een apotheek in Rudnik nad Sanem (Galicië).[6] De chemisch-ingenieur Friedrich Knöttner was tijdens de Eerste Wereldoorlog verbonden aan de Weense gasfabriek.[7] Daarnaast vinden we de Duitstalige families Kneitner in Hongarije, Knajtner in Servië (in de Hongaarse enclave Vojvodina), Knottner in Noord-Italië (Zuid-Tirool), Knettner in Moravië (Brno) en de zeldzame varianten Knotner, Knaitner, Knejtner, Knoden(n)er, Knit(t)ner, Cnet(t)ner, Knat(t)ner, Cnat(t)ner, Kneut(t)ner, Knut(t)ner, Knüt(t)ner, Knötger, Knet(t)ger, Knut(t)ger, Gnatner, Gnot(t)ner, Gnit(t)ner, Gnet(t)ner en dergelijke in Tsjechië, Zuid-Duitsland, Polen, Canada en de Verenigde Staten.[8] Zo werd David Knottner (1857-1934) te Gröden (Valle Gardena) bekend als altaarbouwer en beeldhouwer.[9] Latijnse naamsvormen komen vrijwel niet voor.


Hongaars zigeunerorkest te Noordwijk, 1923, vermoedelijk Bèla Ruhà

(Youtube: Noordwijk in 1923)

 

Een bijzonder geval betrof de 38-jarige Hongaarse musicus József Knöttner of Kneitner uit Debrecen, die zich in 1926 tijdelijk in Den Haag vestigde. Bij de burgerlijke stand liet hij zich inschrijven als Jossef Knottnerus. Hij was zoals de meeste inwoners van zijn geboortestad calvinist en werd dan ook ingeboekt als ‘Nederlandsch Hervormd’. Vermoedelijk speelde hij in een van de populaire zigeunerorkesten die dagelijks optraden in het Kurhaus, Des Indes en andere uitgaansgelegenheiden.[10]

De vader van Johannes Knöttner was mogelijk raadsheer en stadsrechter Georg Knöttner alias Jorg Knett[n]er (ov. 1608). Onder deze naam wordt ook een pelswerker vermeld; wellicht gaat het om dezelfde persoon. Van 1566 tot 1576 werden in Eger vijf jongetjes met de naam Hans Knettner gedoopt; de namen van de ouders werden echter niet genoteerd, zodat het spoor doodloopt.[11] In de verwantenkring bevonden zich wellicht meerdere geestelijken. Een zekere Johann Knottner was vanaf 1553 luthers predikant te Opava (Troppau) in Silezië en daarna predikant en cantor (voorzanger annex leraar aan de Latijnse school) te Chomutov (Komotau) aan de rand van het Ertsgebergte in Bohemen.[12] De lutheraan Michael Knött(n)er (ov. 1561) was deken in het Beierse marktplaatsje Weiltingen.[13] Sebastian Knöttner was in 1527 pastoor in het lutherse Vogtland, niet ver van Eger.[14] Een vooraanstaand geestelijke uit Eger was verder Paul Knod (ov. 1545, ook Knodt, Knothe), kapelmeester aan het Saksische hof en medestander van Maarten Luther. Later was hij als secretaris verantwoordelijk voor de kerkvisitaties in Saksen.[15] Misschien behoorde de wijnhandelaar Niclas Knöttner te Leipzig tot zijn nakomelingen; van diens dochter Magdalena (1602-1631), gehuwd met een notaris, is de rouwpredikatie bewaard gebleven.[16]

Een deel van de familie Knöttner is later – net als de overige inwoners van Eger - weer katholiek geworden. Voorjaar 1626 werd terugkeer tot de katholieke kerk officieel verplicht gesteld; drie jaar later werden protestantse erediensten verboden, waarna meer dan 140 gezinnen de stad verlieten. De Jezuïeten die toezicht moesten houden op de bekering, ondervonden desondanks veel tegenstand. Heel wat lutherse inwoners hoopten nog steeds op een protestantse overwinning. Na afloop van de oorlog werd de druk verder opgevoerd, zodat er in 1654 geen enkele protestant meer te vinden was.[17] Onder de inwoners wordt in 1637 de vishandelaar Nicolaus Knöttner genoemd, later nog Christoph, Johan Adam en Georg Caspar Knöttner. In het Franciscanerklooster woonden in 1720 de paters Antonius en Ambrosius Knöttner.[18] Mogelijk zijn enkele familieleden echter protestants gebleven en naar Oost-Hongarije (Debrecen) of Roemenië (Transsylvanië) uitgeweken, waar onder Gabriël Bethlen een calvinistisch vorstendom was ontstaan.


 (namenskarten.lima-city.at)


Verwante namen in Oostenrijk, Italië, Tsjechië, Hongarije en Servië
(namespedia.com)


(
KdeJsme.cz)


(PublicProvider Worldnames)



(Terug naar boven)

 

2. Verklaring van de naam


Deze kaart van overwegend Duitstalige (roze) en
overwegend Tsjechische gebieden (groen) rond 1880 laat
zien hoezeer Eger (Cheb) tot 1945 midden in het
Duitstalige gebied lag
(wikimedia)

 

De naam Knöttner betekent in Zuid-Duitse dialecten ‘bewoner van een (bultige) rotspunt’. Dat laat ook de duif op de rots in het familiewapen zien. Zo staat het al in het grote handboek van de Duitse naamkundige Max Gottschald uit 1932.[19]

In Hessen komen Am Knötner en Knoden-Acker voor als perceelsnamen. Er bestaat bovendien een dorpje Knoden bij de Knodener Kopf in het Odenwald (Hessen).[20] De Knötel, Knödlberg of Knötler Berg gaf zijn naam aan een belangrijk mijnbouwdistrict in het Ertsgebergte bij Krupka (Graupen), waar al sinds de middeleeuwen tinerts werd gewonnen; de ronde brokken roodbruin erts uit deze streek werden mede daarom knötel genoemd.[21] De Tiroler variant van het woord voor rotspunt is Knott, Knettl of Kneutlar, waaruit de familienaam Knottner (1572) en de boerderijnamen ‘Knotthof’ (1572) en ‘Knotnerguet’ (1740) worden afgeleid.[22] De naam Knotner met één ‘t’ zou daarentegen zijn afgeleid van knoten of knot ‘bundel, knoop’. Hij komt in de grensstreek van Bohemen (ook wel Sudeten-Duitsland genoemd) tenminste sinds 1395 voor.[23] Deze beide vormen zijn desondanks etymologisch nauw verwant. Het bekende woordenboek van de gebroeders Grimm geeft daarnaast de woorden knot(t)er voor ‘capucijnermonnik die een geknoopt touw om zijn lichaam heeft gebonden’ en knotterer voor ‘brombeer’ of ‘knorrepot’; ook de dialectvorm knötterer is wijd verbreid. In het Oostenrijkse Bargoens (dieventaal) staat dit laatste woord voor ‘ruziezoeker’.[24] Dat de naam ontleend zou zijn aan het Slavische woord knot voor ‘lont’ is minder waarschijnlijk, omdat de hele Boheemse grensstreek vanouds Duitstalig was.


Knodener Kopf (Odenwald)
(
mtb-news.de)

 

Volgens de naamkundige Jürgen Udolph zijn al deze woorden afgeleid van het Middelhoogduitse woord knode of knote. Dit in de betekenis van ‘natuurlijke knoop aan het menselijk lichaam, aan planten’ of ‘kunstmatige knoop aan een draad of een snoer’. Daaruit ontwikkelde zich de vroegmoderne betekenis ‘knoop, knop, knokkel, uitstekend bot’, dan wel ‘tumor, zwelling, uitgroeisel’, later ook gebruikt voor ‘knobbels aan bomen, stommels, stokken’ en dergelijke. Overgebracht op mensen betekende dit dan weer ‘ruwe, plompe kerel, klungel’ of ook wel ‘bobbelig, dik persoon’. “Er bestaan verbazend veel familienamen met een dergelijke betekenis”, benadrukt Udolph, vaak beginnen ze met kn-, zoals Knauth, Knöner, Knodel, Knott, Knuth, Knoffel, Knotz, Knorr of Knüttel.[25] In het Nederlands en Nederduits bestaan verwante woorden als knot, knoet, knoden, knütte of knoedel voor ‘kluwen, klomp, knoop’ (vandaar het Nederduitse werkwoord knütten ‘vaststrikken, knopen’), verder de verkleinvorm knobbel voor ‘verdikking, verhevenheid’ en het afgeleide scheldwoord knoet voor ‘boerenpummel’. Een Nederlandse familienaam met deze stam is Knotter, gelatiniseerd tot Knotterus of Cnotterus.[26]

De uitgang –er of –ner verbindt deze stam met een beroepsgroep of een woonplek. Van daar de betekenis ‘bewoner van een knobbel’. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In Noord-Duitsland en Polen komt de naam Knitter, Knütter of Knetter vaak voor, soms ook Knüttener of Knütger, afgeleid van het werkwoord knütten ‘knopen, breien’ en verwant met het Engelse to knit.[27] Vergelijkbaar zijn de vormen Kneter, Knätter of Knöder voor ‘iemand die brood kneedt’; ook deze vorm werd soms geschreven als Knöttner, zoals blijkt uit een voorbeeld uit Thüringen in 1597.[28] De Noord-Duitse naam Knöner, afgeleid van Knödner en Knödener, zou daarentegen weer direct naar de lichaamsvormen verwijzen. Een zekere Johan Cnodner wordt in 1285 genoemd als burger van Keulen.[29] In de Moezelstreek betekende het woord Knödener in de late middeleeuwen iets in de trant van ‘keuterboer’, wellicht eveneens verwijzend naar diens hoge woonplaats.[30]

(Terug naar boven)

 

3. Via Neurenberg naar de Opper-Palts


 Academie te Altdorf bij Neurenberg (1714)

 

Johann Knöttner studeerde in elk geval vanaf 1598 aan de lutherse hogeschool van Altdorf, gesticht in 1575 op het grondgebied van de vrije rijksstad Neurenberg.[31] Hij promoveerde in augustus 1601 bij de jonge filosoof Michael Piccart (1574-1620); zijn dissertatie werd bij een uitgever te Neurenberg gedrukt en later nog eens opgenomen in een verzamelbundel.[32] Daarna werkte hij waarschijnlijk als huisonderwijzer voor een vooraanstaande familie in Neurenberg of Altdorf.[33] Het archief van de evangelische kerk in Beieren heeft zes boeken met zijn eigendomsmerk Ex libris Iohannes Knöttneri Egr[anus] en twee met Ex libris Joh. Knötnerij Egranij; ook is er een brief bewaard aan de calvinistische theologieprofessor, taalkundige en humanist Albert Szenci Molnár uit Transsylvanië, die hij in 1604 zijn ‘dierbare vriend’ noemt.[34] De stadsbibliotheek van Neurenberg bezit Johans album amicorum (vriendenboek) uit de jaren 1598 tot 1614.[35]

De Latijnse vorm van zijn naam hoort bij de humanistische mode van deze tijd, die vooral aan protestantse universiteiten en hogescholen als Altdorf aansloeg.[36] Door inheemse namen een antiek voorkomen te geven, werd de bewondering die men voor de klassieke oudheid had extra benadrukt. Zelf ondertekende Johann zijn brieven met Johannes Knöttner (soms ook met Knötterer of Knottner), maar in het Latijn werd dat Knöttnerus; beide vormen bleven voorlopig naast elkaar bestaan.

Johann werd gegrepen door het strakke calvinisme. De stadsrepubliek Neurenberg was weliswaar luthers, maar rond 1600 hadden aanhangers van Melanchton en Calvijn er veel invloed. Er bevonden zich bovendien nogal wat Nederlandse kooplieden en handwerkers in de stad, die vasthielden aan hun gereformeerde opvattingen.[37] Pas na een ketterijproces in 1614 tegen een groep socinianen kreeg de lutherse orthodoxie tijdelijk de overhand. Dat lag anders op het omliggende platteland, waar van het begin af aan veel weerstand tegen het calvinisme bestond. De directe omgeving van Neurenberg behoorde tot de Opper-Palts (Oberpfalz), een bergachtig en grotendeels agrarisch gebied met een kwijnende mijnbouwindustrie en zo’n 180.000 inwoners die grotendeels op het platteland of in kleine stadjes leefden. In omvang was het vergelijkbaar met de gecombineerde provincies Gelderland en Utrecht.[38] Het gebied was verbonden met de Keurpalts, een lappendeken van welvarende territoria langs de Rijn met als hoofdstad Heidelberg. De familie van de keurvorst was sinds 1583 (en al eerder van 1567 tot 1577) het calvinisme toegedaan en benoemde waar mogelijk gereformeerde predikanten en schoolmeesters. Het was een klassieke reformatie van bovenaf. Het calvinisme bood de keurvorst vooral een handvat om de bevolking sterker te disciplineren, morele misstanden tegen te gaan en de staatsmacht verder uit te bouwen. Dat leidde uiteraard tot reacties.[39]

In mei 1605 werd Johann aangesteld als eerste calvinistische rector van het lutherse stadsgymnasium te Neumarkt in der Oberpfalz.[40] Het grootste deel van de leerlingen en hun ouders bleef luthers. Nog in 1591/92 vond hier een oproer plaats tegen de godsdienstpolitiek van de regering. Ook later bleef de stad obstinaat en in 1617 liepen de inwoners opnieuw te hoop tegen een pas aangestelde predikant die zijn lutherse collega had bekritiseerd.[41] Maar Johan wist zich goed te handhaven: dankzij zijn tweede huwelijk in 1607 met de 21-jarige Barbara Euvelstätter (1586-na 1626), dochter van de voormalige rentmeester der kloostergoederen ging hij bij de plaatselijke elite horen.


Forsthof te Kastl, rond 1900,
gebouwd kort na 1563 voor
Kaspar Euvelstätter
(
Familiearchief Rudel-Reindl)

 

Barbara’s vader Kaspar Euvelstätter (1529-1599) was oorspronkelijk benedictijner monnik in het klooster Kastl en tevens dorpspastoor te Markt Kastl, later tevens rentmeester van de kloostergoederen en vanaf 1580 ook landschapscommissaris (woordvoerder) van de geestelijke stand in de landdag van de Opper-Palts.[42] Als zodanig was hij een belangrijke vertegenwoordiger van de lutherse keurvorst Lodewijk VI en diens gereformeerde opvolgers. Nadat de regio in 1556 tot het protestantisme overging, kon hij alsnog in het huwelijk treden, eerst met Anna Behemin, daarna Barbara Schmidt uit Amberg, de moeder van zijn kinderen. Volgens latere berichten genoot hij respect omdat hij – in tegenstelling tot zijn opvolgers – de kloostergoederen met succes tegen inhalige beambten beschermde. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan de jongste een jaar voor zijn dood in 1599 werd geboren. Hun grafzerk bevindt zich nu in het portaal van de kerk te Markt Kastl. Dochter Barbara erfde van haar ouders een kwart hoeve in deze plaats.[43]


St. Maria Dolorosa te Hagenhausen
(
FotoStadt Altdorf)

 


Voormalig birgitinessenklooster Gnadenberg in
1687, inmiddels overgenomen door de Orde van
Mariavisitatie (
wikipedia)

 

Twee jaar bleef Johann Knöttner verbonden aan de stadsschool. In oktober 1609 werd hij predikant in de Sint Maartenskerk te Pfaffenhofen bij Markt Kastl, vier jaar later in het grensplaatsje Hagenhausen bij het voormalige Birgittinessenklooster Gnadenberg (1613-1626). Bij zijn proefpredicatie noteerden de toezichthouders dat hij ondanks gebrek aan ervaring vlot en begrijpelijk sprak, zodat men van hem nog veel verwachtte.[44] Aan zijn schoonfamilie zal Johannes Knottnerus het mede te danken hebben gehad dat hij deze kans kreeg. De eerste drie kinderen (Barbara Magdalena, Johann Caspar en Georg Friedrich) kregen namen die vooral aan de familie Euvelstätter waren ontleend. Johann Michael en zijn aan kinderpokken gestorven broertje Johann Jakob werden daarentegen vernoemd naar gereformeerde overheidsvertegenwoordigers.[45] De één was rechter Hans Michael von Loefen (1575-1638) te Gnadenberg, zoon van de geadelde jurist dr. Michael von Loefen, die Kaspar Euvelstätters taken als rentmeester en landschapscommissaris had overgenomen. De vader was bovendien met zijn collega dr. Theophilus Richius betrokken bij een groot mijnbouwproject in het Fichtelgebergte waar ijzererts werd gewonnen.[46] De andere doopgetuige was Johanns jongere medestudent dr. Johann Jacob Heber (ca. 1584-1634), geheimraad en secretaris van de kerkelijke raad van de Opper-Palts, vanaf 1627 een van de sleutelfiguren in een internationaal netwerk dat de calvinistische diaspora vanuit Neurenberg ondersteunde.[47]

Afbeeldingsresultaat voor "Pfaltzgrafen Urlaub"
“De paltsgraaf gaat op vakantie”.
Spotprent op de ballingschap van de Winterkoning
en zijn gezin in 1621.

(wikipedia; Deutsche Digitale Bibliothek)

Drie jaar na het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd de Opper-Palts weer katholiek. De jonge keurvorst Frederik V (1592-1632), een kleinzoon van Willem van Oranje, was in 1619 als leider van de Protestantse Unie gekozen tot koning van Bohemen, maar hij dolf het onderspit in de strijd tegen de katholieke Liga onder leiding van keurvorst Maximiliaan van Beieren. Al na één winter verloor hij Bohemen aan de keizerlijke troepen (vandaar zijn bijnaam de ‘Winterkoning’).[48] Het protestantse leger werd definitief verslagen bij de Slag op de Witte Berg in november 1620. Daarna werd de koning ook uit zijn eigen vorstendommen verjaagd en moest hij naar Holland vluchtten. Al snel trok het nieuwe bewind de touwtjes strakker aan; eerst werden de calvinisten aangepakt, daarna ook de lutheranen. Stamvader Johannes Knöttner werd kort na februari 1626 door de Beierse regering verdreven uit Hagenhausen en vond onderdak in het naburige Altdorf. Hier werd ook zijn jongste dochter geboren. Barbara’s erfdeel en hun andere bezittingen werden in beslag genomen.[49] In het vriendschapsalbum van een Silezische edelman scheef hij twee jaar daarna: “destijds balling van Christus’ wege” (tunc temporis exul Christi).[50] Het aantal gevluchtte predikanten, schoolmeesters en hun gezinsleden dat in Neurenberg verbleef werd in oktober 1629 op maar liefst 750 geschat, waardoor het steeds meer moeite kostte allen van brood en onderdak te voorzien.[51]


 De grens tussen de Opper-Palts en
de vrije rijksstad Neurenberg
liep door Hagenhausen

 

Enkele jaren later trokken Johanns kinderen wegens het oorlogsgeweld naar het noorden. Hun vader leefde net als de meeste andere verjaagde predikanten in armoede, zoals blijkt uit de ondersteuning die hij in 1632 van zijn geloofsgenoten in Wezel ontving.[52] Een deel van zijn boeken moest hij verkopen; een aantal kwam in handen van de koopman Nikolaus Deschauer, een protestantse balling die in 1629 Eger moest ontvluchten.[53] Zijn familieaantekeningen uit de jaren 1607 tot 1625 bleven bewaard tussen zijn andere notities in het kerkenboek van Hagenhausen. Johann had als gereformeerd predikant wel degelijk succes gehad, in elk geval meer zijn meeste collega’s, die er niet in slaagden de lutherse weerstand tegen de nieuwe leer te overwinnen. “In huis en op het erf riekt het naar het calvinisme”, klaagde de jezuïetenpater die terugkeer naar het katholicisme moest stimuleren.[54] De meeste parochianen weigeren zich aanvankelijk te bekeren. Maar uiteindelijk bewerkstelligden militaire strafmaatregelen, hoge boetes en andere vormen van intimidatie dat vrijwel de hele bevolking weer toetrad tot de katholieke kerk. Door wraakacties van Zweedse troepen in 1635 gingen kerk, pastorie en dorpsschool samen met het nabijgelegen klooster Gnadenberg in vlammen op.

(Terug naar boven)

 

4. Ballingschap


Heidelberg in 1645,
kopergravure door Matthäus Merian

 

De beide broers Johann Caspar (1610-1665) en Johann Michael Knöttnerus (1617-1684) werden rond hun tiende jaar ingeschreven als leerlingen van het gymnasium dat was verbonden aan de hogeschool van Altdorf (sinds 1623 een volwaardige universiteit): de eerste in oktober 1619, de tweede in juni 1627.[55] De jongste hoefde geen inschrijfgeld te betalen omdat zijn vader uit de Palts had moeten vluchten. De oorlog schudde hun levens grondig door elkaar; een loopbaan als predikant of arts zat er voorlopig niet in. Michael doorliep ten minste drie klassen; Caspar moest intussen ergens aan de kost komen. Wellicht heeft hij in Neurenberg het vak van lakenverver geleerd dat hij later uitoefende, wellicht heeft hij ook ervaring opgedaan met de mijnbouw. De vrije rijksstad herbergde een omvangrijke textielindustrie die deels terugging op de Nederlandse vluchtelingen uit het begin van de Tachtigjarige Oorlog.[56] De Neurenberger ambachtslieden stonden bekend om hun vakkennis en inventiviteit. De stad gold bovendien als het centrum van de mijnbouwindustrie en metaalhandel in de regio. Een derde broer Georg Friedrich werd vermoedelijk gedwongen dienst te nemen als huursoldaat.[57]


De Opper-Palts in 1618
(
Wikimedia, aangepast)

 

In Altdorf waren de gezinsleden betrekkelijk veilig. Het religieuze klimaat in de stadsstaat was een stuk toleranter geworden sinds men niets meer te vrezen had van de calvinistische buren. Een nieuwe generatie handwerkers en kooplui maakte zich los van de lutherse orthodoxie en eiste vrijheid om zelfstandig te mogen nadenken.[58] Caspar zal hier – meer dan zijn broer die nog scholier was – voor het eerst in contact zijn gekomen met de spiritualistische stromingen die later zijn leven zouden kleuren. In 1633 werden de laatste gymnasiumklassen van de universiteit opgeheven. De zeventienjarige Michael mocht het jaar daarop, nadat Zweedse troepen in 1631 de Rijnpalts hadden bevrijd, zijn opleiding voortzetten aan de universiteit van Heidelberg. Misschien ging zijn broer Caspar met hem mee. Nog niet alle verjaagde professoren waren teruggekeerd en het geld dat de Engelse regering had gestuurd ging grotendeels op aan het ondersteunen van vluchtelingen en hongerige medeburgers. Toch maakte men een nieuw begin met het universitaire onderwijs. De Zweedse nederlaag bij Nördlingen begin september 1634 gooide opnieuw roet in het eten; de Rijnpalts werd alsnog onder de voet gelopen. Slechts een klein groepje studenten wist met moeite uit de verwoeste universiteitsstad te ontsnappen.

Afbeeldingsresultaat voor "Pfaltzgrafen Urlaub" 
Zomerpaleis van de Winterkoning te Rhenen,
gebouwd 1630-1631

(twitter)

 

De getalenteerde Johann Caspar kwam intussen dankzij een aanbeveling van een kennis (wellicht Johann Heber) in dienst van de edelman en diplomaat Johann Joachim von Rusdorf (1589-1640), hoofd van de vorstelijke regering in ballingschap. Hij werd aangenomen als diens persoonlijke secretaris (amanuensis) en volgde hem waarschijnlijk op zijn buitenlandse reizen.[59] Zijn chef had daarnaast nog een jongere assistent, Pierre Cordier uit Otterberg in de Rijnpalts, later Waals predikant te ‘s-Hertogenbosch en Leiden.[60] Cordier zal de Franstalige correspondentie hebben verzorgd, terwijl Johann Caspar zich eerder met de Duitse en Latijnse brieven bezig zal hebben gehouden. Rusdorf reisde na de val van Heidelberg eerst naar Frankenthal en ging toen via Worms, Regensburg en het vorstelijke zomerpaleis te Rhenen naar Londen, het laatste in gezelschap van twee jonge prinsen. Hij keerde vervolgens terug naar Duitsland, opnieuw naar Londen, en arriveerde tenslotte herfst 1637 aan het keurvorstelijke hof in Den Haag, waar de weduwe van de Winterkoning Elizabeth Stuart zetelde.[61] Door zijn werk leerde Johann Caspar in elk geval de hofhouding van nabij kennen; zijn werkgever was tevreden over hem.


Hendrik Alting (1583-1644, ook
 Johann Heinrich Alting genoemd),
hoogleraar theologie
te Heidelberg en Groningen

 

Johann Michael werd op zijn beurt naar Bremen gestuurd, wellicht met een brief die Rusdorf in oktober 1634 had geschreven voor Georg Bernhard von Pelckhofen, de verdraagzame predikant van de Martinikerk in Bremen, die eveneens uit de Opper-Palts stamde.[62] Hij vervolgde hier zijn opleiding en leerde tevens de Nederduitse volkstaal (de oude taal van de Hanze) kennen. De open theologische sfeer die hier gold en de vriendschappen met andere vluchtelingen moeten hem zeker hebben gevormd. In de studentenlijsten komt hij echter niet voor.[63] Mogelijk bezocht hij niet de hogeschool zelf, het Gymnasium Illustre, maar uitsluitend de vooropleiding, het Paedagogeum.

Juni 1637 schreef Johannes Michaelis Knöttnerus uit Gnadenberg (zoals hij zich nu noemde) zich in als student te Groningen, samen met jaargenoot Marcus Flocken uit Bremen, zoon van de strenge voorganger van de Rembertikerk, die in zijn jeugd de Palts had moeten ontvluchten en daar later zou terugkeren.[64] Rusdorf stuurde vanuit Londen een aanbevelingsbrief aan zijn oude vriend, de Groningse theologieprofessor Hendrik Alting (1583-1644) uit Emden, oud-hoogleraar te Heidelberg en een vertrouweling van het keurvorstelijke hof.[65] Deze Bijbelgetrouwe maar ondogmatische calvinist was de voormalig huisonderwijzer van de Winterkoning en diens oudste zoon, bovendien een sleutelfiguur in het gereformeerde netwerk.[66] Als zodanig was hij net als Rusdorf een warm pleitbezorger van de religievrede tussen protestanten (het zogenaamde irenisme), waarvan de principes eerder door de Heidelbergse theoloog Franciscus Junius sr. geformuleerd waren. Namens de keurvorst had Alting de Dordtse Synode van 1618-1619 bijgewoond. Ook hij was in 1634 samen met tientallen andere predikanten naar Heidelberg afgereisd om de wederopbouw van de gereformeerde kerk in de Palts ter hand te nemen, maar bleef in Frankfurt steken en kon slechts via een moeizame omweg naar Groningen terugkeren. De vrome, irenischgezinde Alting werd vermoedelijk Johann Michaels belangrijkste leermeester; hij stond erom bekend dat hij als een vader voor zijn studenten en oud-leerlingen zorgde.[67] “Zijn hart was gedeeld in liefde tot de Paltz en tot Nederland, dat hem een tweede vaderland was geworden”, schrijft een biograaf.[68] De andere hoofddocenten waren de bejaarde Franciscus Gomarus (1563-1641), leider van de strenge fractie der contraremonstranten op de Dordtse Synode en sinds 1618 hoogleraar in Groningen, en de veelzijdige wiskundige en filosoof Matthias Pasor (1599-1658) uit Herborn.


Het oude Academiegebouw in Groningen,
afgebroken mei 1846

(RHC Groninger Archieven)

 

Het ging volgens de briefschrijver (Rusdorf) om een bescheiden jongeman met goede omgangsvormen, verstandig en niet onelegant, geboren uit gelovige ouders die vanwege hun overtuiging in ballingschap waren gegaan. Het resultaat was dat de student, in de brief kortweg Michael Knöttnerus genoemd, werd vrijgesteld van inschrijfgeld en ook op verdere ondersteuning kon rekenen. Volgens een familieoverlevering uit 1820 had hij uitsluitend een (zegel)ring en een degen bij zich, die – zo mogen we aannemen – later door de familie in Oost-Friesland werden bewaard. Zelf gaf hij bij zijn inschrijving te kennen dat hij uit Gnadenberg stamde en dat vertelde hij later ook zijn kinderen. Het klooster met de aansprekende naam Mons Gratiae was ongetwijfeld bekender dan naburige parochie waar hij was geboren.[69] Maar dat was, zoals we zullen zien, niet de enige reden om dit te benadrukken. Zijn studie werd bekostigd door ‘de edelmogende heren provincial’ van Groningen. September 1637 werd zijn naam toegevoegd aan het lidmatenregister van de kerkelijke gemeente.[70]

In hoeverre de jongeman op de hoogte was van de onderhuidse spanningen tussen de Groningse theologen en hun collega’s Bremen, die in de daaropvolgende jaren tot uitbarsting zouden komen, weten we niet. De vader van zijn reisgenoot, Gerhard Flocken, was een van de aanstichters van deze geleerde ruzie die ook Rusdorf ernstig zorgen baarde. In de jaren daarop zouden Alting en Gomarus de hoogleraren in Bremen geregeld van onrechtzinnigheid beschuldigen en daarmee de voorzichtige toenaderingspogingen tussen gereformeerden en lutheranen in het Duitse Rijk verstoren.[71] Maar het lijkt erop de jongere generatie waartoe hijzelf behoorde hier met afgrijzen naar keek. Ongetwijfeld zal hij zijn beschermheer Rusdorf op de hoogte hebben gehouden van de verwikkelingen in Groningen. De tragiek van religieuze zuiveringen liet intussen overal zijn sporen na. Tegelijk met Johann Michael arriveerden tientallen gereformeerde vluchtelingen uit de Palts in Groningen.[72] Midden-Europa dreigde te worden schoongeveegd; randgebieden als Bohemen en Hongarije kwamen in de grip van de de contra-reformatie, terwijl andere streken weer luthers werden.


Wetenschappelijke boekhandel, uit: Jan Amos Comenius,
Orbus sensualium pictus, ed.
Kopenhagen 1672
(Otago University: From Pigskin to Paper:
The Art and Craft of Bookbinding
)

 

Meer dan tweederde van de Groningse studenten kwam uit het Duitse achterland, waaronder vele vluchtelingen die vrijgesteld werden van het betalen van inschrijfgeld en soms ook in de mensa mochten eten.[73] De meeste professoren waren Duits en van de zeven stadspredikanten kwamen er drie uit Bremen, Wezel en Gdánsk (Danzig). De predikant van het nabijgelegen Haren was gevlucht uit het Sauerland, zijn nieuwe collega’s in Middelbert en Norg waren ballingen uit de Palts.[74]

Een van Johann Michaels studiegenoten was Jacob Alting (1618-1679), de oudste zoon van zijn leermeester. Die vertrok al het volgende voorjaar naar Emden om Hebreeuws te leren, verbleef enkele jaren in Oxford en keerde in 1643 als hoogleraar oosterse talen terug.[75] Gelijk met Johann Michael arriveerde de Hongaar Johannes Molnár, zoon van de theoloog Albert Szenci Molnár die met zijn vader bevriend was geweest.[76] Verder trof hij een lotgenoot uit Heidelberg, namelijk de stadspredikant Andreas Pilger, die tegelijk met hem de stad was ontvlucht en net als hij een aanstelling in Oost-Friesland kreeg, voordat hij in 1650 kon terugkeren naar de Palts. Pilger werd in 1639 predikant van gereformeerden in Norden, aangesteld door de heer van Lütetsburg die een bewonderaar van de vermaarde pedagoog Jan Amos Comenius was.[77] Vermoedelijk raakte Johann Michael bevriend met Georg Sohnius uit het graafschap Meurs, kleinzoon van een vermaarde theologieprofessor in Heidelberg, wiens zuster later met zijn broer zou trouwen.[78] Eind 1638 arriveerde zijn landsman Georgius Hornius uit Kemnath, die eerder theologie en geneeskunde in Altdorf had gestudeerd; hij was waarschijnlijk een bekende van de familie. Hornius werkte tevens als huisonderwijzer en vertrok in 1644 met twee Engelse pupillen via Den Haag naar Engeland.[79] Uit de Rijnpalts kwamen onder andere Johannes Matthias Schelius, Nicolaus Lorch en Gerhard Bettinger; de laatste kende Johann Michael uit Bremen. Schelius werd later predikant te Hornhuizen en Kloosterburen, Lorch vestingpredikant te Langakkerschans (nu: Bad Nieuweschans).[80] Bettinger verhuisde naar een polderdorp bij Gdánsk, waar hij tot predikant werd benoemd door een dorpsheer die eveneens met Comenius bevriend was.[81] Ook uit Bremen kende hij Matthias Vorstius, die later terugkeerde naar Bremen om daar te promoveren; hij werd een vooraanstaand predikant in zijn geboortestreek Moers.[82] De vrome wiskundige Johannes von Lünenschloss uit Solingen werd uiteindelijk hoogleraar te Heidelberg; de jonge arts Philipp Gualtherus Schreckenfuchs uit Oppenheim verhuisde naar Engeland, waar hij zich bezighield met alchemie.[83] Dit zijn de Duitse studiegenoten waarvan we het spoor min of meer kunnen volgen. Van anderen weten we vaak niet waar ze uiteindelijk terecht zijn gekomen. Allen hadden ze een beurs; bijna allemaal hadden ze belijdenis gedaan en waren ze vermoedelijk trouwe kerkgangers.

Johann Michael schreef verder een bijdrage in het album van zijn landsman Wigand Salmuth, een geleerde domineeszoon uit de Opper-Palts die later veldprediker en tenslotte predikant te Dessau zou worden. Diens oom was predikant in Emden geweest. Salmuth stond – getuige albuminscripties van Rusdorf en Cordier – weer in contact met de kringen in Den Haag waarin ook Johann Michaels broer Johann Caspar zich bewoog. Hij verkeerde in de omgeving van Emanuel de Geer, zoon van de befaamde wapenfabrikant Louis de Geer uit Amsterdam, die sinds 1641 in Groningen studeerde. Kennelijk op bezoek bij diens ouders ontmoette hij een jaar later Comenius; in 1644 kreeg hij via Jacob Alting een stipendium om de zeven jaar jongere De Geer op diens studiereizen te begeleiden.[84]


Jan Amos Comenius
(1592-1670)
Portret door Wenceslaus Hollar, 1652
(wikimedia)

 

Al met al lijkt het te gaan om een kring van jonge theologiestudenten die onder invloed stonden van het mystieke chiliasme van Jan Amos Comenius (1592-1670) en de Schotse vredesapostel John Dury (1596-1680, ook Duraeus). Dit gedachtegoed had ook in Bremen waar Johann Michael eerder studeerde wortel geschoten.[85] Een belangrijke representant van deze stroming was de charismatische hoogleraar Tobias Andreae (1604-1676) uit Solms-Braunsfeld, sinds 1635 professor Grieks en geschiedenis in Groningen. Hij was een vertrouweling van Hendrik Alting en had eerder toezicht gehouden op de opleiding van diens zonen, waarna hij in Den Haag huisonderwijzer van de hertog van Pfalz-Landsberg was geweest. In 1643 huwde hij Elizabeth de Geer, de zus van Emanuel.[86] Een andere zuster huwde de industrieel Adriaan Trip, die zich na een jarenlang verblijf in Zweden in 1654 in Wildervank vestigde. Andreae’s collega Matthias Pasor was misschien geen directe medestander, maar wel een jeugdvriend van Comenius.[87]

De Amsterdamse koopman en industrieel Louis de Geer, die vooral in Zweden aktief was, was de belangrijk financier van het gereformeerde netwerk. Tussen 1627 en 1648 besteedde hij 11.000 daalders aan de vluchtelingen uit de Opper-Palts en Neurenberg; maar liefst een derde van het hulpfonds was van hem afkomstig. Aan de vluchtelingen uit de Keurpalts gaf hij eenzelfde bedrag, daarnaast grote sommen aan de Waalse emigranten.[88] De Geer was een schoolvoorbeeld van het type gereformeerden dat zich liet leiden door de protestantse arbeidsethiek, zoals de socioloog Max Weber die heeft beschreven. Het geld dat anderen aan scheepsverzekeringen uitgaven of voor hun kinderen reserveerden, gaf hij uit aan goede doelen. Dit in het stellige vertrouwen dat God hem als hij dat nodig achtte daarvoor zou belonen. En dat dit ook gebeurde, kon vervolgens als teken van uitverkiezing worden gezien.[89] Mede dankzij zijn wapens kon Zweden als verdediger van de protestantse belangen een belangrijke rol in de Dertigjarige Oorlog spelen. De Geer raakte bevriend met Comenius; hij kwam onder de indruk van diens opvoedkundige idealen en steunde hem ook financieel.

Groningen lijkt een eigen plek in dit internationale netwerk te hebben ingenomen. Comenius’ zwager Pavel Cyrill uit Praag studeerde in 1640 een tijdje in Groningen, nadat hij vijf jaar in het atheneum in Bremen had bezocht. Dury en zijn secretaris Peter Figulus (Comenius’ toekomstige schoonzoon) bezochten de stad in december van dat jaar; de laatste studeerde hier in de winter van 1643/44.[90] De Haagse predikant Caspar Streso, die met Comenius bevriend was, stuurde in 1640 zijn jongste broer naar Groningen.[91] Groningen was nu eenmaal niet het rijke Holland dat veilig achter de Waterlinie lag. De oorlog in Duitsland leek dichtbij en de hoop op een ommekeer, ook op het spirituele vlak, moet de verzamelde jongemannen diepgaand hebben bezig gehouden.

Door de dood van Hendrik Alting in augustus 1644 viel de vriendenkring vermoedelijk uiteen; verschillende studenten zetten hun opleiding elders voort. De spanningen waren zoals we zagen al eerder merkbaar. De vermaarde hoogleraar werd opgevolgd door de strijdlustige Samuel Maresius (1599-1673), weliswaar een sympathisant van Comenius en geïnteresseerd in het werk van Descartes, maar tevens iemand die, zoals hij zelf vol trots beweerde, zich geroepen voelde tegen alle afwijkingen van de strenge leer “als een getrouwe hond van God blaffend tekeer te gaan”. Het chiliasme zou hij later dan ook scherp afkeuren.[92]


Tobias Andreae (1604-1676),
 hoogleraar te Groningen
(ebay)

Johann Michaels naam is tot dusverre niet in andere studentenalbums aangetroffen. Uit de lotgevallen van zijn medestudent Gerhard Andreae krijgen we echter een aardig beeld van de kringen waarin hij verkeerde. Gerhard Andreae uit Solms was zes jaar ouder, had al voor de klas gestaan, lange reizen gemaakt en zenuwslopende avonturen beleefd.[93] Hij logeerde bij zijn broer Tobias in Groningen; een andere broer was predikant in Oost-Friesland, een derde te Gdánsk, een vierde apotheker en drogist (‘materialist’) in Bremen. Na een jaar als huisonderwijzer bij de edelman Maurits Ripperda te Uithuizen besloot hij zich in 1637 te concentreren op de lessen van Alting en Gomarus. Hij was bevriend met Jacob Alting; zijn album bevat onder andere de namen van vier professoren, drie stadspredikanten en een raadsheer. Waar Johann Michael weinig had om op terug te vallen, kon Andreae gebruik maken van een bescheiden familiekapitaal en een groot netwerk, waartoe tevens de familie De Geer behoorde. Ook zelf had hij contact met de kringen rond Comenius; zijn broer Ernst in Gdánsk was – net als hun grootvader Johannes Piscator – een bevlogen chiliast en gehuwd met een dochter van De Geers zaakwaarnemer ter plaatse.[94] Gerhard Andreae bleef rondreizen tot de oorlog voorbij was en accepteerde pas op 38-jarige leeftijd een baan als predikant in zijn geboorteland. Zijn reisverslagen geven een goede indruk van de gereformeerde diaspora waarvan Johann Michael en zijn broers deel uitmaakten.

Vier jaar bleef Johann Michael in Groningen. Hij maakte er nieuwe vrienden en leerde vermoedelijk ook de Nederlandse taal beheersen, die na de invoering van de Statenvertaling in 1637 gangbaar werd in de Hervormde Kerk. Dat laatste was niet alleen het geval in de Republiek, ook in naburige gebieden als Oost-Friesland, Lingen en Bentheim zette het Nederlands zich tegen het einde van de zeventiende eeuw definitief door. Voor de calvinisten gold het Nederlands als “een beter en soeter taal” dan het Nederduits, zoals de kerkenraad van Emden in 1677 meende.[95]


Religies in Groningen en
Oost-Friesland rond 1700
(eigen ontwerp)

 

Als leerling van Hendrik Alting was de jonge student welhaast verzekerd van een baan. Zijn professor was geboren en getogen in Emden, waar diens vader Menso Alting aan de wieg van het strenge calvinisme had gestaan; hier kon hij ook zijn invloed aanwenden om zijn leerlingen aan een betrekking te helpen. De nauwe betrekkingen die de Oost-Friese hervormden met Nederland onderhielden bleven tot ver in de negentiende eeuw bestaan, ook toen hun landstreek na 1744 onderdeel werd van het koninkrijk Pruisen. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw hield men hardnekkig aan het Nederlands vast. Na de Pruisische nederlaag bij Jena in 1806 behoorde Oost-Friesland enige tijd bij het Koninkrijk Holland en werd het Nederlands tot grote ergernis van de lutheranen voor iedereen verplicht, totdat de provincie in 1810 tijdelijk werd ingelijfd bij Frankrijk. Daarna werd Oost-Friesland bij het koninkrijk Hannover gevoegd.[96] Alleen de westelijke districten waren overwegend calvinistisch: het Rheiderland en de Krummhörn, de omgeving van Leer en verspreide enclaves in de omgeving van Norden en Jever. De rest van het schiereiland was luthers. Het achterliggende Westfalen was rond 1600 weer rooms-katholiek geworden, de verdreven predikanten hadden vooral in Groningen, Drenthe en Oost-Friesland nieuwe betrekkingen gevonden.

(Terug naar boven)

 

5. Oost-Friesland


Krummhörn (Kreis Aurich)
door Willem Janszn.
Blaeu 1645.


Kerk en voormalig vicariaat te Greetsiel. De voormalige
hoofdpastorie bevindt zich schuin tegenover de kerk (Hohe
Straße 1). Het is tevens het geboortehuis van Ubbo Emmius, de stichter van de Groningse universiteit
(
Wikimedia)

 

Nog voordat hij zijn studie had afgerond werd Johann Michael Knöttnerus (zoals hij zich nu noemde) in 1641 (niet 1639!) benoemd tot hervormd predikant in Oost-Friesland, eerst als tweede of ‘jongste’ predikant te Pilsum en vanaf 1645 voorganger in de havenplaats Greetsiel, waar de grafelijke familie een belangrijke vinger in de pap had. Dankzij deze laatste aanstelling was hij een van de voornaamste geestelijken in deze welvarende kuststreek (de Krummhörn) geworden. De overlevering suggereert dat hij zich hier eerst als student had gevestigd om ervaring op te doen en vervolgens “in eene der aanzienlijkste gemeenten beroepen werd”.[97] Naast zich had hij aanvankelijk nog een tweede collega.

Johann Michael was niet de enige vluchteling uit de Palts die in Oost-Friesland terecht kwam. De kerkenraad van Emden had zich meermalen bekommerd om de situatie in zijn geboortestreek en onder andere in 1629 een bedrag van tweehonderd daalders naar Neurenberg gestuurd. Een belangrijke sleutelfiguur was stadspredikant Georgius Placius (1584-1647) uit Leipzig, die in zijn jeugd de Palts had leren kennen; diens broer Johannes (1589-1636), lange tijd predikant in de Opperpalts, was onlangs overleden, net als enkele andere landgenoten die in Emden op de preekstoel hadden gestaan.[98] In Jemgum zat oudgediende Matthias Nahum uit Dirmstein (bij Worms), zoon van een hoogleraar in Herborn, in Mittling-Mark Johann Caspar Ohlius uit Groß-Umbstadt (bij Dortmund), in Norden Andreas Pilger uit Heidelberg. De laatste twee hadden tijdens hun ballingschap meerdere universiteiten bezocht. Toen de Keurpalts in 1650 opnieuw onafhankelijk was geworden, besloot dit geleerde drietal gezamenlijk terug te gaan.[99] Johann Michael koos ervoor in Oost-Friesland te blijven; zijn vaderland de Opper-Palts was nog altijd bezet door het katholieke Beieren. Ook Johann Georg Hopfius uit Ladenburg (bij Worms), sinds 1640 predikant te Leer, bleef op zijn post, net als een handvol lotgenoten in Nederland.[100]

Zoals andere predikanten zal Johan Michael tevens een boerenbedrijfje met wat rundvee, weidepercelen en bouwland hebben beheerd. De gewone dorpspastorieën waren voorzien van een boerenschuur met een veestalling; dat laatste was in de handelsplaats Greetsiel waarschijnlijk niet het geval. Sinds 1656 gaf hij bovendien les aan de Latijnse school te Emden. De rector was net als hij een Hoogduitser, in dit geval uit Saksen-Anhalt, waardoor ze elkaar goed konden begrijpen.[101] Als de weersomstandigheden het toelieten bezocht hij de vergadering van de classis, die hier coetus werd genoemd; de gereformeerde predikanten van Oost-Friesland kwamen bij zomerdag wekelijks bijeen in de Nieuwe Kerk te Emden. Hier zal hij ook juni 1656 John Dury hebben ontmoet, toen die de kerkvergadering in Emden toesprak in een pleidooi om gereformeerden en lutheranen binnen één kerkverband samen te brengen. Twee maanden later bezocht Comenius deze stad op doorreis naar Groningen en Amsterdam.[102] We mogen veronderstellen dat het irenische streven van beide geestelijke leiders hem nog altijd sterk heeft aangesproken.

In 1660 raakte Johann Michael verwikkeld in een rechtzaak met zijn ambtsbroeder Philipp Herlyn uit Visquart, die hem in een dronken bui had beledigd en daarvoor eerst achteraf excuus aanbood.[103] De kinderen stammen uit zijn eerste huwelijk met Esther (Hester) Hillenius.[104] Waarschijnlijk gaat het om een dochter van de strenge Groningse stadspredikant Cornelius Hillenius (1568-1632), over wie we later nog meer zullen horen. Van Johann Michaels tweede vrouw Geeske Behrents, een weduwe uit de Krummhörn (genoemd in 1670), is alleen de naam bekend.[105] Zijn derde vrouw Juliana Bo(e)lenius stamde vermoedelijk uit een lutherse familie in Aurich: verschillende naamgenoten hadden functies aan het Oost-Friese hof. Ander leden van deze familie waren luthers predikant.[106] De doopboeken van Pilsum en Greetsiel zijn niet bewaard gebleven: de zoons werden Cornelius, Johann Friedrich en Engelhart genoemd; de jongste dochter heette Hester. Daarnaast had Johann Michael vermoedelijk nog twee dochters die niet in de stamboom voorkomen: Anna en Barbara (zie hieronder). De naam Johann Friedrich, later overgenomen door een van de kleinzoons, lijkt een eerbetoon aan de Winterkoning. De zeldzame voornaam Engelhart zal eveneens naar een Duitse context verwijzen.

Grafzerk van IOHANNES MICHAEL KNOTTNE[RUS], Greetsiel 1684.
De steen lag oorspronkelijk midden in de kerk, maar is rond 1900 verplaatst en
rechtop naast de kansel gezet. De Latijnse tekst bevat minstens één spelfout

(©Jan Knottnerus, Emmen; Van Epen 1897)

 

Dankzij zijn afkomst kon Johann Michael vlot met Duitstalige beambten, lutherse predikanten en de vreemde huursoldaten die het gebied lange tijd bezet hielden communiceren. In het dagelijkse leven zal hij echter vooral Nederduits hebben gesproken. En ook op de preekstoel bleef de streektaal nog een tijdlang gangbaar. De gemeenteleden “verstaan Nederlands noch Hoogduits”, heet het in 1666 uit het nabijgelegen Eilsum. Zijn landsman Matthias Nahum genoot zelfs een zekere faam omdat hij de Hoogduitse gezangen zou hebben ingeruild voor de ‘Psalmen Davids’ in de volkstaal.[107] Johann Michaels afkomst uit de Palts, een van de oudste bolwerken van het calvinisme, zal bij dit alles een zeker respect hebben afgedwongen. Het is bovendien niet onmogelijk dat hij verre verwanten in Oost-Friesland had.[108] Meer dan eens reisde hij met zijn vrouw naar Holland om hun studerende zoon en het gezin van zijn oudste broer te bezoeken. Na diens dood in 1665 veranderde de situatie; de tweede zoon Johann Friedrich vervolgde zijn studie niet in Leiden maar in Bremen.

Johann Michael preekte waarschijnlijk ook voor leden van de grafelijke hofhouding. Het kasteeltje te Greetsiel diende de lutherse gravin-regentes Juliane van Hessen-Darmstadt (1606-1659) enige tijd tot buitenverblijf. Het motto op de grafzerk van Johann Michael uit 1684 Consumor aliis serviendo (‘ik word verteerd door anderen te dienen’ of ‘dienende teer ik uit’) werd ook gebruikt door haar grootvader, landgraaf Georg van Hessen-Darmstadt.[109] Op de grafzerk staat dit motto aan weerzijden van een brandende kaars, die weer rust op een doodshoofd boven twee gekruiste doodsbeenderen.


Ik verteer mijzelf tot nut van anderen’
uit: Nicolaus Taurellus,
Emblemata
Physico-Ethicam
, Neurenberg (1595) 1602.
Johann Knöttner gebruikte een exemplaar
van dit boek als album amicorum. De afbeelding
is opgedragen aan grafelijk rentmeester
Theophilus Richius, een collega van zijn latere
schoonvader
 

De symboliek van de brandende kaars was rond 1600 wijd verbreid; hij was vooral in zwang bij artsen als teken van dienstbaarheid aan anderen.[110] In het bekende embleemboek van Nicolaus Taurellus (1547-1606), hoogleraar genees- en natuurkunde te Altdorf, komen verschillende varianten voor. De professor was één van de leermeesters van Johann Michaels vader, die het boek als album amicorum gebruikt heeft.[111] Ook diens studievriend Christoph von Dohna (1583-1637) die in 1599 een bijdrage in het album schreef, gebruikt later dit embleem in een mystiek geschrift.[112] De opgroeiende zonen zullen het album van hun vader goed gekend hebben. De spreuk had overigens niet alleen een religieuze betekenis, hij stond tevens in verband met de alchemie, een liefhebberij die – zoals we zullen zien – een opvallende rol in de vroegste familiegeschiedenis speelde.

Johann Michael Knöttnerus overleed in 1684. Zijn rijkversierde grafzerk schildert hem uitdrukkelijk als balling uit de Palts die na ‘verschillende avonturen’ in vreemde landen is terecht gekomen. De familieoverlevering verhaalt hoe hij uit een ‘oud aanzienlijk geslacht’ stamde en ‘alle zijne rijkdommen’ vanwege het geloof heeft moeten achterlaten, waarna hij ‘verscheidene merkwaardige lotgevallen’ heeft beleefd voordat hij predikant werd.[113] Voor volgende generaties heeft hij een dringende raad: “Ook gij, wandelaar, zult niets meenemen. Ga, en volg gewillig waarheen het lot u trekt!” (Et tu viator, nil efferes. Vade, et sequere volens, quo fata trahunt).[114] Een dergelijke gang van zaken was niet ongebruikelijk. Verschillende predikantengeslachten benadrukten vol trots (en niet altijd terecht) dat hun voorouders uit de Palts afkomstig waren, zoals Althusius, Braunius, Brucherus, en later ook Janssonius.[115] Deze mededeling keert soms op grafzerken, avondmaalbekers en klokken terug.[116] De mythe van de geloofsvluchteling sprak velen aan.

Mündliche Überlieferung

Während des 30jährigen Kriegesendes in den 60er Jahren des 17. Jahrhunderts kommt ein katholischer Hauptmann oder Leutnant mit seiner Schar nach der Krummhörn. Er hört, daß der evangelische Ortsgeistliche des Dorfes, in dem es in Quartier liegt, den gleichen Namen wie er trägt. Er begibt sich zu ihm und fragt: “Wie heißt Du, Pfaff?”.

Antwort: “Johann Michel Knottnerus.”

Frage: “Wo bist Du geboren, Pfaff?”

Antwort: …

Frage: “Wie hießen Deine Geschwister?”

Antwort: …

Der Offizier: “Dann bist Du mein Bruder, Pfaff”, sagte es und ging.

An andern Morgen zog er mit seiner Schar weiter.

 

Adele Wannschaff, geb. Knottnerus, Celle 1934

 

De andere familieleden kwamen eveneens in Oost-Friesland terecht. De broer Georg Friedrich Knöttner (1611-voor 1675) – in de volksmond Jürgen Knotner genoemd – was waarschijnlijk legerofficier en woonde omstreeks 1656 in het katholieke stadje Coesfeld (Westfalen), de residentie van de Münsterse bisschop Christoph Bernhard von Galen (‘Bommen Berend’). Volgens de Duitse familieoverlevering was hij met twee zusters naar Denemarken gevlucht, waar hij kapitein in het leger was geworden. Toen Münsterse en Deense troepen in 1663 (dan wel de tweede keer in 1676) Oost-Friesland bezet hielden, hoorde hij dat de predikant van het dorp waar hij gelegerd was dezelfde achternaam als hijzelf droeg. Hij ondervroeg Johann Michael over diens afkomst en constateerde daarna zonder blikken of blozen: “Dan ben je mijn broer, paap”. De volgende morgen trok hij met zijn troepen verder. Het verhaal suggereert dat hij in het bijzijn van zijn manschappen afstand nam van zijn broer, daarmee verheimelijkend dat hijzelf met de gereformeerden sympathiseerde.[117]

Georg Knöttner bevond vermoedelijk al langer in Westfalen; misschien kwam hij met de Hessische troepen die Coesfeld in 1633 bezet hielden. Het kan ook zijn dat hij verwikkeld raakte de oorlog om de Palts, waarin de protestantse hertog Bernhard van Saksen-Weimar tot zijn dood in 1639 een sleutelrol verulde. Georgs beide kinderen (en vermoedelijk ook hijzelf) verhuisden later naar het Oost-Friese stadje Leer. Een andere hoge militair die in dienst stond van de bisschop van Münster vestigde zich omstreeks deze tijd eveneens in Oost-Friesland: baron Gustav Wilhelm von Wedel verkreeg in 1665 het slot Evenburg bij Leer, nadat hij de erfgename van de kasteelheer had gehuwd. De nieuwe eigenaar was luthers, zijn bruid Maria von Ehrentreuter gereformeerd; haar vader stond in Nederlandse dienst. Later was Von Wedel veldmaarschalk in het Deense leger. Wellicht heeft Georgs verhuizing naar Leer hiermee te maken gehad. Zijn naam was in elk geval ter plaatse bekend, zoals blijkt uit een notitie bij het huwelijk van Barbara Knotner, die in 1675 als ‘dochter van wyl. Jürgen Knotner’ wordt gekenschetst.

Georgs zoon Rotger Borcherts Knottner (Rutgerus Burchardus Knotner, ca. 1640-na 1696) uit Coesfeld studeerde vanaf 1656 in Leiden als hulpje van de jonge hoogleraar Georgius Hornius, een historicus en politicoloog die zoals we zagen eveneens uit de Opper-Palts stamde.[118] De veelschrijver Hornius gold als één van de sterren van de universiteit, een meeslepend spreker die – zoals men zei – sneller schreef dan God kon lezen en met zijn ene oog meer zag dan anderen met twee.[119] Als vluchteling was hij in 1635 in Neurenberg beland, waar hij ook de familie Knöttner moet hebben leren kennen. Hij woonde daar bij zijn oom, die tot dezelfde kerkgemeenschap behoorde. Als leerling van Hendrik Alting beschouwde Hornius zichzelf als voortzetter van diens kerkhistorische werk.


Leer (Oost-Friesland) rond 1850

 

Waar de jonge Rotger het gymnasium heeft bezocht is onbekend; de nieuwe Jezuietenschool in Coesfleld kwam daarvoor zeker niet in aanmerking. Misschien woonde hij een tijdlang bij zijn oom in Den Haag. Na afloop van zijn studie koos hij echter niet voor een predikantenloopbaan: hij vestigde zich omstreeks 1666 als koopman of winkelier in Leer. Dit Oost-Friese stadje had zich ontwikkeld tot een knooppunt voor de Westfaalse textielexport, en zou kunnen dat Rotger zich met de lakenhandel heeft bezig gehouden. Waarschijnlijk had hij echter een soort drogisterij: voor het schilderen van de kerkgebouwen van Bunde en Weener leverde hij in 1692 en 1696 de verf.[120] De oudste zoon Jürgen of Georg Knottnerus (1666-na 1687) werd in 1685 ingeschreven als theologiestudent te Leiden en twee jaar later te Groningen, maar is vermoedelijk jong gestorven, net als diens broertje Corneljes. Dochter Maria Knotners huwde de schoolmeester Gerriet Prins te Emden. Hun tante Barbara Knottnerus (ook Knot(e)ner genoemd) had zich na haar huwelijk eveneens in Leer gevestigd. Aan gemeenschappelijke namen als Johannes, Cornelius, Georg, Samuel, Hendrik, Barbara en Anna zien we dat verschillende takken van de familie Knottnerus nog altijd met elkaar in contact stonden.


Gezicht op Passau met de Veste Oberhaus, Augustin Hirschvogel, 1546
(Rijksmuseum, Amsterdam)

 

Volgens de familieoverlevering had stamvader Johann Knöttner vijf kinderen: drie zonen en twee dochters. Een van de zonen zou geneesheer in Amsterdam zijn geweest, terwijl twee zusters als hofdames in Denemarken waren beland. Met de geneesheer zal Johann Caspar zijn bedoeld. Naspeuringen in Denemarken naar de beide zusters hebben verder tot dusver niets opgeleverd. Over de vierde broer Hans Adam (geb. 1619) en drie andere dochters is evenmin iets bekend. Het negentiende-eeuwse kroniekje beweert dat het ‘adellijke goed’ Oberhaus in de Donaupfalz als ‘stamgoed’ van de familie heeft gediend. “Obernhausen ist mein”, zou een gevleugelde uitspraak van Johann Michael zijn geweest. We zullen deze overlevering met een flinke korrel zout moeten nemen. De details van de beschrijving, zoals de vermelding van ‘een voortlopende muur’ die het slot met de vesting Niederhaus verbond, waren ontleend aan recente geografische werkjes.[121] De vesting Oberhaus aan de Donau is in werkelijkheid in 1219 gesticht als dwangburcht voor de vorst-bisschop van Passau. De reformatie heeft in dit ministaatje nauwelijks voet aan de grond gekregen; al in 1561 begon de contrareformatie. De pastoorsplaats van de St. Georgskapel is altijd door katholieke geestelijken bekleed.[122] De vesting was bovendien een beruchte strafgevangenis, waar ook vervolgde protestanten werden opgesloten. Het gezegde gaat misschien eerder terug op Johann Michaels beschermheer Johann von Rusdorf, wiens familie omvangrijke leengoederen van het bisdom Passau had, die hun door katholieke verwanten waren ontnomen.[123] Het is echter niet helemaal uitgesloten dat het verhaal oudere wortels heeft. Het toeval wil namelijk dat de beheerder van het Oberhaus in 1535, de edelman Wolf Beham (Beheim) zu Golheim (Göllheim?), een duif in zijn wapen had. Johann Michaels grootvader Caspar Euvelstätter was immers eerder gehuwd met Anna Behemin; beide namen zijn dialectvarianten van de naam Böhme (‘iemand uit Bohemen’) en in theorie zou het kunnen dat Anna uit deze familie stamde en dat het wapen met de vredesduif van haar afkomstig is.[124]

In recentere versies van stamboom komt verder nog een oudere halfbroer Knottnerus voor, die zich in 1635 als student te Leiden inschreef als Petrus Guilelmi Knotterus. Hier is echter sprake van verwisseling met een lid van de Leidse familie Knotter.[125] Johann Knöttner noemt Johann Caspar uitdrukkelijk als zijn oudste zoon.

De familieoverlevering van Knottnerus spiegelt zich in de herkomstsage van de verlichtingsgezinde domineesfamilie Janssonius uit Groningen. Ook zij beweerden dat hun eerste voorouder als vluchteling naar Groningen was gekomen. Hun familie leverde eveneens “gedurende ruim twee eeuwen een schier onafgebroken reeks van predikanten aan de vaderlandsche hervormde kerk”, een thema dat aan de genealogie van de familie Knottnerus lijkt te zijn ontleend. [126]

De geslachts naam der Jansoniussen was eertijds Groenewold, naar eene heerlijkheid of adelijk gesticht Grunewald in den Paltz.[127]

Terwijl op de verschrikkelijkste wijze daar het bloed werd vergoten der protestanten en hun het bevel was gegeven het land te ruimen of hunne godsdienst af te zweeren, lieten de bezitters van de heerlijkheid Grunewald, liever hunne bezittingen aan den vijand prijs, dan aan Rome zich te onderwerpen. Waarschijnlijk door Hendrik Alting, die vroeger te Heidelberg, later als Groningsch hoogleraar steeds voor de belangen van de Paltz waakte en zorgde, en te Groningen gekomen, verwisselde de zoon van Johan van Grunewald uit nederigheid of om bedekt te blijven, den naam van dien met Janssonius (Johanneszoon) en werd de stamvader van een priesterlijk geslacht.[128]

Hier liet Johan van Grunewald zijn familienaam en adel varen, om ver van de vervolging, die in zijn vaderland woedde, in het vrije Nederland naar de inspraak zijns geweten, God te dienen.[129]

Het verhaal werd uiteindelijk opgehangen aan de inschrijving van de 17-jarige Groningse student Joannes Joannes in september 1636.[130] De onderbouwing ontbreekt, de heerlijkheid bestaat niet en de immigrant komt verder niet in de bronnen voor. Groenewold is eerder het ‘Woud van Gruno’, een eufemisme voor het Wold-Oldambt waar twee voorouders predikant waren.[131] Het lijkt te gaan om een verlichtingsgezinde pastiche uit het einde van de achttiende eeuw, gemodelleerd naar het voorbeeld van orthodoxe predikantenfamilies als Knottnerus die het alleenrecht op de erfenis van de Reformatie claimden. De achttiende-eeuwse predikant Johannes Henricus Janssonius (1701-1780) was op de hand van het piëtisme, maar hekelde de uitwassen daarvan. De familie Knottnerus had hij daarbij van nabij leren kennen; mogelijk sprak het irenische karakter van de familiesage hem aan. Neef Hillebrandus (1718-1789) koos openlijk voor de verlichting. Door het eigen voorgeslacht in het centrum van de Reformatie te plaatsen kon deze de kritiek op zijn vermeende onrechtzinnigheid met een kwinkslag pareren.


Cornelis Bega – De Alchemist (1663)
(The J. Paul Getty Museum, Los Angeles)

(Terug naar boven)

 

6. Onder alchemisten (Den Haag)


Albuminscriptie met een citaat uit
Psalm 73:25,26
in de vertaling van Martin Luther, door Johann
Caspar Knottner, Den Haag 1 januari 1660, in het
album van de voormalige theologiestudent,
oud-officier en leraar Johann Philipp
Mulheiser (ca. 1603-ca. 1677) te Leiden,
afkomstig uit Bad Bergzabern (Pfalz-Zweibrücken)
 (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: 129 F 6
Album amicorum Johann Philipp
Mulheiser
, fol. 290r)

 

De broer Johann Caspar Knöttner (Knottner) verkeerde intussen nog steeds in deftige Haagse kringen, ook al verdiende hij de kost als lakenverver. De familie beweerde later dat hij geneesheer is geweest. Mogelijk heeft hij ooit medicijnencolleges gevolgd, het ligt echter meer voor de hand dat hij een tijdlang les heeft gegeven aan de Latijnse school. Zijn vrouw Justina Sohnius wordt oktober 1652 genoemd als doopgetuige bij een deftige familie.[132] Justina stamde uit een Duits predikantengeslacht; haar grootvader was waarschijnlijk de jong overleden theologieprofessor Georg Sohn (1551-1589) in Heidelberg.[133] Haar broer Georg Thomas Sohnius was stadsprocureur en notaris in Emden; hij had, zoals we zagen, met Johann Michael gestudeerd. In de hervormde trouwregisters komt het echtpaar voorzover bekend niet voor; het huwelijk is misschien bevestigd in de Hoogduits gereformeerde gemeente die zich rondom het keurvorstelijk hof had gevormd. Maar we mogen aannemen dat het echtpaar vooral de diensten van stadspredikant Caspar Streso (1603-1664) in de Grote Kerk bijwoonde. Streso was afkomstig uit Saksen-Anhalt en had na zijn studie in Leiden enkele jaren in Engeland doorgebracht; hij was een vermaard theoloog die irenische verwachtingen met een hardnekkige verdediging van de gereformeerde orthodoxie combineerde. Als zodanig maakte hij deel uit van hetzelfde emigrantenmilieu als waarin Johann Caspar zich bewoog.[134]

Van Johan Caspars hand is een kleine bijdrage bewaard gebleven die hij in het vriendenboek van Johann Philipp Mulheiser uit Pfalz-Zweibrücken heeft geschreven. Mulheiser had in Leiden theologie gestudeerd, maar raakten betrokken in de oorlog rond de Palts. Hij trad later in dienst van de West-Indische Compagnie als officier in Brazilië, was daarna een tijdlang verbonden aan de illustere school (het gymnasium) te Dordrecht en vestigde zich vervolgens weer in Leiden.[135] Over de vriendschap tussen beide mannen weten we verder niets. Johann Caspar en Justina lieten hun beide oudste kinderen dopen in de Grote Kerk te Den Haag; bij de doop van de jongste kinderen in de Nieuwe Kerk in 1659 en 1664 zien we opvallende getuigen: beide keren kwamen zijn broer Johann Michael en diens vrouw uit Greetsiel over, de eerste keer samen met Justines broer Georg uit Emden.[136] Derde getuige in 1659 de echtgenote van de Haagse bouwondernemer Jan Claeszn. van Oosten, een vertrouweling van de Winterkoning die toezicht had gehouden op de bouw van diens zomerpaleis te Rhenen. De namen van de zonen Johann Friedrich en Johan Casimir verwijzen naar de keurvorstelijke familie. Doopgetuige bij de oudste zoon was misschien Johanns vriend, de arts en alchemist Johann Friedrich Helvetius. Bij de doop van de jongste zoon werden de ouders tevens bijgestaan door de Engelse veilingmeester Morgan Fowler en een zekere Eva Schrijvers. Het hele gezin Knöttner stierf in 1665 aan de pest.

Johann Caspar was niet alleen een kundig lakenverver die heldere kleuren kon fabriceren. Hij hield zich ook bezig met de alchemie, een wetenschap waarmee hij mogelijk al in zijn jonge jaren vertrouwd was geraakt. De mijnbouw was in zijn geboortestreek niet onbelangrijk en daarbij kwam veel chemische kennis kijken. Zo was bij het eerdergenoemde mijnbouwproject tevens een goudsmid uit Neurenberg als ‘chemicus’ betrokken.[137] Zijn voormalige werkgever Rusdorf wist eveneens het nodige van de alchemie.[138]

De verbinding tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart uitgebeeld als een ‘heilig huwelijk’. De kopergravure uit 1613 is gemodelleerd naar de tweede houtsnede in het bekende traktaat Rosarium philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550. De plek van de duif wordt ingenomen door het
Hebreeuwse woord
יְהֹוָה (YAHWEH, God).

(Unurthed.com; Pinterest – The Winter Queen)

 

Over Johann Caspars leven is weinig te melden, des te meer over de mensen met wie hij omging. Alchemie en eindtijdverwachtingen hadden een belangrijke plek aan het hof van de Winterkoning, meer nog dan bij andere vorsten: mystieke kringen uit heel Europa hadden hoge verwachtingen van diens huwelijk met de Engelse koningsdochter in 1613.[139] De huwelijksband werd afgeschilderd als een heilig verbond dat grote veranderingen zou inleiden. Allen waren op zoek naar een goddelijke vonk die de wereld zou doen veranderen. Niet de leerstelligheid telde, maar een irenisch verlangen om verschillende geloofsrichtingen binnen één kerkelijke gemeenschap samen te brengen. In de ogen van de mystici vormde dit het voorspel voor het langverwachte terugkeer van Christus. Ook in latere jaren bewogen zich rond de Koninklijke hofhouding in Den Haag – ondanks vele achterstallige betalingen – nog altijd de nodige alchemisten, religieuze vrijgeesten en vrome gelukzoekers. De koningin had bovendien “een zeldzaam talent om schulden te maken zonder ze te betalen en zich toch maar staande te houden”, zelfs toen de Engelse subsidies na het uitbreken van de burgeroorlog in 1642 opdroogden. Wellicht was ook Johan Caspar een van de benadeelde leveranciers die jarenlang op betaling moest wachten.[140]


 Huwelijk van prins Willem II en Maria
Stuart, 1641. Reinier van Persijn,
naar Isaac Isaacsz.
(Rijksmuseum)




De prenten van het heilig huwelijk tussen
Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613
 staan op hun beurt model voor de uitbeelding
 van eerste fase van het alchemistische proces,
hier door Matthäus Merian (1593-1650) in de
bundel Musaeum hermeticum, 1678
(wikimedia)

Het enthousiasme over een heilige huwelijk tussen de protestantse grootmachten vlamde weer op in 1641, toen de veertienjarige stadhouderszoon Willem II van Oranje met het Engelse kindprinsesje Maria Henriëtte Stuart werd verbonden. De tienjarige vorstin kwam in het voorjaar van 1642 met haar moeder naar Den Haag, waar ze haar intrek nam in het paleis van de Winterkoning. Vredesapostel John Dury fungeerde twee jaar lang als haar hofkapelaan en opvoeder.[141]

Een van de spraakmakers in deze spirituele kringen was de pansofist Johann Moriaen (1591-1667), een gereformeerde predikant van Nederlandse afkomst uit Neurenberg, die tot 1633 net als de eerdergenoemde dr. Johann Heber een belangrijke rol in het calvinistische ondersteuningswerk speelde.[142] Johan Caspar moet hem al vanuit Altdorf hebben gekend. Moriaen vestigde zich in 1638 in Amsterdam als uitvinder en wetenschappelijk correspondent in het wijdvertakte netwerk dat de Duitse geleerde en spiritualist Samuel Hartlib uit Elbląg (Elbing) vanuit Londen uitbouwde. Tot deze kring behoorden behalve John Dury ook Jan Amos Comenius, die zich in 1656 op uitnodiging van Laurens de Geer (de oudste zoon van Louis de Geer) in Amsterdam vestigde. Ook de eerdergenoemde predikant Caspar Streso speelde aanvankelijk een rol in dit netwerk.[143] Hun wetenschappelijke belangstelling stond in het licht van de Eindtijd, die door een periode van zelfonderzoek en het ontsluieren van verborgen kennis zou worden ingeluid. De natuur was als het ware een gesloten boek dat erop wachtte om aan het einde der tijden geopend te worden (Daniël 12:4). Zoals de mens na de zondeval herboren moest worden, zo diende ook de natuur in haar oorspronkelijke staat te worden hersteld. De alchemie vormde daarbij de sleutel tot terugkeer naar het Paradijs. Moriaen was net als De Geer een godvrezend ondernemer die zijn leven door de Hemelse wil geleid achtte. Hij benadrukte in zijn brieven dat hij zich niet om uiterlijke schijn of wereldse wijsheid bekommerde, maar met zijn vondsten uitsluitend zijn medemensen wilde helpen. “Ik heb mij”, zo schrijft hij in 1650 aan Hartlib, “volgens mijn vrienden alleen maar laten leiden door het spreekwoord Aliis in serviendo consumor” (het motto dat we ook van de familie Knottnerus kennen).[144]


Consumor inserviendo
(ik word verteerd door te dienen)
Titelblad van Christoph von
Dohna,
Kurtze und einfältige
Betrachtungen vnd Außlegungen
Vber das Hohe Lied Salomonis
,
Basel 1635.

In 1651 begon Moriaen samen met de welgestelde lutherse zilversmid Anthonie Grill (1607-1675) uit Augsburg een onderneming aan de Amsterdamse Looiersgracht om goud uit tin te produceren. Het idee kwam van zijn vriend, de apotheker Johann Rudolph Glauber (1604-1670) uit Karlstadt (nu Beieren), een befaamd alchemist en pionier op het gebied van de procestechnologie, die de compagnons een geheim recept verkocht. Het project werd uiteraard een mislukking en Grill vertrok berooid naar Zweden, waar hij in dienst van de familie De Geer alsnog fortuin maakte. “Moriaen heeft zichzelf met het alchemistengedoe ten gronde gericht”, oordeelde Laurens de Geer, die zelf ook een flinke veer had moeten laten.[145] Het laboratorium stond daarna jarenlang leeg, totdat Glauber de gebouwen in 1660 wist te kopen, maar deze slaagde er evenmin in het bedrijf weer op te starten.

Afbeeldingsresultaat voor "bow dye"  stratford
Cornelius Drebbel (157-1633)
(
wikipedia)

 

Om zijn verliezen goed te maken nam Moriaen de lakenververij van de gebroeders Abraham en Johannes Sibertus Kuffeler in Arnhem over, waar hij met chemische stoffen experimenteerde om een betere kwaliteit scharlakenrood oftewel karmozijn te krijgen. Dit productieproces hadden de broers ontwikkeld in Stratford-le-Bow bij Londen, voordat ze in 1642 vanwege de Engelse burgeroorlog naar Den Haag uitweken.[146] De eer gaven ze aan hun schoonvader Cornelis Drebbel, die het recept bij toeval zou hebben ontdekt.[147] In 1646 zetten ze hun bedrijf voort op het Arnhemse landgoed Hulkestein aan de oevers van de Rijn, waar ze weinig concurrentie uit Holland te duchten hadden. De rivier zorgde voor het vereiste schone water. Het was een snelweglocatie avant la lettre: transport was gemakkelijk, het uitzicht op de drogende lakens ondersteunde de mond-op-mond-reclame. Moriaens vriend Georgius Hornius volgde alle ontwikkelingen op de voet en schreef in 1653 vanuit Harderwijk aan Hartlib dat er in zijn omgeving een lakenverver was die het prachtigste scharlakenrood voor lakken en kleding kon maken.[148]

Dr. Johann Sibertus Kuffeler was net als Moriaen een fanatiek alchemist. Zo probeerde hij in 1647 knalgoud te maken; een explosie in zijn laboratorium kostte hem bijna zijn hand.[149] Hij was nauw betrokken bij Moriaens experimenten en bedacht een eigen methode om goud te maken uit antimoon, dat tevens voor de productie van Napels geel werd gebruikt. Later probeerde hij het met tinerts en ongebluste kalk of loogzout.[150] De plannen liepen echter spaak en de schulden liepen op. Geldschieter Moriaen, die de familie al kende uit de tijd dat hij predikant van de illegale Hoogduitse gemeente in Keulen was, vestigde zich in oktober 1654 op het landgoed, wellicht eerst als partner in het bedrijf, daarna als zaakwaarnemer en tenslotte als opvolger. De broers waren inmiddels in teruggekeerd naar Engeland, waar ze allerlei vindingen probeerden te verkopen om hun schulden te kunnen voldoen.[151]


Scharlakenrode rok met bont
vest, ca. 1780
(
Museum für Kunst und
Gewerbe, Hamburg
)

 

Met de geheimen van de karmozijn- en scharlakenververij was veel geld te verdienen, zoals blijkt uit de biografie van de Amsterdamse lakenverver en kunstschilder Jan van de Capelle (1626-1679) en het levensverhaal van andere tijdgenoten.[152] De heldere ‘Kuffelaars couleur’ (color Kufflerianus) was vermaard: het was naar verluidt het meest glanzende rood dat Europa ooit had gezien. Het felbegeerde scharlakenrood paste niet alleen in het kleurige modebeeld, het had ook een hoge symbolische lading.[153] Men vertelde dat zelfs de paus zijn kleding bij Kuffeler liet verven.[154] In de katholieke kerk was scharlakenrood het privilege van kardinalen; daarnaast was het de kleur van de adel. Het einde der tijden zou volgens de Openbaringen van Johannes worden ingeluid door de komst van Hoer van Babylon, rijdend op een scharlakenrood beest met zeven hoofden en tien horens. In protestantse ogen werd daarmee de katholieke kerk bedoeld. In Engeland droegen de officieren in het New Model Army onder de puritein Oliver Cromwell sinds 1645 scharlakenrode jassen, waardoor het apocalyptische karakter van de burgeroorlog als een strijd tussen goed en kwaad onderstreept werd. De kleur scharlakenrood vertegenwoordigde tevens de een na laatste fase van het alchemistische proces, de fase van ‘roodheid’ (rubedo), symbolisch voor het overwinnen van de tegenstelling tussen geest en materie en het ontstaan van een verlicht bewustzijn dat aan de geestelijke en lichamelijke wederopstanding vooraf zou gaan. Het zoeken naar het perfecte scharlakenrood stond daarom in het licht van de speurtocht naar de steen der wijzen, die andere stoffen in goud kon laten veranderen en zijn bezitter eeuwig leven zou verschaffen. Volgens sommige auteurs is dat ook hetgeen Drebbel heeft bewogen.[155]


Lakenververij op een gevelsteen uit Dordrecht, 1659
(
www.dordtsekaart.nl)

 

De bejaarde Moriaen die om geld verlegen zat, nam het bedrijf van de Kuffelers over zonder dat hij over de benodigde vakkennis beschikte. Daarom maakte hij dankbaar gebruik van een jonge vakman uit Neurenberg die hem bij terugkeer uit Engeland het ‘mysterie’ van het scharlakenrood en de verdere kneepjes van het rood- en blauwverven bijbracht. Weinig vaklui beheersten beide vaardigheden. “In heel Holland zijn er slechts twee die goed kunnen roodverven en ze worden daar rijk van”, schreef hij in januari 1658.[156] Twee maanden later had hij ook ervaring opgedaan met groen, geel en zwart, zowel bij het verven van wol als van zijde en linnen. Nu durfde hij het aan om voor de duur van twee jaar een meesterknecht en verder personeel aan te nemen. Zijn vriend Hornius bezocht hem meermalen, wellicht vergezeld van diens jonge assistent Rotger Knöttner uit Coesfeld.[157]

Voor de rode wolverf gebruikte Moriaen net als zijn voorgangers karmijn (een extract van cochenille- of schildluizen), dat met aluin, wijnsteen, salpeterzuur en een tinoplossing werd behandeld. Opgelost tinzout werd doorgaans verkregen met behulp van koningswater, een agressief mengsel van zout- en salpeterzuur. Voor het verven van katoen voldeed tinchloride. Voor de blauwe verf heeft Moriaen waarschijnlijk gebruik gemaakt van indigo dat met zwavelzuur (vitriool) werd bewerkt, dan wel met oleum (‘rokend zwavelzuur’) omgezet in karmijnblauw.[158] Om deze processen vlekkeloos te laten verlopen en de lakens snel uit te kunnen spoelen was bovendien veel schoon water nodig. De chemische stoffen die bij dit alles werden gebruikt waren nog maar sinds kort in grotere hoeveelheden beschikbaar, onder andere dankzij het voorwerk van Glauber, die net als zijn vriend Moriaen een tijdje bij de gebroeders Kuffeler heeft gewoond.[159] De grote voorraad aan chemicaliën waarover de lakenververs beschikten konden overigens ook voor andere doelen worden ingezet: Johann Sibertus Kuffeler gebruikte koningswater in zijn ultieme poging goud te maken uit zilver. Een ongenoemde vriend die op zijn laboratorium paste zou dit geheim hebben ontdekt. Toen het betreffende mengsel was opgebruikt, liet het experiment zich echter niet herhalen. Alle pogingen bleven vruchteloos en de door schulden geplaagde Kufferer raakte diep teleurgesteld.[160]

Het levensverhaal van Moriaen is typerend voor de wereld van Hoogduitse immigranten waartoe Johann Caspar Knöttner behoorde. De laatste heeft zich vermoedelijk vroegtijdig op de lakenververij toegelegd. Misschien heeft hij na Rusdorfs dood in 1640 eerst een tijdje in Engeland gewerkt. Eventuele ervaringen uit Neurenberg kwamen nu goed van pas. In 1646 schreef de Duits arts Heinrich Appelius vanuit Amsterdam dat er inmiddels een geleerde landsman van hem was die het geheim van Kuffelers rode verf kende. Hij had daarmee al geëxperimenteerd en het was volgens toeschouwers die hem hadden zien werken beslist geen slodderwerk, maar het werd allemaal zorgvuldig en netjes uitgevoerd. Daarbij moet het welhaast om Johann Caspar gaan.[161]

Er waren overigens meer kapers op de kust, zoals blijkt uit de plannen van een Duitse suikerbakker uit Amsterdam, kennelijk een oud-medewerker van Kuffeler, die zijn geheime kennis van het scharlakenverven in 1646 wilde ruilen voor een opleiding tot karmozijnverver. Dit met als het motto wetenschap voor wetenschap ende kunst om kunst’.[162] De Amsterdamse koopman en zijdeverver Hans Biermans beheerste eveneens ‘het verwen op de nieuwe manier van rootschaerlaecken’; hij beloofde deze vaardigheden aan de doopsgezinde gebroeders De Pla uit Leiden te leren. Een scharlakenverver in de duinen bij Overveen verkocht zijn bedrijfsgeheimen in 1649 voor 1500 gulden aan de gebroeders Tartarolis, eveneens lakenkopers uit Leiden, in ruil voor een nieuwe werkplaats met een kostbare tinketel van 740 gulden. Hier lijkt de vooral de ruime beschikbaarheid van fris water doorslaggevend voor de vestigingsplek te zijn geweest.[163] Een Franse legercommandant uit Maastricht beweerde tenslotte ‘het secreet van charlaecken ende van sijde’ al in het voorjaar van 1644 te hebben bemachtigd. Hij had toen beloofd het geheim te delen met zijn assistent, bij wie hij kennelijk in de schuld stond. Tien jaar richtten stichtten beide mannen alsnog een lakenververij in Tours, gefinancierd door de rijke Haagse kleermaker Steven Verhorst die als derde partner optrad.[164] De lakenververij in Den Haag stelde overigens weinig voor, zodat Johann Caspar hier aanvankelijk het alleenrecht lijkt te hebben gehad.[165]


Cnotner Scarlet-dye
Cnötner MS Chymical
(Samuel Hartlib,
1655 en 1656)

 

Omstreeks deze tijd zijn de gebroeders Kuffeler – zoals we zagen – uit Den Haag vertrokken; Johanns zoon Jacob Kuffeler week in 1647 uit naar Katwijk, waar voldoende schoon water beschikbaar was.[166] Probeerden ze de groeiende concurrentie van hun Hollandse collega te ontlopen? In Arnhem namen ze voor 500 gulden een oude lakenverver uit Flensburg aan, die zijn vaardigheden weer aan iemand anders moest leren. De leerling dreigde vervolgens met zijn kennis naar Engeland te vertrekken. Het ligt voor de hand dat Johann Caspar Knöttner van de verdere ontwikkelingen op de hoogte bleef, onder andere via zijn oomzegger Rotger, die Hornius vanaf 1656 assisteerde. In augustus 1655 plande hij een reis naar Engeland, wellicht om de markt daar te verkennen. “Hij heeft goede scharlakenverf”, noteerde Hartlib, “maar niet zo goed als die van Kuffeler hier in Engeland, die nooit vlekt”.[167] Het bericht stamde van Knöttners vriend Johann Friedrich Helvetius uit Den Haag. Volgens Kuffeler bezat zijn collega de belangrijkste scheikundige handschriften (every good MS chymical). Hij zou bovendien een methode zou hebben ontwikkeld om zilver uit ‘het nieuwe mineraal van de Nieuwe Wereld’ (wellicht argentiet) te extraheren. Dat lezen we tenminste in Hartlibs aantekeningen in de herfst van 1656.[168]


Landgoed Hulkestein aan de Rijn bij Arnhem,1551
(arneym.nl)

 

De ontwikkelingen stonden intussen niet stil. Spionage, bedrog en diefstal van bedrijfsgeheimen waren aan de orde van de dag. Het geheim van het scharlakenrood werd langzamerhand in ruimere kring bekend. En er kamen telkens nieuwe vondsten bij. Kuffeler ontwikkelde bijvoorbeeld zwarte kledingverf en een verbeterde scharlakenrode verfstof, waarvan hij het geheim aan Hartlib verkocht.[169] Moriaen klaagde op zijn beurt mismoedig in april 1658 dat hij zijn handen vol had aan karmozijn en scharlaken. Maar na een tijdje lukte het ook hem ‘nieuwe en betere kleuren’ te vinden. Half juni werd het vuur onder de grote tinketel aangestoken, zodat hij eindelijk aan de slag kon.[170] Zijn kameraad Hornius berichtte anderhalf jaar later opgetogen over een andere vriend die zwarte kledinglak en andere mooie tinten uit een helder dompelbad tevoorschijn kon toveren, zonder dat de stoffen daarna afgaven.[171] Hij vertelde er niet bij wie dat was. Moriaen deed bij gebrek aan concurrentie goede zaken; zijn klanten kwamen uit het hele rivierengebied van Rotterdam tot achter Nijmegen. “Hij kan zichzelf met het lakenverven onderhouden en hoopt op den duur welvarend te worden om het heil van de mensheid te kunnen dienen”, berichtte Hartlib, die Moriaen ‘een ware Nathanael’ (een geschenk Gods) noemde.[172] In 1662 verkocht de bejaarde predikant zijn Arnhemse belangen en verhuisde hij naar Muiden, waar hij enkele jaren later overleed. Scharlakenrood bleef een een veelgevraagde kleur, waarvan de omstandige productie zich niet gemakkelijk in een stedelijk keurslijf liet dwingen. Het nieuwe lakenverversgilde in Amsterdam maakte dan ook een uitzondering voor ‘craproot, scharlaken ende kuflaers couleuren’, waarvan het gebruik aan de vrije markt werd overgelaten.[173]


Kopergravure met portret van
Johann Caspar Knöttners vriend
Johann Friedrich Helvetius
(wikimedia)

 

Over de verdere lotgevallen van Johann Caspar Knöttner weten we weinig. Hij werd pas na zijn dood beroemd door een zoutzuurmengsel dat hij had vervaardigd voor Anthonie’s broer, de Haagse zilversmid Andries Grill (1604-1665). Deze gerenommeerde zilverkunstenaar beweerde in 1664 dat hij methode had gevonden om een stuk lood te laten veranderen in goud en zilver.[174] Op het ondergedompelde metaal verschenen na een tijdje witte kristallen die zilver bleken te bevatten. Grill probeerde het daarna nog weer, maar het mengel van zijn plaatsgenoot bleek tot zijn spijt onmisbaar om het experiment te laten slagen. De listige zilversmid had zichzelf al rijk gerekend, maar kwam bedrogen uit. Toen hij uiteindelijk besloot open kaart te spelen tegenover Knöttner, was de ander, die verschillende mengsels in voorraad had, naar eigen zeggen al weer vergeten welke hij had meegegeven. Johann Caspar nam zijn kennis mee in zijn graf; Grill verdronk kort daarna. “Geen enkele onderzoeker heeft na hun dood deze kunst (om zilver te maken) zoals zij dat deden, kunnen vinden”.

Het verhaal over de ontmoeting met Grill werd beroemd door het boek Vitulus Aureus (Gouden Kalf) van de Haagse arts en alchemist Johann Friedrich Helvetius alias Schweitzer uit 1667. Helvetius vertelde dat Knöttnerus een van zijn beste vrienden (amicus aliquo mihi optimo) was geweest; Grill had daarentegen volgens hem geen kaas van alchemie gegeten.[175] De anekdote lijkt als twee druppels water op het eerdergenoemde verhaal van Kuffeler en werd in andere boeken vele malen naverteld. De eigenwijze kleine wonderdokter uit Saksen-Anhalt wist zijn lezers te fascineren met de bewering dat hijzelf - in tegenstelling tot zijn voorgangers – er wel degelijk in was geslaagd goud te maken. Een geheimzinnige koperslager uit het Waterland, in lijn met de chiliastisch-alchemistische traditie ‘Elias Artista’ genoemd, zou hem een stukje van de steen der wijzen hebben gebracht: een wonderbaarlijke substantie die – terwijl hij zelf verteerde – andere materie zou kunnen transformeren tot edelmetaal. Engelen met baarden spelen in de profetieën van die tijd wel vaker een rol. In lijn met het spreekwoord dat we al eerder tegenkwamen stelt de zinspreuk die de zilveren herdenkingsmedaille voor Helvetius uit 1709 siert: “Hij heeft genesen, en is gestorven om genesen te werden”.[176]


Alchemistische symboliek bij Johann
Joachim Becher,
Actorum Laboratorii
Chymici Monacensis, 1669, waarin
Craffts ontmoeting met Johann
Caspar Knöttner wordt beschreven.

 

De chemicus Johann Daniel Crafft (1624-1697) uit Dresden vertelde een andere anekdote. Hij ontmoette Johann Caspar Knöttner in Amsterdam, waar deze hem in een vrolijke bui op dure Spaanse wijn trakteerde.[177] Op de vraag hoe het kwam dat hij ineens zo vrijgevig was geworden, zei hij dat hij dankzij de alchemie nu een glas wijn kon betalen om samen met zijn vriend te drinken. Hij vertelde dat hij had ontdekt hoe je op een simpele manier van kwik echt zilver kon maken. Toen Crafft dit niet geloofde, liet hij op diens kosten zwavel halen bij zijn vaste leverancier of materialist. Hij stopte het kwik in een bolletje van touwvezels, die hij met zwavel had doordrenkt. Dit bolletje stak hij vervolgens in brand, waarna hij puur zilver te voorschijn toverde. Crafft liet zich overtuigen, maar de lol was er volgens hem af zodra alle zwavel was verbruikt. Het doet denken aan een klassieke alchemistentruc waarbij het mineraal cinnaber (kwik(II)sulfide) wordt veranderd in zilverkleurige druppels.[178]

De verhalen geven in elk geval aan dat Knöttner ervaring had met chemische processen. Als gespecialiseerd lakenverver moet hij veelvuldig met zwavelzuur (vitriool) en salpeterzuur (‘sterk water’) hebben gewerkt, mogelijk was hij ook betrokken bij de productie daarvan. Uit het feit dat hij beroepsmatig tevens met verdund zoutzuur (‘de geest van zout’) in de weer was, valt af te leiden dat hij inderdaad vertrouwd moet zijn geweest met de productie van scharlakenrood. Kwik en zwavel werden onder andere gebruikt voor de productie van vermiljoen, waarmee men het scharlakenrood vuriger deed schijnen. Het giftige kwik werd verpakt in schapenhuiden ‘bij duizenden kilogrammen’ uit Slovenië aangevoerd, daarna verwerkt tot cinnaber (kwiksulfide) en vervolgens op de Zaanse molens verpulverd.[179] Was hij wellicht één van de twee vaklui op wie Moriaen doelde? Rijk is hij er in elk geval niet van geworden. Dat geldt wel voor zijn gesprekspartner Crafft, die later succes zou krijgen met de handel in fosfor, een van de nieuwe chemische stoffen die dankzij de alchemie werden ontdekt.


 Geber Arabus & Caspar Hornius,
Chimicae, Leiden 1668.

Ook Johann Caspars landgenoot Georgius Hornius hield zich sinds zijn Neurenbergse jaren bezig met de alchemie en verkeerde regelmatig onder gelijkgezinden. Al in Groningen had hij vermoedelijk contact met andere liefhebbers van dit vak (zoals Philipp Schreckenfuss). Hij was, zoals we zagen, een goede vriend van Moriaen en een studiegenoot van Johann Michael; Helvetius was een van zijn studenten in Harderwijk. De wens om het geheim van het goud maken te ontsluieren hield de professor zo in de grip dat hij daaraan al zijn geld verspeelde. Hij raakte af en toe volledig van slag en werd overvallen door een ‘razende melancholie’. Voorjaar 1665 sloot men Hornius enkele dagen op teneinde hem tegen zichzelf te beschermen. Later liep hij in een vlaag van verstandsverbijstering naakt door de straten van Leiden, terwijl hij in het Latijn uitriep: “Heb je ooit een paradijselijker mens gezien? Ik ben Adam!” De bewering dat de mens zich kon transformeren en net als Adam zonder zonde zou kunnen zijn, sprak de spiritualisten sterk aan. Uitgesproken vroomheid en alchemie waren twee kanten van dezelfde medaille. In de ogen van de gereformeerde orthodoxie dreigde dit te ontaarden in ketterij. Hornius had bovendien het aanzien van de universiteit geschaad. In juli 1668 concludeerde men dat hij krankzinnig was geworden. Hij kwam min of meer onder curatele te staan en werd uiteindelijk gedwongen elders een aanstelling te zoeken.[180]

Hornius gaf de schuld aan de listige goudmakers en wichelaars die hem hadden misleid, met name een ongenoemde ‘goudmaker’ of alchemist uit Den Haag die hem had opgelicht en vijfduizend gulden afhandig zou hebben gemaakt. Hij vatte zijn werk ‘frisser en vrolijker’ dan ooit weer op en publiceerde om zijn gelijk te bewijzen nog hetzelfde jaar een tekst van de middeleeuwse alchemist Jābir ibn Hayyān (Geber Arabis) met een inleiding over het waarheidsgehalte van de alchemie en een traktaat van zijn overleden oom Caspar Horn (1583-1653), een gereformeerde stadsarts uit Saksen zijn toevlucht had gezocht in de stadsrepubliek Neurenberg. Georgius had drie jaar bij hem gewoond. Deze oom stond erom bekend dat hij de Bijbel zestig keer van kaft tot kaft had doorgelezen.[181] Georgius Hornius’ beknopte Kerkelycke historie uit 1665 werd uiteindelijk een groot succes. Kort voor zijn geplande vertrek naar Heidelberg in 1670 stierf de strijdbare hoogleraar. Wie de ‘goudmaker’ was die hem had opgelicht, vermeldt het verhaal niet; mogelijk was het Andries Grill, wiens vertrokken broer de bijnaam aurifaber had.[182] De kans is in elk geval groot dat hun overleden landgenoot Johann Caspar Knöttner en wellicht ook diens neefje uit Coesfeld er meer van hebben geweten.

 


Aliis inserviendo me ipsum Consumo
Pharmacoepia (receptenboek) van de arts Hans Henricus Neller, mogelijk uit Wenen 1621-1622
[183]
(Veilinghuis Sokol Books, 2017)

(Terug naar boven)

 

7. De duif als mystiek symbool

Afbeeldingsresultaat voor koberger genesis bibel

Gods adem daalt neer op de
wateren (Gen. 1:2).
Afbeelding uit de bijbel van
Anton Koberger, Neurenberg 1483
(Baierische Staatsbibliothek)
(
www.museum.de)

 

De duif keert terug bij de ark met een
olijftak in zijn snavel (Gen. 8:11).
Afbeelding uit de bijbel van
Anton Koberger, Neurenberg 1483
(Victoria & Albert Picture Library,
biblearchaeology.org)

 

Het wapen op de grafzerk van Johann Michael Knöttnerus uit 1684 toont een omgewende, dat is een naar links toegewende duif met een olijftakje op een rots, met als helmteken een opvliegende duif, eveneens omgewend. Gezien vanuit de toeschouwer kijkt de duif naar rechts, wat in de heraldiek niet vaak voorkomt. Over de oorspronkelijke kleuren is niets overgeleverd. De nakomelingen meenden te weten dat het om een zilveren duif op een blauw schild ging; de rots kreeg uiteindelijk een groene tinctuur.[184] In de christelijke iconografie geldt de olijftak als symbool voor verzoening, niet alleen tussen God en de mensen, maar ook tussen de mensen onderling. De duif wordt gezien als een vredesbode. Volgens het Bijbelverhaal liet Noach nadat hij met zijn gezin de Zondvloed had overleefd eerst een raaf en vervolgens een duif uitvliegen. De duif kwam terug met een olijftak als teken dat het verdronken land opnieuw bewoond kon worden. Ook Gods adem wordt in de regel uitgebeeld als een duif. “Und der Geist Gottes schwebet auff dem Wasser”, zo vertaalde Maarten Luther de tweede zin van het scheppingsverhaal (Genesis 1:1) en hij voegde eraan toe dat het wel om de Heilige Geest moest gaan, want de wind bestond nog niet.[185] In het Hooglied van Salomo wordt de band tussen God en mens beschreven als een liefdesrelatie. De bruid wordt hier vergeleken met een tortelduif. In het Nieuwe Testament staat de vliegende duif voor de Heilige Geest die na diens doop op Jezus neerdaalde en bij de mensen achterbleef nadat hij in de hemel werd opgenomen. Het gaat vanuit deze visie dus niet om een simpele vredesduif, maar om een symbool uit de verbondsleer, waarmee tegenstellingen overwonnen en gelijkgezinden met elkaar verbonden worden. In de middeleeuwse iconografie kende men tenslotte ook de ‘zeven gaven van de Heilige Geest’ als de bijzondere eigenschappen van de verwachte Messias (Jesaja 11:1-2), bijvoorbeeld bij Thomas van Aquino, weergegeven in de vorm van zeven duiven.[186] Protestantse theologen uit de late zeventiende eeuw zagen deze zeven vormen van hemelse genade als een cyclus van innerlijke wedergeboorte.[187]


Omgewende vredesduif op een gevelsteen in het
door gevluchte Nederlandse remonstranten
gestichte Friedrichstadt in Sleeswijk-Holstein, 1622
(Am Binnenhafen 22)
(
hausforscher.de)

 

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de vredesduif in de nadagen van de Reformatie een belangrijk symbool werd voor het irenische streven om de tegenstellingen tussen de protestantse kerken te overwinnen. De gereformeerden zagen hun eigen geloofsgemeenschap – in het verlengde van het Hooglied – als de Bruid van Christus, en de bijbelteksten die Gods liefde voor de mens beschreven, las men als metafoor voor Gods bemoeienis met de kerk. In de kanttekeningen van de Statenbijbel bij Psalm 74:19 wordt de ziel van de tortelduif daarom gelijkgesteld aan het kerkelijke leven dat door de vijand dreigt te worden vernietigd.[188] Luthers vertaling van deze bijbelpassages was veel directer: de duif was bij hem het symbool voor het hele volk Israël, gevlucht uit het door oorlog verwoest land en gekweld door verlangen naar goddelijke rechtvaardigheid:

[19] En wilt doch den gedierte niet geven de ziele uwer tortel-duyve, ende uwe ellendige dieren niet soo geheel vergeten. Gedenckt aen ’t verbont, want het land is over-al jammerlijck verheert, ende de huysen zijn verscheurt. Laet den geringen niet met schande wegh-gaen, want de arme ende ellendige roemen uwen Naem.

[20] Uwe weder-partijders brullen in uwe Huysen, ende setten hare Afgoden daer in. […] Sy verbranden uw’ Heylighdom […]. Sy spreken in haer herte: “Laetse ons plonderen”; sy verbranden alle Huysen Godts in den lande. Onse teeckenen en sien wy niet; ende geen Propheet en predikt meer, ende geen Leeraar en leert ons meer.[189]


‘De duyf van Vreede’ op een gevelsteen uit 1733
 te Den Haag, Bronovolaan 38
(www.gevelstenen.net)

 

Gods wraak schetst hij (in het commentaar bij Psalm 68:14) als de komst van een Hemels bevrijdingsleger, voorzien van blinkende harnassen en rode vaandels die glinsteren als duivenvleugels. Voor de vluchtelingen uit de Palts, die hoopten op een protestantse revanche, was dit een vertrouwd beeld. Ook Petrus Datheen volgt deze laatste interpretatie in zijn psalmberijming uit 1566. De Statenbijbel heeft het in dit verband over vleugels, overtrokken met zilver, en gouden veren in de kleur van rijpend graan. Calvijn had hieraan echter een andere wending gegeven: de kerkleden die zich nu nog bevinden temidden van zaken die zwart afgegeven, zullen hun aangeboren schoonheid behouden en wit als duivenvleugels worden.[190] De symboliek is typerend voor het chiliasme uit de Reformatietijd. De radicale reformator Thomas Müntzer stelde op deze manier – met een verwijzing naar een alchemistische symboliek – de zeven maal gelouterde zilveren duif (waarmee hij zichzelf bedoelde) tegenover de zwarte raaf, waarmee hij Luther karakteriseerde.[191]


Wapen van Veit Dietrich (1506-1549), predikant te Neurenberg
(Siebmacher, dl. 5)

 

Het is de vraag waarom Johann Michael de duif tot zijn wapen heeft gekozen. Mogelijk is het een verwijzing naar zijn jeugdjaren in de stadsrepubliek Neurenberg. De hoofdpersoon van de (lutherse) reformatie in deze stad Veit Dietrich (1506-1549) had eveneens een vliegende duif en een groene heuvel – een drieberg – in zijn wapen.[192] De heuvel met drie toppen was vanouds een symbool voor Golgotha. Dietrich vormde rond 1600 vanwege zijn trouw aan Melanchton en zijn onverzoenlijk houding tegenover de katholieke kerk ongetwijfeld een belangrijk identificatiefiguur voor irenisch ingestelde protestanten. Wapens met een vredesduif op een heuveltje zijn echter wijd verbreid. De handboeken vermelden tientallen familiewapens met een zilveren duif met olijftak op een blauw veld, al dan niet op een groen heuveltje. Doorgaans kijken de duiven naar rechts, maar er zijn méér uitzonderingen.[193] Meestal zijn de duiven zilverkleurig.

 
De Heilige Geest in de vorm van een
duif daalt neer op Jezus na zijn doop.
(Detail uit de Doop van Christus,

Piero della Francesca, ca. 1448-50)
(
concordatwatch.eu)

 

De verklaring ligt echter niet alleen in de gangbare christelijke beeldentaal. De alchemistische denkwereld van Johan Michaels broer, die afwijkt van de gangbare orthodoxie, biedt hele andere perspectieven. In de taal van de alchemisten en hermetische denkers had de duif vooral een verborgen betekenis. Vanuit de Joodse mystiek (die mogelijk weer op Egyptische voorbeelden terugging) stond de hij voor de onsterfelijke ziel van de mens. In de Kaballa wordt bijvoorbeeld beschreven hoe de Messias tot zijn komst in een soort hemelse duiventil verblijft.[194] Voor de hermetici die zich door de Joodse traditie liet inspireren werd het daarom een belangrijk gegeven dat Christus’ ziel was ontsnapt aan zijn stervende lichaam op Golgotha. Eerst zijn reis naar de onderwereld maakte vervolgens de totale overwinning op de dood mogelijk. Iedere gelovige kon aan dit wonder van transformatie deel hebben.[195] Het Heilige Sacrament fungeerde daarbij als een soort steen der wijzen die het proces van innerlijke wedergeboorte op gang bracht. Lijdensweg, kruisdood, hellevaart en fysieke wederopstanding van Christus stonden volgens de alchemisten model voor de hoofdfasen van hun Grote Werk. Waar katholieken en lutheranen zich echter op lichaam en bloed van Christus als symbool voor diens innerlijke natuur en levenskracht concentreerden, stelden de calvinisten juist de werking van de Heilige Geest centraal. Daardoor ontstonden verschillende tradities binnen de alchemie. Maar ook anderen lieten zich door deze hermetische visie inspireren. Zo benadrukt Comenius dat in het diepste van de menselijke geest de ziel huist, de bron van de vrije wil en het geweten, die lichaam en geest stuurt zoals de stuurman zijn schip bestuurt. Bij hem wordt deze alchemistische symboliek vooral allegorisch opgevat.[196]

Bij de alchemie gaat het dus niet alleen over scheikundige processen. De zoektocht naar de steen der wijzen was tegelijkertijd een metafoor voor geestelijke transformatie, inkeer en vernieuwing. En omgekeerd: religieuze modellen werden gebruikt om beter begrip te krijgen van de natuur. Deze kennis was niet voor iedereen weggelegd; hij werd, zo meende men, alleen geopenbaard aan diegene die zich voor innerlijke vernieuwing openstelde. De zoektocht naar alchemistische kennis bewerkstelligde een loutering van de ziel die de mensheid rijp zou maken voor eenheid en verzoening. De geheimen waren bovendien geld waard, zodat men alleen tegenover vertrouwde vrienden klare taal durfde te spreken.[197] De middeleeuwse beeldentaal die op de gecompliceerde chemische processen werd losgelaten leidde echter ook tot verwarring.

De alchemistische principes werden getoetst aan het menselijk lichaam, dat steeds meer als een samenspel van tegenstrijdige krachten en autonome mechanismen werd gezien. Het mensbeeld was bezig te veranderen. Waar het lichaam tot dan toe werd gezien als een kwetsbaar geheel dat vooral tegen dreigingen van buitenaf beschermd moest worden, kwamen nu processen van innerlijk verval en vernieuwing centraal te staan. Volgens de leer van de iatrochemie was de menselijke gezondheid afhankelijk van een chemisch evenwicht dat door specifieke medicamenten beïnvloed konden worden. Men ging daarom op zoek naar de geest der dingen, de innerlijke levenskracht of de goddelijke vonk die voor herstel en wederopstanding kon zorgen, het universele medicijn dat de menselijke ziel uit zijn sterfelijke lichaam zou bevrijden. Dit alles is een diepe onderstroom die in het begin van de zeventiende eeuw zowel mystici en spiritualisten als strenge calvinisten en puriteinen bezig hield.


De Heilige Geest in de vorm van
een duif brengt de ampul met heilige
olie aan Sint Remigius, die op het
punt staat koning Clovis te dopen.
West-Vlaanderen, midden 14e eeuw.
(
wikipedia)

 

Aan het begin van het alchemistische proces staat de duif voor de goddelijke inspiratie die nodig is om werk van transformatie te laten beginnen. Dit is de vermaarde steen der wijzen, een soort universele katalysator die het veranderingsproces op gang brengt.[198] Het bekende traktaat Rosarium Philosophorum, opgenomen in de bundel De Alchimia uit 1550, beeldt dit beginpunt uit als een neerdalende duif een roos komt brengen. Het bijschrift stelt: “Het is de Geest die levend maakt” en in een andere variant “Het is de Geest die verenigt”.[199] De koning en de koningin houden elkaars linkerhand vast, daarmee het tegenstrijdige en risicovolle karakter van deze eerste fase benadrukkend. De roos is tegelijkertijd een metafoor voor de olijftak van verzoening als een aanbod van hogerhand.[200] Het mannelijke en het vrouwelijke element worden samengebracht zonder dat de uitkomst nog zeker is. Pas door goddelijke inspiratie ontwikkelen de dingen zich ten goede. De afbeelding verwijst tevens naar de ampul met heilige olie waarmee Franse en Engelse koningen werden gekroond, die volgens de traditie ooit was gebracht door de heilige geest in de vorm van een neerdalende duif.[201]

Het is deze houtsnede die model uit 1550 staat voor verschillende prenten waarmee het heilige huwelijk tussen Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart in 1613 werd opgeluisterd (zie hierboven). De duif is hier vervangen door het Hebreeuwse anagram יהוה of יְהֹוָה (JAHWEH, God), dat in deze context het irenische streven naar kerkelijke eenheid lijkt te benadrukken.[202] Voor de hermetici moeten de visuele parallellen met het sleutelwoord יחדה (JECHIDAH, ‘goddelijke vonk, eeuwige ziel’) uit Kaballa tot de verbeeldinghebben gesproken. Het aanbrengen van diakritische tekens duidt mogelijk op het hardop reciteren van Gods verschillende namen als onderdeel van de mystieke geloofsbeleving.[203] Zelfs voor leken die de Hebreeuwse taal niet machtig waren zou dit buitengewoon heilzaam zijn, zo benadrukt althans de spiritualist Heinrich Khunrath (ca. 1560-1605). De wederzijdse aanraking met de linkerhand heeft op de nieuwe prenten plaats gemaakt voor een normale handslag, een heilig verbond tussen twee vorsten, waarmee kennelijk vooruit wordt gelopen op de volgende fase van het transformatieproces. De spirituele thematiek werd verder uitgewerkt in het geruchtmakende boek Chymische Hochzeit des Christian Rosencreutz uit 1616, toegeschreven aan de mythische grondlegger van de Rozenkruisers, een fictief genootschap waarvan de naam werd gebruikt om mystieke vroomheidsidealen onder de aandacht van een groter publiek te brengen.[204] De werkelijke auteur (de jonge theoloog Johann Valentin Andreae) bleef vooralsnog onbekend.


 De witte duif als spirituele essentie
van de oude man die het eeuwige
leven zoekt (1582)
(
Splendor Solis, plaat 11)

 

De eerste fase van het Grote Werk is een periode van lijden, ontbinding en versterving (nigredo of ‘zwartheid’). Dit wordt doorgaans afgebeeld als een kraai of raaf die op een schedel zit. Pas in de volgende stap maakt de geest zich los uit de verstrengeling met de dode materie. Dit is de fase van de albedo of ‘witheid’, het wegwassen of wegbranden van onzuiverheden, waardoor de essentie van de dingen zichtbaar wordt. Bij chemische processen herkende men dit aan de zouten, destillaten en extracten die zich hadden gevormd. Op deze wijze dacht men ook onedele metalen in zilver te kunnen veranderen. De alchemisten beeldden deze fasen gewoonlijk uit als een witte duif die na een langdurig gevecht de zwarte raaf overwint. Zij noemden dit de ‘geest der wijsheid’ of spiritus philosophorum.[205] Een vijftiende-eeuws traktaat geeft een treffende omschrijving:

Dit is het lood der filosofen’ (plumbum philosophorum), dat zij ook wel de geest van lood noemen: het looderts waarin een prachtige witte duif verborgen ligt die metaalzout wordt genoemd. Dit is de hoogste graad van meesterschap die men bij het werk kan bereiken. Dit is de kuise, verstandige en rijke koningin van Seba, omfloerst met witte sluiers, die zich aan niemand anders dan aan koning Salomo wil onderwerpen. Geen mensenhart kan dit alles doorgronden.[206]

Ook dit proces had een spirituele lading. In het rijk verluchte manuscript Spendor solis uit 1582, toegeschreven aan Salomon Trismosis, wordt het tragische verhaal verteld van een bejaarde koning die op zoek is naar de eeuwige jeugd. Hij laat zich doden om zijn innerlijke essentie in de vorm van een witte duif terug te winnen.

De geest maakt zich los uit de
omstrengeling door de vier
elementen (Frankrijk, 18e eeuw)

(uit: Sapientia veterum
philosophorum
,
Parijs, Arsenal Ms. 974)
(
hermetik-international.com)

 

Il "Mercurio dei filosofi" rappresentato come "anima del mondo". Da un manoscritto del XVI secolo.:
 ‘Mercurius philosophorum’
(tweede helft 16e eeuw)
(uit:
Turba Philosophorum, Parijs,
BNF, Ms. Lat. 7171)
(
Pinterest)

 

Symboliek van innerlijke transformatie bij Basilius Valentinus

(1613, ed. 1677)
(
wikimedia, naar Deutsche Photothek)

Soms zien we in de afbeeldingen een opvliegende duif die zich heeft losgemaakt van de materie. Een van de essenties die de alchemisten meende te kunnen isoleren was het ‘kwik der filosofen’ (mercurium philosophorum), afgebeeld als een omfloerste Venusgestalte met een opvliegende duif op haar hoofd. De duif is hier niet alleen een teken dat de reinigingsfase voltooid is. Hij staat hier ook voor de vogel van Hermes (avis hermetis), de boodschapper der goden en de brenger van verborgen kennis. De stralende vrouwengestalte wordt elders ook afgebeeld als metafoor voor de menselijke ziel.[207] Op het eerste gezicht lijkt het vooral om een chemische proces te gaan, waarbij men het vloeibare metaal met hitte meende te kunnen ‘bezielen’, zoals ook Johann Caspar Knöttner dat in een van zijn experimenten deed.[208] Glauber wijdde er zelfs een heel boek aan. Maar ook hier was nog iets anders aan de hand.

Uit het zogenaamde Boek van Lambspring, ontstaan rond 1500 in Noord-Duitsland, blijkt dat deze goddelijke vogel tevens een metafoor is voor het levenspad van vrome mannen en vrouwen die steeds meer streven naar het hogere, maar nog steeds innerlijk verscheurd worden door materiële zorgen en liefde voor hun kinderen. De vogel die op haar nest zit (in dit geval een adelaar) houdt haar evenbeeld tegen die omhoog wil vliegen.[209] Deze materiële kant van het bestaan wordt elders gesymboliseerd door de pelikaan die zichzelf opoffert voor haar kinderen. Uiteindelijk dragen de beide duiven echter de kroon van de overwinning. Dergelijke beelden waren wijd verbreid dankzij alchemistische handboeken als die van Basilius Valentinus (Azoth, 1613), Johannes Daniel Mylius (Philosophia Reformata, 1622) en het Musaeum Hermeticum (1625), het laatste met illustraties van de bekende etser Matthäus Merian.[210] De zeven stappen van innerlijke wedergeboorte bij Valentinus weerspiegelen bovendien de zeven hemelse genadegiften die – zoals we zagen - vanouds in de vorm van zeven duiven werden afgebeeld. Het lijkt hierbij tevens te gaan om een voorloper van het piëtistische leerstuk dat zeven stappen van wedergeboorte onderscheidt.[211]


 Detail uit een ets van Matthaeus Merian over het maken van drinkbaar goud
(‘Auri Potabilis Chimice Praeparati’, in: Robert Fludd, Utriusque cosmi majoris scilicet et minoris
metaphysica, physica atque technica historia
, Oppenheim 1617)
(
golden-dawn.com)

Nog één keer komt de duif daarna terug in iconografie van het Grote Werk, nu aan het slot van de laatste fase van rubido of ‘roodheid’. De duif symboliseert hier de overwinning van alle tegenstellingen en de voltooiing van het transformatieproces. Hij heeft zich losgemaakt van materiële zorgen, maar moet alleen nog zijn vurige passie beteugelen. Hij raakt in een bloedig gevecht met zijn tegenspeler, maar wordt daardoor opnieuw getransformeerd. “Uit de duif wordt een nieuwe feniks geboren, die duisternis, stank en dood achter zich laat, om zo een nieuw leven te beginnen”, zoals Lambspring het onder woorden brengt.[212] Deze goddelijke vogel die ongeschonden oprijst uit het vuur staat voor het geloof in de onsterfelijke ziel en de verwachting van een eeuwig leven. Het is een duif in overwinningskleuren, zoals ook Luther hem schetst. Uiteindelijk krijgt deze duif als symbool van de Heilige Geest een plek tegenover het Lam Gods aan de linkerhand van de Schepper. Deze fase wordt ook wel afgebeeld als de wederstanding, waarbij de dode oprijst uit zijn graf.


Wapen op de grafzerk van
JOHANNES MICHAELIS
KNOETTNERUS, Greetsiel 1684.
(© Jan Knottnerus, Emmen)

 

De duif was in het begin van de zeventiende eeuw een belangrijk symbool voor innerlijke transformatie en het kan haast niet anders dan dat Johann Michael deze beeldentaal van nabij kende. Er bestonden in deze periode nog veel raakvlakken tussen strenge calvinisten, puriteinen en spiritualisten. Er was vermoedelijk geen reden voor hem om van deze symboliek afstand te nemen. De familieoverlevering suggereert dat het familiewapen stond afgebeeld op de zegelring en daarom veel ouder was. Maar het kan evenzeer om een persoonlijk wapen zijn gegaan of om een wapen dat hij met zijn broers deelde.

Op de grafzerk van Johann Michael worden alle drie fasen van innerlijke transformatie aangeduid als in een stripverhaal: het lijden en versterven door anderen te dienen (de brandende kaars op de schedel), de losmaking van het materiële (de zittende duif) en de uiteindelijke bevrijding (de opvliegende duif). In beide gevallen maakt de duif zich los van de ondergrond die hier afgebeeld wordt als een rotspunt. De rotspunt is tegelijkertijd een verwijzing naar het sterven van Christus op de berg Golgotha (Hebreeuws voor ‘schedelplaats’); vaak werd hiervoor de heraldische vorm van de drieberg gekozen, maar dat is niet noodzakelijk. Johann Michael stamde naar eigen zeggen uit Gnadenberg (een zinspeling op Golgotha), maar had zich daar noodgedwongen van los moeten maken. De olijftak kan tenslotte worden opgevat als teken van overwinning.[213]

Een dergelijke symboliek was in de regio waar Johann Michael zich vestigde niet ongebruikelijk. Het zinnebeeld van de pelikaan die zichzelf opoffert vinden we ook in het wapen van het stadje Appingedam.[214] En de marktplaats Weener, vlakbij de woonplaats van zijn zoon, koos omstreeks deze tijd voor de fenix, naar verluidt als teken dat men zich goed had hersteld van de ellende van de Dertigjarige Oorlog.[215] Het Oost-Friese gravenhuis en de stad Emden tooiden zich daarentegen met de bloeddorstige harpij (net als overigens Neurenberg), terwijl Groningen (net als de vrije rijksstad Eger) de rijksadelaar in zijn wapen had. De vreedzame duif die zich evenals de pelikaan tussen de strijdbare partijen wist te handhaven, contrasteerde in dit opzicht met de onstuimige tijdgeest.



 



Linksboven: Johan Blum, verguld-zilveren
medaillon ter gelegenheid van het
huwelijk van Willem II van Oranje en
Maria Stuart, 1641
(
www.scheveningen1813-2013.nl)

Linksmidden: Johan Blum, huwelijkssymboliek
op een gedenkmunt ter gelegenheid van de
Vrede van Münster, gemaakt in opdracht van
de stad Emden, 1648 (Rijksmuseum)

Linksonder: liefdessymboliek met brandend
hart, omhoog gehouden door Amor, op een
 knottekistje uit West-Friesland,
 ca. 1630-1640
(chateaudeseneffe.be)

Rechtsboven: Johan Blum, tinnen huwelijksmunt
 voor algemeen gebruik, 1641, met barokke
liefdesengel, tortelduiven en Jehova-anagram.
 (
www.scheveningen1813-2013.nl naar
 Coinarchives.com).

Rechtsmidden: Johan Blum, huwelijkssymboliek
op een gedenkmunt ter gelegenheid van de
Vrede van Münster, gemaakt in opdracht van
de stad Emden, 1648 (Rijksmuseum)

 

Rechtsonder: details van een huwelijksmunt uit
Friesland, waarschijnlijk geproduceerd door

Johan Blum, midden 17e eeuw
(Halbertsma, Naoogst, dl. 1, p. 181)

Twee tortelduiven, geflankeerd door vredespalmen, nemen eveneens een prominente plaats in op een zilveren gedenkmunt die de stad Emden liet slaan ter gelegenheid van de Vrede van Münster in mei 1648. Met dit vredesverdrag werd het einde van de Dertigjarige Oorlog ingeluid en een periode van godsdienstvrede aangekondigd, zoals de vredesapostelen lang hadden gehoopt.[216] Boven de afbeelding ontmoeten twee handen die uit de wolken komen elkaar in een brandend liefdeshart: het is de hermetische symboliek van het ‘heilige huwelijk’ zoals we die al eerder tegenkwamen bij het huwelijk van Frederik van de Palts en Elizabeth Stuart. De maker was de vermaarde medailleur Johann Blum (ca. 1599-na 1689) uit Bremen, die soortgelijke munten voor andere opdrachtgevers maakte.

De oorspronkelijke motieven keren terug in de prenten en gedenkmunten die werden vervaardigd bij een ander huwelijksfeest, namelijk dat van de Willem II en Maria Henriëtte Stuart in 1641. Johann Blum vervaardigde bovendien anonieme tinnen versies, die door eenvoudige stervelingen konden worden gekocht om te worden gebruikt bij hun eigen huwelijksaanzoek. Ook hierin figureren de beide tortelduifjes.

De symboliek van het heilige huwelijk werd in de zeventiende eeuw steeds gebruikelijker bij de uitbeelding van liefde tussen twee mensen. De bruidsschat of huwelijkspenning die de man aan zijn beoogde bruid gaf werd voortaan gesymboliseerd door een van liefde brandend hart.[217] Ook hier werd het materiële aspect getransformeerd tot een geestelijke streven, dat tevens de grotere emotionele verwachtingen weerspiegelde die men met het huwelijk was gaan verbinden. Het brandende hart, de ineengestrengelde handen en de tortelduifjes kregen een vaste plek in de bruidssymboliek, niet alleen in Holland en Friesland, ook in omliggende gebieden.

De alchemistische symboliek in het wapen met de duif heeft mogelijk nog een onverwachte kant, omdat hij tevens naar de lakenververij van de broer Johan Caspar lijkt te verwijzen. De duif maakt zich los van de rotspunt (knott), zoals het witte tinzout zich losmaakt uit het tinerts (knötel) van Bohemen. Het resultaat is de prachtige rode kleur waarnaar gestreefd werd. Het is bovendien een afspiegeling van de verwachting dat men ooit tin in zilver of goud zou kunnen transformeren, zoals men hoopte ook de ziel te kunnen transformeren. Dit geeft een onverwachte bijklank aan de naam Knöttner(us); het gaat zo gezien niet alleen om de bewoner van een rotspunt, ook om een soort beroepsnaam: iemand die in staat moet worden geacht met Gods hulp de materie in iets hogers te veranderen.

Familiewapen Knottnerus met
omgewende duif en als
helmteken een opvliegende duif,
gemodelleerd naar de grafzerk
uit 1684.
(Uit: Nederlands Patriciaat 1951)

 


Familiewapen Knottnerus,
heraldisch gecorrigeerd
door
Karel van den Sigtenhorst,
1972.
(Website familie Knottnerus)

 

Dat alles roept tenslotte de vraag op of het gecorrigeerde familiewapen Knottnerus, zoals wapentekenaar Karel van den Sigtenhorst (1925-2014) dat in 1972 volgens de heraldische regels heeft ontworpen, wel recht doet aan de voorgeschiedenis. Sigtenhorst, die werkzaam was bij het Centraal Bureau voor Genealogie, verving de opvliegende duif op het helmteken door een zittende duif en liet beide duiven naar rechts kijken (gezien vanuit de toeschouwer naar links). Zoals we hierboven zagen, was het vermoedelijk juist de bedoeling dat de duif op het helmteken omhoog vloog. Dat beide duiven op de grafzerk uit 1684 omgewend waren, zou in theorie een fout van de steenhouwer kunnen zijn, die dan verzuimd heeft de oorspronkelijke zegelring in spiegelbeeld te tekenen.[218] Maar even goed kan de wending naar links een bewust gekozen zinnebeeld zijn geweest voor de spirituele weg naar binnen.

De vraag blijft, waar de originele zegelring is gemaakt. Was het misschien Bremen? Of toch Neurenberg, waar tientallen zegelsnijders werkzaam waren? We het vermoedelijk nooit weten.

(Terug naar boven)

 

8. Derde generatie


Toegangspoort van het oude Academiegebouw
te Groningen, litho uit 1848 naar een tekening
 van Jan Ensing (1846)
(Wikipedia; Beeldbank Groningen)

 

Twee zonen van Johann Michael Knöttnerus uit Greetsiel volgden het spoor van hun vader. De jong gestorven Cornelius Knöttnerus (ov. 1665) werd – na een studie wijsbegeerte, Grieks en theologie in Groningen en voortzetting daarvan te Leiden – tweede predikant te Leer.[219] Hij stierf nog hetzelfde jaar tijdens een pestepidemie, net als zijn oom in Den Haag. Men meende achteraf dat de vele rouwpredikaties hem te sterk hadden afgemat, zodat zijn opvolger voortaan van deze plicht ontslagen werd.[220] Zijn jongere broer Johann Friedrich Knottnerus (1647/48-1687, niet Heinrich!) kreeg na zijn studie in Groningen en Bremen in 1673 een aanstelling tot tweede predikant in het volkrijke Groothusen.[221] Hier raakte hij waarschijnlijk bevriend met een van de dorpsheren, de jurist dr. Everhard ter Braeck, die als administrateur van de derde stand de belangen van de boerenelite in het landsbestuur behartigde. Na tien jaar verhuisde hij naar het uitgestrekte dorp Bunde in het Rheiderland, aan de rand van de vruchtbare Dollardpolders en onder de rook van de vesting Nieuweschans.

Waar de broers hun vooropleiding hebben genoten weten we niet, mogelijk was dit Latijnse school van Emden, misschien ook de illustere school in het lutherse Norden die vanouds een goede reputatie had. Het lijkt dat ze aanvankelijk het theologische pad van hun vader volgden. De Groningse hoogleraar Jacob Alting had zich intussen bekend tot verbondstheologie van de uit Bremen afkomstige Johannes Coccejus, hoogleraar in Leiden, terwijl Tobias Andreae aanhager van Descartes was geworden. Aan de Groningse universiteit heerste nu al lange tijd “een sfeer van principiële openheid tegenover nieuwe denkbeelden”, maar er waren wel degelijk onderhuidse spanningen.[222] Cornelius Knöttnerus volgde filosofiecolleges bij de arestoteliaan Martinus Schoock en voltooide zijn studie in Leiden onder toezicht van Coccejus en diens collega, de cartesiaan en dogmaticus Abraham Heidanus uit Frankenthal in de Palts.[223] Het was in alle opzichten een keuze voor gematigdheid. Bij de classis Loppersum (waar zijn oom Samuel Hillenius deel van uitmaakte) vertrouwde men zijn korte Groningse vooropleiding kennelijk niet helemaal; Cornelius moest extra bewijs van zijn vaardigheden leveren voor hij in 1662 kon worden bevestigd als kandidaat.[224] Toch zullen de lessen van de strenge Samuel Maresius en diens mildere collega Abdias Widmarius wel degelijk hun sporen hebben nagelaten. Widmarius was een irenisch coccejaan; als vluchteling uit de Palts en leerling van Hendrik Alting verkoos hij een zachtmoedige tussenpositie. Zijn oratie uit 1646 was gewijd aan de verschijning van de Heilige Geest in de gestalte van een duif (Columba, Spiritus Sancti hieroglyphicum).[225] Toen Alting hem in 1667 als hoogleraar theologie opvolgde ontstond alsnog een felle strijd met diens collega Maresius die eerst door de dood van de laatste werd beslecht. Ook Comenius raakte uit de gratie.[226] Dat Johann Friedrich eerder dit jaar de Groningse academie voor die van Bremen verwisselde zal vooral te maken hebben met de vacante leerstoelen in Groningen. Misschien was het ook een inhoudelijke keuze. In Bremen waaide inmiddels een andere wind: de Bremense theologieprofessor Heinrich Flocken, eerder predikant te Emden, was net als zijn vader en broer voorstander van de strengere richting die de calvinistische predestinatieleer centraal stelde.[227] Toch zien we pas in de volgende generatie een duidelijke wending naar een meer behoudende theologie.


Haven van Leer omstreeks 1850.
(Wikimedia)

 

Verder was er nog een derde broer, Engelhart Knottnerus (ov. 1731), die in 1675 net als zijn neef Rotger koopman werd te Leer. Vermoedelijk was hij meester timmerman en houthandelaar. Zus Hester trouwde een man uit Leer die hetzelfde beroep had.[228] Het mystieke christendom dat we bij eerdere generaties tegenkwamen, zou volgens sommige berichten in Leer al in de zeventiende eeuw om zich heen hebben gegrepen. Als dat zo is, dan ligt het voor de hand dat Engelhart en zijn gezin hierdoor beïnvloed zijn. Dat Engelharts zoon ‘meneer’ Jan (1691-1751) predikant te Leer werd, zoals de stamboom vermeldt, berust op een misverstand. Wel is hij in 1731 getrouwd met een predikantsdochter uit het naburige Loga; haar vader Henrich Friedrich Elers (ov. 1734) werd eerder door de overheid tot de orde geroepen vanwege zijn steun aan de radicale piëtist Christian Anton Römeling. De vrome predikant stond in dienst van graaf Von Wedel en meende zich wel het een en ander te kunnen veroorloven.[229]

Een van Engelhards dochters (Ebel) huwde de deftige schoolmeester Hermannus Mercator bij de Nieuwe Kerk te Emden, kleinzoon van een dorpspredikant uit Manslagt. Een andere trouwde plaatsgenoot Harmen Dirks uit Leer; twee van hun kinderen droegen opnieuw de achternaam van de moeder, namelijk de schipper Engelhard (Harms) Knottnerus te Groningen (1705-na 1772) en diens vermoedelijk jong overleden broer Cornelius Knottner Harmens (geb. 1708). De nakomelingen van de eerste (een familie van Groningse binnenschippers) noemden zich later Engelhard.[230] Deze tak van de familie Knottnerus stierf in 1808 in mannelijke lijn uit met de bakker Hinricus Fredericus Knottnerus te Leer. De laatste telg was nicht Teetje (1769-1852), die zich in 1815 liet scheiden van haar man. Haar zoon, de lithograaf Johann Engelhard Minnig, maakte carrière als kunsthandelaar en oplichter.[231]

De tweede dochter uit het gezin van ds. Johannes Michaelis Knöttnerus was Anna of Annetie Knotnerus (ov. 1742), die zich omstreeks 1680 met haar man grootschipper Jan Lolling vanuit Greetsiel in Amsterdam vestigde. Hij was een van de kapiteins van de vloot die Willem III en Maria Stuart in 1688 naar Engeland bracht.[232] Ook Jan Lolling stamde uit een domineesfamilie; waarschijnlijk gaat het om een zoon van de heetgebakerde eilandpredikant Gerhardus Lolling op Borkum. Het echtpaar woonde op Bickerseiland en had een jong overleden zoon Cornelis, die net als zijn vader op zee voer; kleinzoon Jan Lolling had een herberg en was wijnhandelaar. In de stamboom komen Anna en haar man niet voor. Mogelijk was er nog een derde dochter: in Groningse archieven wordt in 1710 een zekere Barbara Knottnerus genoemd, kennelijk iemand anders dan de gelijknamige nicht uit Leer; vier jaar later staat een burgemeester van Heusden borg voor haar schulden.[233]


Gereformeerde synode te Dordrecht, 1618-19.
Cornelius Hillenius (1568-1632) wordt
en profil afgebeeld onder nr. 93.


(wikimedia; Geheugen van Nederland)



Johann (Friedrich) Knottnerus trouwde vóór 1672 Swaantje Hillenius, dochter van ds. Samuel Hillenius (1609-1672) uit ’t Zandt. Zij was naar alle waarschijnlijkheid zijn volle nicht. Zijn stiefmoeder Juliana hertrouwde later Swaantje’s oom Esaias Hillenius (1622-1698), die predikant te Usquert was.[234] Mede door deze schoonfamilie sloop er een conservatieve inslag het gezin binnen. Swaantje’s grootvader Cornelius Hillenius was in 1610 één van de voormannen van de contraremonstranten en aanstichter van de godsdiensttwisten die Nederland toentertijd sterk verdeelden. Diens medestanders werden wel ‘slijkgeuzen’ genoemd, nadat ze vanuit Alkmaar over de modderige wegen naar Koedijk trokken om zijn preken aan te horen. De Dordtse Synode van 1618-1619 stelde hen – geruggesteund door een staatsgreep – in het gelijk en legde de basis voor de conservatieve koers van de Hervormde Kerk ten tijde van de Republiek. De mildere Heidelbergse Catechismus uit 1563 diende hierbij weliswaar tot de leidraad, maar in andere opzichten betekenden de besluiten van de synode een breuk met de irenische traditie. De Duitse gereformeerden, met name die uit Bremen, hadden dan ook veel moeite met de strakke koers van hun Nederlandse geloofsgenoten. Cornelius was inmiddels in 1612 als predikant naar Groningen beroepen en verdedigde als rechterhand van Franciscus Gomarus met verve het contraremonstrantse standpunt.[235] Ook diens vader Cornelius van Hille was een vermaard predikant die als balling in Engeland belandde; zijn Kleine Ziekentroost uit 1571 beleefde vele herdrukken.[236] Net als bij de familie Knottnerus werd de mythe van de familie Hillenius door aansprekende verhalen ondersteund. Zo verscheen bij het overlijden van Esaias’ gelijknamige kleinzoon, de bevindelijke predikant Jesaias Hillenius uit Drachten in 1759 een rouwpredikatie waarin de stamboom van de familie uit de doeken werd gedaan. En ook in zijn geval was de achternaam op een vrouwelijke tak van de familie overgegaan.[237]

Johann (Friedrich) stierf in 1687 op veertigjarige leeftijd, nadat hij ziek was geworden toen hij per schip vanuit Bunde op weg was naar Emden om de wekelijkse kerkvergadering van de coetus bij te wonen. Met zijn dood en die van zijn vader drie jaar eerder ontstond er kennelijk een breuk in de familieoverlevering. De weduwe verhuisde met vier kinderen naar een rijtjeshuis bij de kerkhofpoort voordat ze in 1704 hertrouwde. De strengere opvattingen uit de familie Hillenius kregen nu kennelijk de overhand binnen het gezin, mede onderschreven door Swaantje’s broer Esaias Hillenius in Usquert en wellicht ook haar schoonfamilie uit Leer. Misschien hebben de zoons de Latijnse school in Leer bezocht, waardoor ze kostganger werden bij hun oom Engelhard die in dat geval een stempel op hun opvoeding zal hebben gedrukt. Maar zeker is dat niet; het kan ook zijn dat de jongens het stadsgymnasium in Groningen, Appingedam of Emden hebben bezocht. Samuel bedankte in het voorwoord van zijn dissertatie, behalve zijn oom Esaias Hillenius en Groningse stadspredikant Abraham Trommius, nog twee mensen die zijn studie mogelijk hadden gemaakt. Dat waren de edelman Willem Alberda (1632-1702) van ’t Zandt en de jurist Everhard ter Braeck (1630-1698) op de Osterburg te Groothusen. De eerste was de beschermheer van zijn grootvader Samuel, verantwoordelijk voor diens benoeming als predikant; hij had filosofie gestudeerd en was in 1673-1674 curator van de universiteit. De tweede was gepromoveerd in Heidelberg en vermoedelijk bevriend met Samuels vader; diens zoon Warner werd een van de leiders van de Oost-Friese standen tijdens de burgeroorlog van 1726-1727.[238]

(Terug naar boven)

 

9. Voluit orthodox


Johannes à Marck (1656-1731)
hoogleraar theologie in Leiden, 1710
(wikimedia)

 

De vierde generatie – kinderen van de jong overleden Johann Friedrich Knottnerus – kende opnieuw twee predikanten, namelijk Samuel (1675-1749) en Cornelius Knottnerus (1684-1744). Beide studeerden in Groningen bij de rechtzinnige Brabantse hoogleraar Paulus Hulsius en promoveerden in Leiden bij de Friese dogmaticus Johannes à Marck (1656-1731). De laatste was in 1689 uit Groningen vertrokken na een heftige ruzie met zijn Altings opvolger, de coccejaan Johannes Braun uit Kaiserlautern in de Palts, die hij van onrechtzinnigheid beschuldigde. Ook Hulsius stelde zich vaak onverdraagzaam op. Beide waren volgelingen van de overleden puritein Gisbertus Voetius (1589-1676) uit Utrecht, maar tegelijkertijd wars van de bevindelijke stromingen die omstreeks die tijd de kop opstaken. Daarnaast zullen echter ook de irenische lessen van de oude hoogleraar Herman Witsius (1636-1708) indruk op de studenten hebben gemaakt.

De broers waren voluit orthodox. Samuel verzette zich – zoals we nog zullen zien – net als zijn leermeesters stevig tegen het opkomende piëtisme, dat de noodzaak van innerlijke wedergeboorte propageerde. Het devies van À Marck moet de beide jongemannen hebben aangesproken: “zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven” (Matth. 10:16).[239] De vernieuwende wind kwam echter, zoals we zullen zien, uit een onverwachte hoek. Juist in Bremen was er toenadering ontstaan tussen mystiek en verbondstheologie, met als belangrijkste vertegenwoordigers Theodor Undereyck (1635-1693) en Friedrich Adolf Lampe (1683-1729). Mede dankzij de predikanten die hier waren opgeleid verbreidde het gereformeerde piëtisme zich langzaam over Oost-Friesland. In de volgende generatie zou dat grote invloed hebben.


Studenten rond 1700 te Lingen
(wikimedia)

Alleen de oudste zoon Johannes Knottnerus of Knotner (ov. voor 1717) koos een ander beroep; hij vestigde zich net als zijn oom en oudoom in Leer en trouwde een schippersdochter.[240] Kennelijk was hij hier in de leer geweest; misschien nam hij de winkel van zijn oudoom over, wiens beide zoons waren overleden. Hij had drie dochters (waarvan er één haar volle neef Edzard Knottnerus trouwde) en een zoon Johannes. Deze laatste was mogelijk Johannes Knotnerus de Vries, die in 1761 in Leeuwarden als meester keurslijfmaker werkte; diens weduwe Louise Castanet stierf omstreeks 1800.[241] Over deze tak van de familie is verder weinig bekend; bij huwelijksfeesten in de familie werden ze niet uitgenodigd.

Zus Hester huwde de brouwer Geerdt Gerhardus de Boer uit haar geboorteplaats Bunde. Hun oudste zoon Gerhard de Buhr (1694-1730) studeerde theologie in Leiden en werd predikant te Rysum; een naamgenoot, wellicht een zoon, eveneens kandidaat in de theologie, was later verbonden aan de Latijnse school te Leeuwarden.[242]

De jongste zoon Cornelius Knottnerus werd na een studie in Groningen en promotie in Leiden bij Johannes à Marck in 1703 net als zijn grootvader predikant te Pilsum, waar hij in 1744 overleed; hij huwde vermoedelijk een boerendochter; zijn tweede vrouw was de weduwe van een collega.[243] Zijn studievriend Johannes Relotius werd predikant in Leer. Tijdens de burgeroorlog (de zgn. Appell-Krieg) tussen de lutherse vorst van Oost-Friesland en gereformeerde burgerij raakte Cornelius bijna in moeilijkheden toen hij met zijn neef Gerhardus de Buhr in september 1726 de markt in de hoofdstad Aurich bezocht. De partijgangers van de vorst bedreigden hem omdat hij een vluchteling zou hebben geholpen en riepen in het dialect: Das seind die beede rechte Pfaffen, das seind die schlimste Teufels” (zij beide zijn echte papen, dat zijn de ergste duivels). Vanwege hun afkomst uit het opstandige Bunde werden zij bijzonder gewantrouwd. Gerhardus liet zich intimideren, maar Cornelius gaf stevig weerwoord, zette zijn pruik recht en dreigde zo nodig aangifte bij de vorstelijke beambten te doen.[244] Een van zijn zoons nam in december van hetzelfde jaar deel aan een oproer waarbij enkele vorstelijke beambten gevangen werden genomen.[245]


 
Margarethe Knottnerus (1766-1831),
wed. von Halem, geportretteerd
 door de Groningse kunstschilder
Berend Wierts Kunst, Greetsiel 1823.
(De Vrije Fries 1962, afb. 4)

 

De directe nazaten van Cornelius waren brouwer, winkelier of houthandelaar in naburige dorpen. Het lijkt erop dat zij ook in theologisch opzicht het voetspoor van hun vader volgden; het piëtisme dat de neven uit het Rheiderland bezig hield, kreeg in deze tak van de familie weinig voet aan de grond. De bekendste van hen was Johann Friedrich (ov. 1772) te Groothusen die optrad als gerechtelijk veilingmeester; hij had weer twee zonen, namelijk de winkelier Johann Peters Janssen Knottnerus (1737-1780) te Greetsiel en zijn broer Cornelius (1742-1784), die beide geen mannelijke nakomelingen hadden. Johann leefde kennelijk op stand en wist omstreeks 1776 het jachtrecht van de overheid te pachten.[246] De laatste naamdrager was diens dochter Margarethe (1766-1831), gehuwd met de welgestelde landgoedeigenaar Johann Heinrich von Halem uit Greetsiel, administrateur van de Oost-Friese landschapskas. Het echtpaar emigreerde in 1790 naar de Kronprinzenkoog in Dithmarschen, een nieuwbedijkte polder die door Von Halem en zijn beide compagnons was aangekocht en keerde na een kwarteeuw succesvol boeren terug.[247] De bijna 2200 hectare grote polder werd een Oost-Friese kolonie vol grote modelboerderijen, een soort tegenhanger van de Landschaftspolder aan de Dollard.

De drang om vast te houden aan de naam Knottnerus was hier ook in volgende generaties groot. De erfgenamen wilden kennelijk niet dat de naam uitstierf. De kinderloze weduwe van Cornelius te Groothusen trouwde in 1788 een zekere Klaas Cornelius; hun zoon Ubbo Klaassen werd predikant te Critzum, maar de kleinzoon kreeg weer de naam Klaas Cornelius Knotnerus Klaassen (1818-1854) als herinnering aan grootmoeders eerste man. De bloedband met het voorgeslacht was hier fictief. Klaassen werd na zijn studie in Halle en Utrecht in 1846 predikant te Bunde en huwde de dochter van een Friese predikant (David Mackay) die in Emden was opgegroeid.[248] Diens zoon Ubbo, fouragehandelaar te Amsterdam en Duisburg, werd in 1881 (en opnieuw in 1914) Nederlander, nu met de dubbele naam Knotnerus Klaassen.[249] Andere familieleden kregen rond 1780 de namen Knottnerus Bödeker en Knotnerus Rycken.[250]


In de VS staan 75 familieleden Knottnerus in 14 staten
geregistreerd. Het zwaartepunt ligt in de Midwest (Iowa, Michigan, Ohio en Illinois)
(Namespedia.com, 2017)

Johann Friedrichs broer Edzard Habben Knottnerus (1715-1757) te Pilsum huwde – zoals we lazen - zijn nicht uit Leer; hun oudste zoon kreeg naam Johannes Michael (1739-1776) naar zijn bedovergrootvader. De kleinzoons Thode Wyben Janssen Knottnerus (ca. 1773-1848) en Cornelius Knottnerus (1776-1837) waren landbouwers te Rysum, een van plekken waar radicale piëtisme wortel had geschoten. Vermoedelijk werden ze hierdoor alsnog beïnvloed. Thode huwde Aaltje Aizonius, dochter van de vrome predikant Remetius Aizonius te Veenhusen.[251] Hun nakomelingen raakte min of meer aan lager wal. Een van hen (de landarbeider Rudolph Remetius Knottnerus) vertrok in 1881 naar Iowa in de Verenigde Staten; een oom was al in 1846 geëmigreerd, twee kinderen volgden later. De laatste nazaat in Oost-Friesland (Jan Dirks Knottnerus) verhuisde kort voor 1900 naar Hamburg; twee dochters keerden terug naar Rysum, de langstlevende overleed in 1993.

(Terug naar boven)

 

10. Opkomend piëtisme in het Rheiderland


Hervormde kerk van Böhmerwold (Kreis Leer)
1703
(
wikipedia)

 

De middelste broer Samuel Knottnerus was vernoemd naar grootvader Hillenius. Hij is de stamvader van de Nederlandse familie Knottnerus. Samuel studeerde in Groningen en Leiden, waar hij op twintigjarige leeftijd in 1695 promoveerde bij Johannes à Marck op een studie over Psalm 22.[252] Daarna kreeg hij een aanstelling in het kleine weidedorp Böhmerwold in het Rheiderland en trouwde in 1699 met Annigje Hindriks Kamminga (zelf schreef ze Annijchijn), een voorname boerendochter van Beersterhoogen in het Oldambt. De nakomelingen benadrukten dat zij was geboren ‘uit aanzienlijke ouders’: “Het is onnodig van den luister harer Voorvaderen, uit Neêrlands oude geschiedenissen kennelijk, iets te melden”, zo heet het later.[253] Samuels moeder huwde op haar beurt Annigje’s vader Hindrick Hemmes Camminga (ca. 1635-1706), een eigenzinnige man met een opmerkelijke reputatie.[254]

Samuels schoonvader was kerkvoogd van de dorpen Beerta en Nieuw-Beerta nauw betrokken geweest bij de verzelfstandiging van het dorp Nieuw-Beerta (oftewel Beertsterhamrik) in 1666; zijn zoontje was de eerste die op het kerkhof werd begraven. Vanaf 1670 huurde hij een boerderij te Beersterhoogen. De nieuwe predikant was een oom van zijn vrouw: dit was de veertigjarige ds. Henricus Waldriks (ca. 1625-1673), een deftige boerenzoon uit Beerta die in Bremen, Zerbst en Leiden was opgeleid, maar lang had moeten wachten op een beroeping. Deze dominee was vermoedelijk sterk beïnvloed door de Duitse irenische traditie, waarmee ook de familie Knottnerus zich verwant voelde.[255] Hindrick Hemmes was tevens luitenant van de plaatselijke schutterij. In 1681 kreeg hij het aan de stok met de predikant van Beerta (Wijncko Tonckens). Deze voorganger, een domineeszoon uit Westerlee, wilde een vergoeding voor het waarnemen van de diensten in het vacante buurdorp en verketterde iedereen die hem dat niet gunde. Hindrick vervloekte op zijn beurt de weigerachtige dominee en schold alle predikanten uit voor ‘vuil gewinsoeckers’ (geldwolven). Tijdens de kerkdienst ging hij bij de jeugd op kerkgaanderij zitten (in het dialect de klunderbeune of ‘lawaaizolder’) en stak zijn tong uit naar de dominee. Pas na herhaald aandringen nam hij zijn woorden terug en verzoende zich met de predikant. Hij verhuisde vervolgens naar Finsterwolde, waar hij eveneens kerkvoogd was en mogelijk al eerder had gewoond. Ook hier trok hij partij tegen een Duitse predikant die zijn trouwbelofte aan een meisje uit Bremen had verbroken en stiekum een ander trouwde. De onlangs benoemde voorganger (Fridericus Ulricus Burger uit Detmold), wist zich echter gesteund door zijn gemeenteleden en kon na een flinke reprimande blijven; Hindrick onttrok zich aan een verzoeningsgesprek en verhuisde kort na de zware stormvloed van 1686, die zijn laaggelegen boerderij mogelijk flink beschadigd had, weer naar Beersterhoogen. Tien jaar later gaf hij leiding aan de herbouw van de dorpskerk van Nieuw-Beerta, die eveneens door de stormvloed was vernield. Of hij zich later nog verzoend heeft met ds. Burger, die pas in 1727 overleed, weten we niet.[256]

Een van de belangrijkste gebeurtenissen in Samuels jonge leven was de ingebruikname van de nieuwe kerk van Böhmerwold in november 1703, zoals gebruikelijk gefinancierd door de ‘mildaadigheid’ van de plaatselijke boerenstand.[257] Hij kon daarbij terugvallen op de ervaring van zijn schoonvader, die twee keer eerder leiding had gegeven aan de kerkbouw te Nieuw-Beerta. De predikant wijdde het kerkgebouw in met een preek uit Markus 9:11 over de wederopstanding. Samuel leefde in een zekere welstand en raakte net als zijn broer in opspraak ten tijde van de Oost-Friese burgeroorlog, zij het om hele andere redenen. Toen hij achterstallige betalingen probeerde te innen kreeg hij het aan de stok met de kerkvoogd, die een klacht indienden bij de vorst van Oost-Friesland omdat hij zo vaak afwezig was. Eerder al hadden enkele kerkgangers geklaagd dat hij zich op de preekstoel liet vervangen door zijn twintigjarige zoon die nog aan zijn studie moest beginnen. Samuel verontschuldigde zich in zijn beste Hoogduits: hij moest geregeld op bezoek bij zijn beide oudste dochters die, nadat de pachter failliet was gegaan, de familieboerderij met ongeveer vijftig hectare grond in het dorp Finsterwolde bestierden. Zijn moeder woonde later bij hen in. Zelf vond hij dat alles niet zo’n probleem, want “twee kinderen die zijn opgevoed in de boerenstand hebben voldoende verstand van zulk werk”.[258] Ook was hij verantwoordelijk voor het herstel van de hiertoe behorende dijken, die tijdens de Kerstvloed van 1717 zwaar beschadigd waren. Het grondwerk daarvoor besteedde hij uit aan enkele voerlieden uit Bunde. We weten bovendien dat hij samen met zijn broers een boerderij in Holwierde bezat die ze vermoedelijk van hun moeder hadden geërfd.[259] Verder bekommerde Samuel zich om Annigje’s oomzegger Waldrik Reiningh uit Nieuwolda (ov. 1733); deze raakte als beginnend predikant te Freepsum aan de drank. Diens weduwe werd aangewezen als schuldige en tenslotte opgesloten vanwege haar promiscue levenswijze.[260]


Grafzerk van Samuel Knottnerus
en Annigje Kamminga in het koor van de
hervormde kerk te Böhmerwold 1745,
blootgelegd in 1963
.
(Foto© Jan Knottnerus, Emmen)

 

Naast dit alles meende Samuel ook tijd nodig te hebben om te studeren en te schrijven: in 1718 verscheen te Emden zijn strijdschrift Herder-geklang van konink Jesus ende de wachters sijner kudde tegens de vrijgeestige wolven, welke onze Europoeyse kerk-staat dreijgen te overvallen. Het was vooral een aanval op zijn collega Henricus Eyssonius in zijn geboortedorp Bunde, die de radicale piëtist Christian Anton Römeling onderdak had geboden. De toon van deze gedrukte preek was ronduit opruiend, zodat toestemming voor het drukken aanvankelijk uitbleef. De Oost-Friese kanselier Brenneysen merkte fijntjes op dat “niet iedereen geschikt is zulke dwalingen grondig en opbouwend tegen te spreken. Wanneer onhandige mensen zich daaraan wagen, gaat het meestal van kwaad tot erger”.[261] Eerst toen het ergste onrust was geluwd mocht het boek alsnog worden uitgegeven. Of Samuel net als de rest van zijn familie tijdens burgeroorlog partij heeft gekozen voor de opstandige boeren- en burgerpartij weten we niet. Het is – gezien zijn goede relatie met de familie Ter Braeck – wel waarschijnlijk. De piëtisten hielden zich daarentegen afzijdig; ds. Eyssonius van Bunde wist in 1729 gedaan te krijgen dat dorpsvergaderingen niet meer in zijn pastorie werden gehouden.[262]

Het piëtisme greep na afloop van de burgeroorlog, die door de Oost-Friese vorst met militaire middelen was beslecht, snel om zich heen. De mensen raakten teleurgesteld in de politiek. Steeds meer gelovigen en hun predikanten benadrukten de noodzaak tot innerlijke wedergeboorte en gaven daaraan uiting door een opzichtig vrome levenswandel.[263] Toen Samuel en zijn gezin ook zelf in de ban raakten van het mystieke geloof, kreeg hun leven een nieuwe wending. Dat blijkt vooral uit het testament dat het echtpaar in 1737 door ds. Christophorus Eyssonius te Finsterwolde (een broer van Henricus) liet opmaken. Samuel en Annigje vertrouwen hun zielen na hun dood toe “an de dierbare vrije genade en Hemelse leidinge van den Zaligen leidsman en behouder der Zielen den Heere Jesus”. Ook als predikant volgde hij een andere koers: gemeenteleden die geen heftige bekering hadden doorgemaakt, raadde hij voortaan dringend aan niet aan het heilige avondmaal deel te nemen teneinde Gods straffende hand niet uit te lokken. Behalve het predikantenechtpaar en de schoolmeester durfden uiteindelijk nog slechts twee anderen bij het avondmaal aan te zitten. Later kwamen daar nog zijn ongehuwde dochters en een weduwe bij. In 1745, het jaar dat zijn vrouw overleed, schreef de Samuel in het kerkenboek:

          Naa dezen Godt de tijden van mijn onwetenheit overgezien hebbende, heeft my en mijn huys de Bekeeringe opgelegt in den jare 1732. Vervolgens sag ik, en most het predigen, hoe onweedergeboorene haar zelve een Oordeel aaten en dronken: Waar op mijn Communicanten meerendeels afbleven, en geen nieuwen toekwamen.[264]


Onbekend wapen op de grafzerk van Samuel Knottnerus
en Annigje Kamminga, Böhmerwold 1749
.
(Foto© Jan Knottnerus, Emmen)

 

Samuels verhaal doet sterk denken aan het proces van innerlijke transformatie zoals dat in de wereld van zijn grootvader en diens broer uit Den Haag nog heel gebruikelijk was geweest. Veel rechtzinnige theologen hadden hier later afstand van genomen, maar in het voetspoor de Nadere Reformatie kwam deze mystiek nu terug. Letterwijsheid maakte opnieuw plaats voor innerlijk doorleefde kennis. Zijn zoon Johannes vertelde later hoe hij met zijn ouders en drie zusters binnen korte tijd “op het allernadrukkelijkste bekeerd” raakte, waardoor hij “uit het rijk des Satans in den dienst van Christus overgebracht wierd”.[265]

In 1749 overleed de vader; hij had zijn gemeente “meer als een halve Eeuw, en in de laatste jaren met veel ijver” gediend, zo berichtte het Nederlandse predikantentijdschrift Boekzaal der geleerde Waerelt.[266] Op diens grafzerk (weer blootgelegd in 1963) wordt nog eens benadrukt dat het goddelijke heil hem pas na 37 jaar uit de duivelse poel der letterwijsheid heeft gerukt, en dat alleen “om hier noch voor den Heer wat sielen te vergaren”. De geciteerde Bijbeltekst (Openb. 22:20) verwijst naar het nabije einde der tijden. Het wapen op de grafzerk is afgesleten, het is in elk geval niet het latere familiewapen, evenmin het wapen van Annigjes vader. Alleen dekkleed en helm doen denken aan het Knottnerus wapen. Het helmteken wordt gevormd door een klimmend hert met gewei, geflankeerd door twee trompen. Het wapen is doorsneden, de bovenste helft toont mogelijk een boom met aan beide zijden een staand hert.[267] Samuel Knottnerus legde de basis voor een bevindelijke traditie die tot ver in de negentiende eeuw het geloofsleven van zijn nakomelingen kleurde. Ook zij waren zeer terughoudend met het doen van belijdenis.[268]


Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750),
voorman van de piëtisten in de Duits-
Nederlandse grensstreek
(De verhalen van Groningen,
naar RHC Groninger Archieven
)

 

Via de omweg van de religieuze mystiek kwam de vertrouwde taal van de alchemie en het hermetisme terug in het geloofsleven. De piëtisten waren ervan overtuigd dat het menselijke lichaam onderhevig was aan verval. Ook een wakkere geest kon dit niet keren, integendeel, het vertrouwen op eigen kracht was ronduit bedrieglijk. Slechts Gods genade bood een uitweg, en dat alleen aan hen die zich ten volle realiseerden dat niemand die genade had verdiend. De medische wetenschap ontdekte een nieuwe ziekte die men ‘scheurbuik’ noemde, een vorm van innerlijk verval die werd aangewakkerd door gebrek aan morele discipline en een overdaad aan luxe.[269] Het wondermedicijn daartegen was de thee, een oosterse drank die, anders dan sterke drank of wijn, de geest wakker hield tegenover de verlokkingen van de duivel.[270] Theedoctoren adviseerden tientallen kopjes per dag. Het veelvuldig theedrinken was, net als in de alchemie, tegelijkertijd een metafoor voor het proces van innerlijke vernieuwing. In inventarissen van boeren- en burgerhuishoudingen uit de Duits-Nederlandse grensstreek verschijnen vanaf het begin van de achttiende eeuw de theepotten en theeserviezen. Een rijke herenboer in het piëtistische Bunde had al in 1712 enkele complete theeserviezen met een gelakte theetafel. De overleden predikant Edzard Sparringa bezat daarentegen niet meer dan een blikken theeketel, een theerekje en een dienblad.[271] “Bij de boeren is het nu mode geworden dat ze thee drinken en elkaar toespreken”, heet het in 1727 uit de omgeving van Norden.[272]

Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750), de charismatische voorman van de piëtisten in Samuels geboortestreek, nam in zijn beroemde bundels met bevindelijke gezangen uit 1727 een speciaal thee- en koffielied voor de ‘bekeerde Christenen’ op, te zingen op melodie van ‘Ach, was soll ich Sünder machen’.[273] De dichter vergelijkt zich daarin met een waterdruppel die in het niet valt bij de Hemelse genadestromen (die uiteraard vooral uit thee en koffie bestonden):

Doet mij sien, dat ik, onweerdig,
Die uw’ goetheyt niet erken,
’t Minste dropje water ben:
O Mogt ik U, die so weerdig
Zijt, dan prijsen nu voortaan:
Gij hebt alles wel gedaan. […]

Och vergun mij eens te komen
Bij den kristallinen bron
Verre boven Maan en Son:
O Dan sal ik met de vromen
Eeuwig vrolik heffen aan:
Gij hebt alles welgedaan.

 

Zelf rekende Schortinghuis zich aanvankelijk tot de onbekeerde, bekommerde zielen, tot hij een geestelijke ommekeer doormaakte. De liederenbundels vormen in zekere zin een leerschool die aanzet tot kritisch zelfonderzoek. De persoonlijke ervaringen of ‘bevindingen’ staan daarin centraal, zoals eerder in het didactische werk van Comenius. Verstandelijke kennis is niet genoeg, het geloof dient persoonlijk ervaren en in praktijk gebracht te worden. Zorgvuldig geselecteerde teksten en melodieën helpen de gelovige op weg en stellen hem in staat hoopvolle tekenen van uitverkiezing te onderscheiden van valse hoogmoed. Ze geven hem instrumenten om zijn eigen zelfgenoegzaamheid, die het eeuwige heil in de weg staat, te doorbreken.[274]

Bij dit alles staat – net als in de alchemistische fase van de nigredo - de innerlijke versterving centraal. Schortinghuis hanteert daarvoor het schema van de ‘dierbare vijf nieten’ dat de gelovige helpt systematisch zijn eigen tekortkomingen onder ogen te zien en als zodanig te aanvaarden: “ik wil niet. Ik kan niet. Ik weet niet. Ik heb niet. En ik deuge niet”.[275] En aan het einde van dit lange en pijnlijke proces staat tenslotte de bruidsmystiek, het verlangen naar versmelting met Christus.

Een mens die streeft naar God, naar heil, moet komen tot ‘nietiging’, leegwording, ‘vernietiging’ […] Wie het goede, het goddelijke tracht te grijpen, te hebben en te houden, blijft met lege handen achter. Alleen wie alles loslaat, niets meer wil en probeert, heeft de kans zichzelf terug te vinden in de goedheid van God, de ‘oceaan van Gods liefde’, zoals Schortinghuis dat omschrijft. […] De mens die valt in de grenzeloze liefde van God, verliest zichzelf, en pas zo vindt hij of zij zichzelf.[276]

Het is in deze sfeer dat Samuel Knottnerus en zijn kinderen opnieuw de weg naar de gereformeerde mystiek hebben gevonden.

(Terug naar boven)

 

11. Boerentrots in het Oldambt


Oldambtster boerentrots:
Corn
elius Samuels Knottnerus (1786-1826) en
Foktje Eisses de Jager (1790-1820) te Oostwold
(Foto: Stichting Familie Knottnerus)

Samuels tweede dochter Diewertje of Diewertien (1702-1781), woonde intussen nog altijd met haar grootmoeder op de familieboerderij in Finsterwolde, vierhonderd meter ten westen van de kerk.[277] Nadat die eind juni 1729 was overleden trouwde ze Jan Jans Sand (1698-1769) uit Bellingwolde, van wie ze al zwanger bleek te zijn.[278] Deze Jan werkte wellicht op de boerderij als knecht. Hij kwam in elk geval niet uit een gezeten boerenfamilie; zijn vader heette Jan op Zand oftewel Jan Jans op het Zand, de naam van zijn moeder was de predikant van zijn geboortedorp niet bekend.[279] Mogelijk stamt hij af van een zekere Geerdt int Sandt, genoemd in Westerwolde in 1650.[280] Diewertje was vernoemd naar haar andere grootmoeder Diewer van Lingen, de eerste vrouw van Hindrick Hemmes Camminga. Door de boerderij over te nemen trad ze ook in andere opzichten in het voetspoor van haar grootouders.

De dorpen van het Oldambt hadden een roerige geschiedenis. De eigenerfde boeren verzetten zich lange tijd met hand en tand tegen de stad Groningen, die hun gebied omstreeks 1580 had ingelijfd. Meermalen eisten ze tevergeefs de onafhankelijkheid op.[281] In de tweede helft van de zeventiende eeuw verbeterde de sfeer, mede omdat rijke stedelingen hun geld in het vruchtbare polderland investeerden. Leidende families als die van grootvader Camminga koesterden niettemin de herinnering aan het roemruchte verleden. De belangrijkse herberg van Midwolda – de Vrije Stad Praag – verwees door zijn naam naar het onder de voet gelopen Boheemse land, dat net als het Oldambt zijn zelfstandigheid had verloren.[282] In 1748 namen de Oldambtster boeren opnieuw de leiding bij een oranjegezinde volksopstand die stadhouder Willem V vaster in het zadel hielp. De grootgrondbezitters uit de stad die politiek en geloof naar hun hand wilde zetten, kregen daarbij een lesje geleerd. Jan Jans Zand en zijn zoons zullen hier ongetwijfeld aan hebben deelgenomen; de romantiek van verzet tegen als onchristelijk ervaren tegenstanders was hun familie immers niet vreemd. De Oost-Friese burgeroorlog, waarin ook hun ooms en neven figureerden, was bovendien nog maar kort geleden.

De oudste zoon Samuel Jans Knottnerus (1741-1815) nam de deftige achternaam van zijn moeder aan. Daaruit stamt de Oldambtster boerenfamilie. Men noemt dit wel het ‘tweede geslacht’, dat spottend ook wel eens de ‘koude tak’ wordt genoemd omdat de achternaam ooit van moeders zijde kwam. De beide andere kinderen hielden vast aan de naam van hun vader. De kinderen van de jong overleden oudste dochter Annigje Jans Zand (1730-1778) en haar man Tjark Jans kregen opnieuw de achternaam Knotnerus (met één ‘t’). Hinderikus Tjarks was de eerste die bij zijn huwelijk in 1787 de achternaam Knottnerus gebruikte; zijn zus Diewer wordt daarentegen pas in 1832 zo genoemd.[283] Dit is het zogenoemde ‘derde geslacht’, dat in 1978 in mannelijke lijn is uitgestorven.


Verkoop van de boerderij van Jan Jans Zand en Fokkelina Pieters Kuiper te Holwierde, 1855
(
Groninger Courant, 10 juni 1855)

 

De jongste zoon Jan Jans Zand jr. (1745-1783) uit Finsterwolde stierf vroeg, maar hij had weer een zoon Jan Jans Zand (1777-1833), wiens nakomelingen met de achternaam Zand op boerderijen in Holwierde en Zandeweer te vinden waren waren. Achterkleinzoon Jan Jans Zand (1818-1874) sloot zich in 1836 aan bij de Afscheiding (de Christelijk-Gereformeerde Kerk) en huwde in 1846 de weduwe van zijn broer Kornelis. De boerderij met ruim 25 hectare eigen grond werd in 1855 geveild; het echtpaar had geen kinderen verhuisde naar Zandeweer.[284] Andere familieleden gebruikten de naam Zand(t) als tweede voornaam. Het doorgeven van de achternaam in vrouwelijke lijn was – vooral bij predikantengeslachten – niet ongebruikelijk.[285] We zien het patroon in andere takken van de familie.


Boerderij aan de Hoofdweg 32 te Finsterwolde. Hier stond in de achttiende eeuw de boerderij waar Diewertje Knottnerus en haar man Jan Jans Sand woonden. In de verte de kerktoren van Finsterwolde
(remeijer.nl)

 

De oude Jan Jans Sand was een gelovig man. Pas op 47-jarige leeftijd deed hij, vermoedelijk na lange innerlijke strijd, belijdenis in de Hervormde Kerk, achttien jaar na zijn vrouw. “D’Heere doe er zo en zo toe tot zijn heerlijkheit!”, noteerde de nieuwe predikant Johannes Henricus Janssonius november 1745 achter zijn naam.[286] Jarenlang was de hervormde gemeente van Finsterwolde verdeeld geweest, nadat een deel van de stemgerechtigden de beroeping van de piëtist Christophorus Eyssonius had doorgedrukt. Het kerkelijke stemrecht was vanouds aan het grondbezit verbonden, waardoor ook de rijke grondeigenaren uit de stad Groningen hun invloed konden laten gelden. En dat laatste was gebeurd hier tot ergernis van veel inwoners, die hun onvrede niet onder stoelen of banken staken. Eyssonius hekelde deze ‘godloze toehoorderen’ binnen zijn gemeente en noemde hen sluipmoordenaars die niet zouden rusten voordat zij hun voorganger “op de rugge sien liggen”. Ook ds. Wilhelmus Schortinghuis, inmiddels predikant in Midwolda, liet zich daarbij niet onbetuigd. Maar Eyssonius was gestorven en hij werd opgevolgd door een voorganger die de verzoening preekte. Jan Jans Sand had zich kennelijk eerder van het heilig avondmaal laten afhouden vanwege zijn ‘onbekeerde staat’, maar gaf zich nu gewonnen. Enkele jaren later trad hij op als diaken.[287]


Piëtistisch conventikel in het Oldambt omstreeks 1750,
zoals men dat honderd jaar later voorstelde
(H. van Berkum, Schortinghuis en de vijf
nieten
, Utrecht 1859)

 

De nieuwe predikant had zich in Emden bij de verdedigers van Schortinghuis geschaard. Desondanks keek hij vol afgrijzen naar de gevolgen van de kerkstrijd en publiceerde een boek waarin hij de uitwassen van het radicale piëtisme hekelde. Janssonius bekritiseerde valse mystiek en geestdrijverij. Hij waarschuwde nadrukkelijk voor “zeer schadelijke en verderflijke dwaalgeesten” en voor de “verachters van ’t woort, die zich afscheiden van de ware kerke”, zoals hij ze eerder in Oost-Friesland had ontmoet.[288] Hij kende de familie Knottnerus van nabij; Jans schoonvader was een van zijn collega’s in de predikantenvergadering (coetus) van Emden. De familiesage van Janssonius lijkt dan ook te zijn gemodelleerd naar die van de familie Knottnerus, waarbij de herkomst van de mythische voorvader uit Grunewald zich spiegelt in de plaatsnaam Böhmerwold. Misschien sprak de irenische traditie hem aan, zoals we eerder suggereerden. Maar het kan ook zijn dat Samuel Knottnerus zich al te vaak beriep op zijn vrome afkomst en daarmee irritatie opriep. De inspanningen van ds. Janssonius en de zijnen waren echter tevergeefs. Veel toehoorders gaven de voorkeur aan de huiskamerdiensten of ‘conventikels’ waarin vrome lekenpredikers of ‘oefenaars’ voorgingen. De oproerige sfeer verbreidde zich verder in het Oldambt en de vredelievende predikant koos uiteindelijk voor een beroep naar het grotere en ruimer denkende Veendam, van waaruit hij enkele jaren later naar Groningen vertrok.[289]


Boerderij van ‘Pastor Knotnerus’ te Finsterwolde met de Knottnerus-overdrift (linksboven), ca. 1750
(RHC Groninger Archieven- Beeldbank Groningen)

 

Jan Jans Sand, Diewertje en hun kinderen waren succesvol als boeren. Het familiebedrijf in het dorp groeide allengs uit tot een omvangrijk bezit. In 1769, toen de Oostwolderpolder werd aangelegd, was de weduwe in staat de overige erfgenamen uit te kopen en de hele boerderij op naam van zichzelf en haar kinderen te zetten. Met inbegrip van een kavel in de Modderlanden, een tweede onder Ganzedijk en enkele losse percelen ging het om 54 hectare (vooral zand, veen en overgangsgronden), met nog een flink stuk kwelder.[290] Ook een belangrijke dijkovergang – de Knottnerus-overdrift – was naar de familie genoemd; een pas gehuwd arbeidersechtpaar kreeg in 1749 toestemming een huisje op de Ganzedijk bouwen.[291] Bij haar overlijden in 1781 gold Diewertje als een van voornaamste inwoners van het dorp; de begrafeniscollecte voor de armen bracht 26 gulden en 11 stuivers op, nauwelijks minder dan bij de begrafenis van de echtgenote van kerkvoogd Benno Heddema.[292] Het bedrijf werd voortgezet door de zoon Jan Jans Sand jr. en diens weduwe Eefke Oltmans (1753-1809); Diewertje heeft vermoedelijk bij hen ingewoond. Kleinzoon Jan Jans Zand vestigde zich eerst in Hamdijk, volgde daarna zijn moeder op tot hij in 1829 naar Holwierde vertrok. De boerderij werd toen verkocht.

 
Boerderij van Jacob Aeilkes Hovinga te
Finsterwolde, in 1829 aangekocht van Jan Jans
Zand, 1832
(Hisgis Groningen)


 Boerderij van Egbert Tjarks
Knotnerus te Veenhuizen bij
Finsterwolde, 1832. De percelen ten westen van het Beertsterdiep hoorden bij het andere bedrijf.
(Hisgis Groningen)

De zoon Samuel Jans Knottnerus en zijn vrouw Geesje Ottes verhuisden na hun huwelijk in 1774 (ingezegend door zijn oom Cornelius) naar een herenboerderij met 68 hectare land in het zwaargelovige dorp Oostwold, waar hun nakomelingen een grote rol in de plaatselijke politiek en het kerkelijke leven gingen spelen. Bij deze boerderij hoorde een flink stuk nieuw bedijkt polderland.[293] Zwager Tjark Jans (1732-1784) huurde een boerderij van 56 hectare in het laagland bij Veenhuizen onder Finsterwolde, grotendeels gepacht van de stad Groningen die hier veel landerijen bezat.[294] Nu is het een verlaten streekje aan het einde van een doodlopende weg, maar in de achttiende eeuw bevonden zich hier enkele voorname hofsteden die ooit tot het verdwenen kerkdorp Oost-Finsterwolde hadden behoord. Een van de bekendste bewoners was kapitein Hendrik Abbas (ov. ca. 1746), een man waarvan men zei dat hij zo heerszuchtig was dat hij toezicht hield bij zijn eigen begrafenis. De laatste boerderij op deze plek brandde in 1932 af. De zoon Hinderikus Tjarks Knotnerus (1764-1841) vertrok in 1795 alsnog naar de Oostwolderpolder; hij kocht hier een deftige boerderij met 45 hectare land; de ongehuwde broer Egbert Tjarks (1767-1836) bleef op het ouderlijke stee.

(Terug naar boven)

 

12. Oostwold – Kanaän der Pastoren


Dorpscentrum van Oostwold in 1809. Rond de kerk zijn het herenhuis van de familie Sparringa, de pastorie, de kosterij (annex school) en de dorpsherberg van Kornelius Joostens gesitueerd. De bosschages beelden vooral singels, boomgaarden en heggen uit.

(RHC Groninger Archieven, Beeldbank Groningen)

 

Het dorp Oostwold (vanaf 1808 gemeente Midwolda) was een belangrijk bolwerk van de hervormde orthodoxie. God had dit dorp wel bijzonder gezegend met een groot oppervlak vruchtbaar kleiland, zo stelde predikant Lambertus van Bolhuis in zijn feestrede bij inwijding van het nieuwe kerkgebouw in 1777. “Wat is onze Plaats door dit alles tot merkelijken trap van luister gestegen”. Dankzij de bedijking van de Oostwolderpolder beschikte Oostwold over een “veelheid van vette akkeren”, waardoor het zich voortaan met de rijkste dorpen in de Ommelanden kon meten.[295] “ô Vruchtbaar Kanaän, ô Kanan der Pastoren”, concludeerde stadsdichter Quintus Pabus met een knipoog naar de wijd verbreide vroomheid en de hoge predikantentractementen in deze streek.[296] Het deftige kerkgebouw was ontworpen naar stadse voorbeelden en was voorzien van een kostbaar Freytag-orgel uit 1787, alles betaald uit de opbrengsten van het ingedijkte land. Lange tijd werd de dienst hier grotendeels uitgemaakt door enkele grootgrondbezitters uit de stad Groningen, met name de familie Sparringa, die een herenhuis naast de kerk bezat en ook belangrijkste kerkvoogd leverde.[297] Sinds het laatst van de achttiende eeuw nam de boerenstand echter langzamerhand hun plek in.


Boerderij van Otto (Samuel) Knottnerus (1830-
1905), Huningaweg 11 te Oostwold.
Het nieuwe woonhuis werd gebouwd in 1860.
De volledig gerestaureerde boerderij is in 2016

ingericht tot exclusieve groepsaccomodatie ‘Erve Oostwold’.

(FotoVereniging Dorpsbelangen Oostwold)

 


(Erve Oostwold)

Naast de predikantendynastie Knottnerus ontstond nu ook een boerendynastie met als centrum het dorp Oostwold.[298] De Oldambtster boeren waren akkerbouwers, doorgaans met grote bedrijven van twintig tot zestig hectare, ruime boerenschuren om de oogst te bergen en deftige woonhuizen met Engelse tuinen en driedubbele rijen vensters, die voorraadkelders en graanzolders aan het oog onttrokken. Bij de boerderijen hoorden meestal een of twee arbeiderswoningen; in hun dienst stonden bovendien tientallen landarbeidersfamilies die meestal het strenge geloof met hen deelden.[299]

De drie zonen van Samuel Jans Knottnerus (Jan, Otto en Cornelius) waren in goeden doen. Allen waren landbouwer; alle drie namen ze het bedrijf van hun schoonouders over. Jan vertrok in 1808 naar Nieuwolda (waar ook zijn zoon, kleinzoon en diens weduwe boerden), de beide andere werden elkaars buren in Oostwold. Zijn drie dochters huwden eveneens welgestelde boerenzoons: Harm Eppes Boer (1766-1819) had een grote boerderij te Uiterburen onder Zuidbroek, Daniël Eisses de Jager (1794-1868) was sinds 1842 burgemeester van Midwolda, de derde (Adolf Berends Heeres te Midwolda) overleed jong. In volgende generaties vinden we hun nakomelingen op boerderijen in Midwolda, Nieuw-Scheemda, ’t Waar, Zuidbroek, Nieuwolda, Grijpskerk, Dwingeloo en Steenbergen; daarnaast in Grand Rapids en Montana. De oudste zoon Jan noemde zich aanvankelijk Jan Samuels Zand(t); pas vanaf 1812 gebruikte hij de achternaam Knottnerus.[300] Zijn nageslacht verhuisde vanuit Nieuwolda naar boerderijen in Termunten, Wittewierum, Bedum, Siddeburen, Vlagtwedde, Westerbork en Dronten. De nakomelingen van neef Hinderikus Tjarks Knotnerus (uit het ‘derde geslacht’) waren vooral in Oostwold te vinden; zijn nageslacht vertrok naar boerderijen te Usquert en Eenrum. Deze tak van de familie komt in een afzonderlijke paragraaf aan de orde.

Niet alle nakomelingen van Samuel Jans Knottnerus kwamen overigens even goed terecht.[301] Hij had vijf kleinzoons die naar hem waren vernoemd: Samuel Ottes Knottnerus en Samuel Jans Zand Knottnerus werden landbouwer, net als Samuel de Jager die jong overleed. Samuel Boer werd commissionair in Groningen, Samuel Heeres eindigde verarmd als landarbeider. De broer Hindrik Boer had een kruidenierswinkel of grutterij in de stad, terwijl een van zijn zusters getrouwd was met een voerman uit Zuidbroek. De oudste zus Geessien Boer (genoemd naar haar grootmoeder) huwde de bakker Jan Krijnes Smith uit Oostwold; zoon Samuel Smith nam de bakkerij over; dochter Grietje Smith huwde achterneef Adolf Heeres, een korenmolenaar. De boerenzoon Fokko de Jager ging het eveneens voor de wind: hij was eigenaar van een koren- en pelmolen te Uiterburen onder Zuidbroek; zijn zus Geessien en haar man Bouko Kreiter hadden een bierbrouwerij en twee landbouwbedrijven in Midwolda; hun dochter Geessien huwde achterneef Samuel Smith. Nicht Hilje Jans Zant trouwde een grofsmid uit Muntendam, haar halfbroer Ailko Jans Zand Knottnerus stierf op zijn negentiende als onderschoolmeester in Beerta. De rest van de familie bleef in de landbouw werkzaam. De meeste neven en nichten en soms ook hun kinderen bleven contact houden. Van dertien kleinzoons die de volwassen leeftijd bereikten, belandden zeven op een boerenbedrijf; zes van de tien kleindochters trouwden een boer.


Vermoedelijk Johanna Cramer (1832-1897), foto Fr.Jul. von Kolkow, Groningen
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)


Vermoedelijk ds. Jan Boer Knottnerus (1826-1864), foto F.W.H. Deutman, Zwolle

(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)

Het waren vooral de familieleden uit Oostwold bij wie het kerkelijke leven een grote rol bleef spelen. In de Oldambtster (Groninger) tak van de familie Knot(t)nerus treffen we – behalve succesvolle herenboeren – ook enkele rechtzinnig hervormde en gereformeerde predikanten aan. De eerste van hen was Diewertje’s achterkleinzoon Jan Boer Knottnerus (1826-1864), vernoemd naar zijn 87-jarige overgrootvader Jan Edes Boer. Deze boerenzoon uit Oostwold begon – na het gymnasium in Winschoten te hebben doorlopen – zijn studie in Groningen, waar in die tijd vooral de ‘moderne’ (liberale) theologie van de Groninger Richting werd uitgedragen, maar stapte in 1850 over naar de strengere theologiefaculteit in Utrecht. Hij trouwde Johanna Cramer, een apothekersdochter uit Rotterdam, zus van zijn studievriend Jacob Cramer (1833-1895) die later hoogleraar kerkgeschiedenis te Groningen en Utrecht werd.. Jan Boer werd hervormd predikant te Almkerk en Oude-Wetering, daarna te Vriezenveen; hij overleed “na eene ongesteldheid van eenige maanden” en “eene kortstondige verpleging” op 38-jarige leeftijd in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Utrecht. Een van de nakomelingen erfde de Statenbijbel uit 1748 die hij bij het voorbereiden van zijn preken gebruikte.[302] Jan Boer was een belangrijke persoonlijkheid in de orthodoxe beweging; hij steunde allerlei initiatieven ook financieel en was een belangrijke kracht achter heropleving van de orthodoxie in de boerentak van de familie.


(MyHeritage)


 Ds. Jan Boer Knottnerus
 jr. (1864-1904)
(uit: L.M. van Noppen, Toespraak tot de Hervormde gemeente van Vriezenveen)

 

De gelijknamige jongste zoon Jan Boer Knot(t)nerus jr. (1864-1904) werd op zijn veertiende jaar toegelaten op het gymnasium in Leiden; zijn broer Otto zat hier al op school.[303] Na militaire dienst, theologiestudie in Leiden en een tussenstop in Rhoon werd hij net als zijn vader predikant bij de strenge hervormde gemeente van Vriezenveen, die later tot de Gereformeerde Bond toetrad. Hij was actief in de Confessionele Vereniging, schreef veelvuldig in verschillende christelijke tijdschriften (waaronder De Jongelingsbode en De Gereformeerde Kerk) en vertaalde in 1898 Calvijns Verklaring van de Psalmen uit het Latijn.[304] Dit lijvige boek werd sinds 1970 vijf keer herdrukt. Het verhaal dat wel vaker over predikanten wordt verteld, was ook op hem van toepassing: hij zou ooit een beroep naar Amsterdam hebben afgeslagen vanwege hoogtevrees; de preekstoel was hem te kennelijk hoog. Ook hij werd niet oud; ernstige suikerziekte eiste zijn tol.


Jan Anthonij Knottnerus en zijn vrouw Jantje Mulder (Jennie) uit Oude-Pekela emigreerden in 1882 naar Grand Rapids, Michigan
(Knottekistje 20/2012)

 

Jan Boers oudste broer, de koopman Jan Anthonij Knottnerus vertrok in 1882 met andere geloofsgenoten vanuit Oude-Pekela naar Grand Rapids (Michigan) in de Verenigde Staten. Jan raakte omstreeks 1900 vermist nadat hij het gezin had verlaten, mogelijk tijdens een reis naar St. Louis; zijn zoon Alje was een succesvol bouwondernemer, kleinzoon John Alje had een landbouwbedrijf.[305] De tweede, Otto Samuel Knottnerus, maakte carrière in de electriciteit- en gasproductie (zie hieronder); hun zus Harmina huwde ds. Leendert Martinus van Noppen te Scheveningen, een markante persoonlijkheid uit het orthodoxe milieu. De volgende generatie brak echter met de orthodoxie. Jan Boers gelijknamige zoon werd apotheker, dochter Maria huwde de vooraanstaande vrijzinnige predikant Roelof Riphaagen te Westerbork, later te Coevorden en Zutphen, en dochter Johanna verbond zich met de katholieke electrotechnicus dr. ir. Piet Fehmers.


Grafzerk van Otto Samuels Knottnerus (1779-1866), met opengeslagen Bijbel en een anker als symbool van de hoop op het eeuwige leven, gemodelleerd naar de titelpagina van de Statenbijbel uit 1864.
Oostwold, oude begraafplaats, 1976
(Foto O.S. Knottnerus)

 

Otto Samuels Knottnerus (1779-1866) te Oostwold had veertien kinderen uit drie huwelijken, waarvan behalve Jan Boer sr. nog drie zonen en vier dochters de volwassen leeftijd bereikten. Het tweede huwelijk betrof de jongere zus van zijn eerste vrouw (die bij hen inwoonde), waarvoor in 1814 koninklijke dispensatie werd verleend. Daarna huwde hij de dochter van zijn volle nicht uit Beerta. Ze stamden uit welgestelde boerenfamilies in Termunten, Oude-Pekela, Beerta en Eexta.[306] Ook in volgende generaties werd geregeld binnen de familiekring gehuwd. Behalve het pachtbedrijf van zijn overleden schoonouders dat hij in 1801 met ruim 54 hectare land (waaronder 7½ hectare hoogveen) overnam en tien jaar later in eigendom verwierf, kocht hij in 1818 nog een tweede deftige boerderij ‘Goldhoorn’ (nr. 33) aan de andere kant van het dorp (eveneens met vijftig hectare). In 1829 verhuisde hij vermoedelijk daar naar toe, zodat zijn oudste zoon en diens vrouw het familiebedrijf konden voortzetten.[307] Zijn oude dag bracht hij – net als eerder zijn vader - in een rentenierswoning door.

Zijn zonen namen eveneens het bedrijf van hun schoonouders over: Samuel in Oostwold, Klaas in de Oostwolderpolder en Cornelius te Nieuw-Scheemda; kleinzoon Ties Siebolt verhuisde in 1888 naar Zuidbroek. De drie andere schoonzoons (Robert Derks Derksema, Hans Willems Roemeling en Jan Pieters Dallinga) vestigden zich eveneens in de buurt. De meeste van hen huwden binnen de familiekring. Dallinga (1823-1907) was als adviseur nauw betrokken bij de bedijking van de Johannes Kerkhovenpolder in 1876 en fungeerde enkele jaren als administrateur, opgevolgd door zijn zoon Otto Samuel Dallinga (1861-1935).[308] Allen waren uitgesproken rechtzinnig.

De verstrooide orthodoxen wisten elkaar al vroeg te vinden; er ontstonden nieuwe vriendschappen en huwelijksbanden. Enkele geestverwanten woonden bijvoorbeeld in Beersterhoogen, waar de bekeerde onderwijzer Nicolaas Mattheus Feringa in 1840, nadat hij ‘tot volle overgave des geloofs’ was gekomen, begonnen was met Bijbeloefeningen die hij volhield tot zijn vertrek naar Appingedam vijf jaar later. “Men schold hem ‘den beroerder’, men dreigde hem en wierp zelfs de glazen bij hem in. Toch wist hij in veler harten een plaats te winnen”, vertelt zijn biograaf.[309] Een van zijn leerlingen was Adde (Pauwel) Bastiaans, die in 1859 de jongste dochter van Otto Samuels Knottnerus trouwde en diens herenboerderij aan de Goldhoorn overnam. Diens broers Jan en Hanno behoorde tot dezelfde orthodoxe verwantenkring; twee kleindochters van Hanno huwden een achterkleinzoons van Otto Samuels.[310] Door vriendschappen en huwelijken kwamen gelijkgestemden bij elkaar in de buurt te wonen, terwijl in andere dorpen nauwelijks gelijkgezinden overbleven.


Otto Samuels Knottnerus (1779-1866) bestelde
voor zijn kinderen en kleinkinderen negen
exemplaren
van de ‘Keurbijbel’, gedrukt door uitgever
Swaan te Arnhem in 1864 (
Google)

 

 


 (J.P. de Groot: Genealogie Bastiaans)

De familiebanden waren in deze tak van de familie hecht. Voor zijn kinderen en kleinkinderen bestelde Otto Samuels waarschijnlijk negen exemplaren van de Statenbijbel. Het betrof een nieuwe uitgave uit 1864 van de zogenaamde Keurbijbel, genoemd naar de zeventiende-eeuwse uitgever Pieter Keur, maar dan in eigentijdse spelling en met moderne belettering. De vier zonen, drie schoonzoons en de erfgenamen van zijn oudste dochter in Beersterhoogen kregen ieder een plek op de lijst van intekenaren (zie tabel 1).[311] Die kregen de bijbel in de regel toegestuurd in afleveringen die later werden gebonden in een leren band met koperen klampen. De deftige uitgave was met een prijs van zo’n vijfentwintig tot dertig gulden redelijk betaalbaar in vergelijking met eerdere drukken. De meer traditionele uitvoeringen uit Kampen waren goedkoper en bereikten hogere oplagen, maar zij spraken de beschaafde Oldambtster herenboeren duidelijk minder aan.[312] Het was overigens niet het eerste boek dat door de hele familie werd besteld; in 1855 werden de broers en zussen gezamenlijk vermeld als intekenaren op een bundel die Jan Boer had uitgegeven naar aanleiding van dood van een van zijn vrienden. Ook andere familieleden en de dorpspredikant bestelden een exemplaar.[313]

Otto Samuels’ naam werd door zijn nakomelingen in ere gehouden; zeven kleinzoons en een oomzegger werden naar hem vernoemd. De oudste twee heetten simpelweg Otto, maar vanaf 1857 koos men voor de combinatie Otto Samuel.[314] Vijf kleindochters werden Harmke genoemd. De landbouw bood nog altijd veel perspectief: van dertien kleinzoons die de volwassen leeftijd bereikten, werden er negen boer; één boerenzoon (Otto Samuel Bastiaans) werd arts te Scheveningen, de domineeszoon Jan Boer jr. werd predikant, diens broers gingen het zakenleven in. De boerendochters zochten hun partners daarentegen vaker elders: van negen kleindochters kwamen slechts twee op een boerderij terecht; onder hun echtgenoten vinden we vier predikanten, verder twee houthandelaars (Pots) en een deftige winkelier (Hopkes), alle drie uit de omgeving van Bunde.[315] In volgende generaties werden de gezinnen overigens snel kleiner.

De oudste zoon Samuel Ottes Knottnerus (1804-1895) te Oostwold was in 1829 gehuwd met zijn nicht Geeske Cornelius Knottnerus. Behalve de ouderlijke boerderij nam hij ook het naburige pachtbedrijf van zijn overleden schoonouders met ruim vijftig hectare land over, dat na een brand op 1 december 1818 vermoedelijk niet was herbouwd.[316] De Provinciale Groninger Courant schrijft over deze brand die ontstond toen Geeske’s ouders afwezig waren:

Des avonds ten zes ure, ontdekte men alhier brand, ten huize van den landgebruiker Cornelis Samuels Knotnerus, welke ongelukkig met zijn vrouw afwezig was; in minder dan een kwartier uurs stond het geheele dak in vuur en vlam. Men weet tot nu toe de oorzaak niet. Een groot deel van den oogst, van 140 deimten meest kleiland en boerengereedschappen, benevens 5 vette zwijnen, zijn door de vlammen verslonden, en van het huis is niets overgebleven, dan het muurwerk, hetwelk naderhand meest omgevallen is.[317]


Familiekroniek van Cornelius Samuels Knottnerus en Geeske Ottes, voortgezet door de dochter Geeske Cornelius en Samuel Ottes Knottnerus, Oostwold 1808-1835. De bladzijde maakte deel uit van een kasboek.
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)

 

Huisraad en levensmiddelen konden tijdig worden geborgen. Het kasboek van de familie dat eveneens gered werd, meldt dat het vuur “waar schinlik door de pipe” is ontstaan. Dit wilde men kennelijk niet aan de grote klok hangen. De knecht Eildert Aaldriks Brand maakte zich verdienstelijk door met gevaar voor eigen leven zestien koeien en acht paarden uit het instortende gebouw te redden. De familie dankte dit aan ‘Gods zegen’. Dergelijke grote branden waarbij de volgepakte schuren snel vlam vatten, kwamen uiteraard vaker voor. Samuel kocht de boerderij in 1838 en voegde er nog een kleiner bedrijf aan toe, waarna hij in 1850 een nieuwe schuur met een inpandige woning voor zijn oudste zoon Otto liet bouwen (Huningaweg 11). Het familiebedrijf met de achttiende-eeuwse gebouwen ging in 1875 naar de jongste zoon Cornelius (Huningaweg 7). Mogelijk beheerde hij ook een tijdlang het bedrijf van zijn vader: het kasboek vermeldt in 1852 de opbrengsten van ‘beide plaatsen’.

Samuel schijnt een tijdlang min of meer als hoofd van de familie te zijn beschouwd. Net als eerder zijn vader Otto en grootvader Samuel Jans behoorde hij tot de rijkste inwoners van de provincie; in 1852 bekleedde hij de 63e plaats op de officiële lijst van hoogstaangeslagenen in de personele belasting, waarmee hij binnen zijn verwantenkring en onder zijn dorpsgenoten een toppositie innam.[318] Nadat hij een deel van het bedrijf aan zijn oudste zoon had overgedragen, was Samuel vooral politiek en bestuurlijk actief, met name als bestuurder van het nieuwe waterschap Oldambt en als wethouder van de gemeente Midwolda. De eerste functie nam hij over van zijn vader, die schepper van het Termunterzijlvest was geweest; het initiatief tot oprichting van dit waterschap kwam mede van zijn oom Daniël Eisses de Jager (1794-1868). Ook was Samuel een tijdlang voorzitter van een provinciale hagelverzekering.[319] Hij verhuisde in 1853 naar een nieuwe rentenierswoning aan de overkant, vermoedelijk op de plek waar de boerderij van zijn schoonouders had gestaan.

De oudste kleinzoon Otto (Samuel) Knottnerus (1830-1905) trouwde in 1856 de dochter van de welgestelde korenmolenaar, landbouwer en scheepsreder Albert Nannes Kranenborg uit Oostwold (afstammeling van een predikant te Wedde) en de schippersweduwe Elisabeth Klaassens Kuiper. Hij liet 1860 voor de boerenschuur een deftig voorhuis met een centrale entreepartij bouwen (Huningaweg 11); het bovenlicht vertoont een leeuw, symbool van de eigenerfde boerenstand.[320] Twee kleindochters huwden opnieuw een predikant: Anne Jellema Hzn. te Vriescheloo (later Berlikum en Oppenhuizen) en Gerrit Cazemier Hzn. te Zwartsluis (later Oosterbierum). De jongste Cornelius (Samuels) Knottnerus huwde de boerendochter Grietje Tammes uit een vooraanstaande familie te Vlagtwedde. Hij zette – zoals gezegd – de familieboerderij voort. Hun zus Anna huwde een zoon van de strenggelovige achterneef Hinderikus Knotnerus Hovinga.

Samuels jongere halfbroer Klaas Ottes Knottnerus (1822-1902) te Oostwolderpolder werd – dankzij zijn huwelijk met een zus van Hinderikus - stamvader van de gereformeerde tak. De jongste broer Cornelius Ottes Knottnerus (1828-1898) werd hervormd kerkvoogd in Nieuw-Scheemda. Tot de volgende generatie behoorden de landbouwers Otto Knottnerus Kzn. te Oostwolderpolder, Samuel Otto Knottnerus te Oostwold en hun neven Ties Siebolt Knottnerus te Zuidbroek en Otto Knotnerus Czn. te Midwolda, later Nieuw-Scheemda.

Samuel Ottes Knottnerus was overigens niet het enige familielid dat zich met de politiek bezighield. Ook anderen werden in de gemeenraad van Midwolda verkozen: aanvankelijk Hinderikus Hovinga en Albert Kranenborg, later de zwagers Bastiaans en Roemeling. De confessionelen moesten echter voorzichtig opereren omdat de liberale boeren en notabelen doorgaans de meerderheid hadden dankzij het censuskiesrecht, dat alleen de hoogste belastingbetalers stemrecht gaf. Dat zou pas door de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 definitief veranderen. De richtingenstrijd spitste zich daarom vooral toe op het kerkelijke vlak. Na de dood van de invloedrijke oud-burgemeester en kerkvoogd Derk Sibolts Hovinga (1782-1846) uit de Oostwolderpolder en de zittende burgemeester Daniël Eisses de Jager in 1868 stond het orthodoxe smaldeel duidelijk op een achterstand. De andere hoogbejaarde kerkvoogd, emeritus-predikant en grootgrondbezitter Tiddo Waldrik Siertsema (1752-1842), was al eerder gestorven, maar die stond bij het gelovige kerkvolk ondanks zijn vrome afkomst niet in alle opzichten gunstig bekend.[321] Toen de conservatieve predikant Cramer von Baumgarten in 1853 een kiezersvergadering bijeenriep in de Hervormde Kerk van Midwolda, was het resultaat voor hem teleurstellend: de aanwezige kiesgerechtigden spraken zich in meerderheid voor radicaal-liberale kandidaten Zijlker en Westerhoff uit. Daarmee was de Aprilbeweging tegen het oprukkende katholicisme hier in de kiem gesmoord. De liberale dorpselite was hecht georganiseerd. Het blad De Grondwet waarschuwde desondanks dat men waakzaam moest blijven opdat “orthodoxie, dat te Oostwold nog al vrij wat heerscht, in de raadsvergaderingen niet den boventoon krijge […] en op den duur welligt meer kwaad zoude brouwen dan de liberale leden vermoeden”.[322] Veel invloed had vermoedelijk de liberale herenboer en oud-onderwijzer Hajo Jans Smid (1809-1869), gehuwd met een weduwe Stikker, die bijna twintig jaar lang lid van Gedeputeerde Staten was. Later was het vooral de kiesvereniging ‘De Hoop’ te Oostwold, die het liberale boeren- en burgerbelang behartigde en de orthodoxen duchtig tegenspel bood.[323]

Schoolschrift van Samuel Knottnerus (1857-1868) te Oostwold, 17 februari 1868
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)

 

13. Van Réveil tot stammenstrijd


Nederlands Hervormde Kerk, Openbare Lagere School en schoolmeesterswoning te Oostwold, ca. 1935. De bomen die de gebouwen omringden waren kort daarvoor vervangen

(Tjabering Stek, Oostwold in beeld vanaf 1898, Wierden 2012)

 

De religieuze toon binnen de boerenfamilie Knottnerus werd vooral gezet door het Réveil, een internationale opwekkingsbeweging die bij het behoudende deel van de Hervormde Kerk goed aansloeg.[324] Deze beweging had in de persoon van de boerenzoon ds. Remko Engels (1772-1867), predikant te Nieuwolda en voorzitter van de classis Winschoten, een belangrijke vertegenwoordiger in het Oldambt. Deze charismatische predikant was een vriend van de politicus Groen van Prinsterer en verzette zich zowel tegen het rationalisme van de Groninger Richting als tegen de strenge leer van de Afscheiding. Kern van zijn geloofsopvatting was de unio mystica, de heilige verbintenis tussen God en mens, die de enige uitweg uit de diepte van de zondeval zou bieden. Zijn patriarchale verschijning riep ook bij tegenstanders veel respect op. Op zijn intiatief zonden twintig predikanten uit de classis Oldambt in 1835 een kritische brief aan de Hervormde Synode, waarin ze vroegen om vast te houden aan de gereformeerde belijdenisgeschriften.[325] Dat was nog in 1835, kort voordat de vloedgolf van het modernisme over het land zo spoelen. Zijn schoonzoon, de geleerde bakkerszoon dr. Ayolt Tonkens (1803-1880) uit Groningen, werd in 1830 predikant te Oostwold; de zoon Gerardus Engels was dorpsarts in Midwolda (een van diens dochters trouwde weer met een kleinzoon van Samuel Jans Knottnerus). Hun geestverwant ds. Gerrit Johan Frederik Cramer von Baumgarten (1787-1855) was omstreeks deze tijd predikant te Midwolda.[326]


De jonge theoloog Jan Boer Knottnerus sr. adviseerde zijn familieleden in Oostwold over kerkelijke kwesties (Knottekistje 20/2012)



Op de studiekeuze van Jan Boer Knottnerus moet dit alles van invloed zijn geweest. Nadat Tonkens in 1858 vervroegd met emeritaat ging, raakten de orthodoxen verdeeld over zijn opvolging. Een deel van hen wilde hun vroegere plaatsgenoot Jan Boer Knottnerus als predikant. Vermoedelijk mede hierdoor trok het liberale kamp aan het langste eind. Hebben de leden van de familie Knot(t)nerus – toen zij hun zin niet kregen – op de tegenpartij gestemd of speelden andere motieven een rol? Feit is wel dat de nieuwe predikant Goswijn Willem Sannes (1808-1885) uit Veendam een uitgesproken voorstander was van de moderne richting. Desondanks bestelden Otto Samuels Knottnerus en de weduwe van Pieter Hinderikus Knotnerus bij hem een prekenbundel die zijn overleden vader had geschreven.[327] Maar de betrekkingen met Sannes raakten al snel bekoeld.

 
Geeske Cornelius Knottnerus
(1809-1895)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)


Samuel Ottes Knottnerus
(1804-1895)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)
 

Samuel Ottes Knottnerus was een man met een wijde blik. Met zijn jongere halfbroer Klaas Ottes, diens zwager Hinderikus Knotnerus Hovinga, aangetrouwde neef Koert Gravemeijer en andere geestverwanten gaf hij leiding aan het verzet tegen de opkomende vrijzinnigheid in de Hervormde Kerk. De toon hiervoor was gezet door de strijdbare en charismatische voorganger Henricus Eskelhoff Gravemeijer (1813-1890) te Midwolda (hij was afkomstig uit Weenermoor), die in 1865 na acht jaar weer naar Onstwedde was vertrokken waar hij al eerder werkzaam was geweest.[328] Diens zoon Koert was gehuwd met een dochter van Pieter Hinderikus Knotnerus te Finsterwolderpolder en zette daar de bedrijven van zijn schoonmoeder voort (zie hieronder). Het beroep op ds. Gravemeijer (door de stemgerechtigden van Midwolda en Nieuwolda) schijnt vooral een strategisch doel te hebben gehad; de vrijzinnige kerkbestuurders verwachtten dat hij de aanhangers van de Afscheiding, die sinds 1836 een eigen gemeente in Midwolda hadden, terug in de Hervormde Kerk zou lokken. Maar het tegendeel gebeurde: Gravemeijer riep bij zijn afscheid op tot blijvend verzet tegen de moderne theologie en raadde aan zo nodig tijdelijk onderdak te zoeken bij de afgescheidenen. Dankzij hem zouden de landarbeiders de Hervormde Kerk niet massaal hebben verlaten, zoals dat elders later wel gebeurde. “Er is geen dominee uit die tijd wiens naam in het Oldambt nog zo’n bekendheid geniet”, schrijft de socioloog Evert Willem Hofstee in 1937 (op gezag van ds. Ubbo Petrus Okken te Eexta):

In kerkelijke kringen in Midwolda en omgeving is hij haast tot een legendarische figuur geworden. […] Met een imponerende kracht en gloed verdedigde hij van de kansel en bij elke andere gelegenheid zijn overtuiging. Niet alleen uit Midwolda, maar ver uit de omgeving kwam men naar hem luisteren. Het stervende piëtisme werd tot nieuw leven gewekt. […] Zo sterk was zijn invloed, dat zelfs enkele grote boeren zich onder zijn overtuigde volgelingen schaarden.[329]

Een zekere ‘neiging tot separatismus’ was vanouds in Midwolda aanwezig. Cramer von Baumgarten had al eerder vastgesteld dat de geschriften van Schortinghuis hier “als een dierbaar erfgoed van vader op kinderen” werden doorgegeven. Het was volgens hem echter “niet zoo zeer het Schortinghuisianisme, als wel twijfel aan de regtzinnigheid der tegenwoordige […] hervormde kerk” die de ontevredenen tot afscheiding bewoog.[330] De kleine gemeente was gesticht door Geert Edskes Dijksterhuis (1764-1850) uit Winschoter Bovenburen, pachtboer te Midwolda en vanaf 1840 te Oostwolderpolder. Dijksterhuis en zijn medestanders organiseerden huiskamerdiensten onder leiding van lekenpredikers (zoals de bakker Klaas Wildeboer) en stelden vervolgens een eigen predikant aan. De gelovigen kwamen bijeen in huiskamers en boerenschuren, totdat ze in 1850 een simpel zaalkerkje lieten bouwen. Naar schatting een derde deel van de leden kwam uit Oostwold; zij behoorden volgens de eigen dorpspredikant op een enkele notabele na “tot de lagere volksklasse en zijn meestal diep onkundige menschen”.[331]


 Ds. Henricus Eskelhoff Gravemeijer (1813-1890), predikant te Midwolda 1857-1865
(Hervormd Onstwedde)

 

Na Gravemeijers vertrek barstte de Christelijk Gereformeerde Kerk uit zijn voegen. Maar de nieuwkomers vonden geen onverdeeld warm onthaal. Een deel van het kerkvolk vond dat zij eerst moesten breken met de Hervormde Kerk eer ze aan het Heilig Avondmaal mochten deelnemen. De gereformeerde classis onderschreef dit standpunt in 1869.[332] Onder degenen die deze laatste stap niet wilden nemen, vormde zich een kern van orthodoxen die blijvend druk op de Hervormde Kerk gingen uitoefenen. Het door Gravemeijer uitgestrooide zaad had bovendien in de directe omgeving wortel geschoten, met name in de buurdorpen Oostwold, Scheemda en vooral Eexta, waar nogal wat bejaarde boeren hun oude dag doorbrachten. Dankzij een hervorming van het kerkelijk kiesrecht konden vanaf 1867 alle lidmaten via getrapte verkiezingen hun stem laten gelden, waardoor de positie van de orthodoxen langzaam sterker werd.[333] Gravemeijers jonge opvolger ds. Petrus Josephus Rogaar (1839-1907), gehuwd met een orthodoxe boerendochter uit Midwolda, was opnieuw een aanhanger van de confessionele richting. De familielijnen waren kort: de domineesvrouw was een nichtje van Otto Samuels echtgenote.


Voormalige Christelijke School te Oostwold, gebouwd in 1869
(Google Streetview, mei 2016)

 

Misschien nog meer dan deze kerkstrijd was het de landelijke Schoolstrijd, uitgelokt door het liberale pleidooi voor neutraal openbaar onderwijs, die in Oostwold het begin vormde van een echte opwekkingsbeweging. Die kenmerkte zich vooral door een eschatologische ondertoon, zoals we die in de geschiedenis van de familie eerder hebben gezien.[334] Al kort na de oprichting in 1860 was Samuel Knottnerus – net als zijn broers, zwagers en andere familieleden - betrokken bij de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs (een initiatief van Groen van Prinsterer). In 1869 werd vlak naast zijn boerderij een van de eerste christelijke scholen van Nederland gesticht, bedoeld voor de dorpen Oostwold en Midwolda. Als hoofdonderwijzer had men een kopstuk uit het christelijke onderwijs gestrikt (Abraham Meyer uit Vlaardingen, een goede bekende van Groen), die in drie jaar tijd de nieuwe school op poten zette.[335] Liever hadden de initiatiefnemers waarschijnlijk een geestverwant tot hoofdonderwijzer in de dorpsschool benoemd, maar de gemeenteraad lag dwars; zij benoemde juist een vrijzinnig man tot hoofd der school, hetgeen voor de orthodoxen weer niet te pruimen was.[336] Achterneef Hinderikus Knotnerus Hovinga leidde de plaatselijke afdeling van het Anti-Schoolwetverbond. Verder was men actief in de beweging rond het Volkspetitionement van 1878, dat het recht op vrije schoolkeuze bepleitte.


 De Standaard, 17 september 1873

 

Behalve de school werd tevens een plaatselijke evangelisatievereniging gesticht, die in een afzonderlijk gebouwtje eigen kerkdiensten hield en een zondagschool ging verzorgen. Dit alles om “werkzaam te zijn ter verheerlijking van God”, zoals het in de statuten heet. De leiding kwam in handen van de godsdienstonderwijzer Jan Derk te Winkel (1830-1896), een voormalige catechiseermeester uit Winterwijk, die eerder onder Jan Boer Knottnerus in Vriezenveen had gediend.[337] Daarnaast stelde men in 1873 een bijbelcolporteur aan om het Evangelie te verkondigen aan de armen (indachtig Mattheus 11:5). Het bijbelwoord werd daarbij letterlijk genomen: Gods woord diende vooral verbreid te worden “in de achterbuurten of gehuchten van de provincie Groningen, meest bewoond door de arbeidende klasse, die schier geheel van de bearbeiding door het Evangelie is verstoken en alzoo in de grootste onkunde de eeuwigheid tegemoet gaat”.[338] De verwachte wederkomst van Christus en het laatste oordeel klinken in dit alles door.

Het belangijkste van dit alles lijkt de jongelingsvereniging te zijn geweest, die Te Winkel in april 1872 oprichtte. Volgens een bericht vijf jaar later had “de Heer onlangs eene krachtige opwekking, voornamelijk onder jongelingen […] doen ontstaan”. Geestverwanten berichtten vol lof “over de overgave des harten aan Jezus zonder voorbehoud, zooals die door de Oostwolder vrienden werd gepredikt en aangedrongen”.[339] Zo’n retoriek van directheid en oprechtheid gaf een eigen kleur aan de beweging en vormde een belangrijk tegengif tegen het verwijt van schijnheiligheid dat vaak aan de orthodoxen kleefde. Hij onderscheidde de beschaafde Oostwolders dan ook van geestverwanten uit andere streken die zich vaak in het gelijk van de eigen groep opsloten. Het streven naar een gemeente ‘zonder vlek en rimpel’ zou uiteindelijk een splijtzwam worden die gereformeerden en orthodox-hervormden uit elkaar dreef.

 Prof.dr. Jacob Cramer (1833-1895), zwager van Jan Boer Knottnerus, 1876-1884 hoogleraar kerkgeschiedenis te Groningen
(wikimedia)

 

Mogelijk ging deze retoriek terug op de invloed van Jacob Cramer, zwager en boezemvriend van Jan Boer Knottnerus, wiens leerrede ‘Het hart van den mensch door God gevraagd (Spr. 23:26a)’ in ruime kring verspreid werd. Cramer beriep zich hiermee op de populaire Réveilpredikant Adolphe Monod. Zijn benoeming tot hoogleraar in Groningen in 1876 moet binnen het orthodoxe kamp als een overwinnig zijn ervaren: voor het eerst kreeg de ‘moderne’ theologie weerwoord vanuit de eigen faculteit.[340] Ook tegenstanders beschouwden hem als een belangrijke woordvoerder van ‘de orthodoxe partij’. Cramer pleitte voor een brede ‘volkskerk’ die de christelijke waarden in de samenleving zou verankeren. De aanhangers van de moderne theologie verschuilden zich zijns inziens achter formele structuren die hun de vrijheid gaven af te wijken van de geloofswaarheden. De oplossing zocht hij in een voorzichtige democratisering, waarbij de kerkleden tegenover elkaar (en in alle redelijkheid) zouden getuigen van hun geloof in Christus als verlosser. Dat bracht hem niet alleen in conflict met de liberalen, maar ook met de ‘gereformeerden’ rond Abraham Kuyper, die het conflict juist met een radicaal-democratische machtsgreep en interne zuiveringen wilde beslechten. Kuyper beschouwde hem als een verrader die naar de ‘ethisch-irenische partij’ was overgelopen. Een liberaal als ds. Jacob van Waning Bolt uit Lettelbert betoogde daarentegen dat de orthodoxie een verloren strijd voerde; volgens hem konden de rechtszinnigen hun posities alleen nog kon handhaven dankzij ‘kwartjesuitdelerij’, geknoei met stembussen, goedkope retoriek en het monopoliseren van de beste predikantsplaatsen.[341] Dat laatste verwijt was – althans waar het Groningen betrof – niet terecht: de grotere gemeenten waren hier in de regel in moderne handen.

Cramers opvattingen moeten de orthodoxe herenboeren en hun aangang in Oostwold sterk hebben aangesproken. Maar ook andere gelovige enclaves lieten van zich horen. Wagenborgen beet de spits af met de komst van de evangelist Eliza Anthonij Malga in 1864; drie jaar later werden hier een christelijke school en vervolgens ook een jongelingsvereniging gesticht. De gewone kerkdiensten werden min of meer geboycot. Toen de uitgebluste predikant van de Groninger Richting na tien jaar werd afgelost door een jonge voorganger met orthodoxe opvattingen, stroomde de Hervormde Kerk ineens weer vol en kon de evangelisatie zijn deuren sluiten. Een deel van de kerkgangers kwam uit Midwolda en andere dorpen, zodat het kerkplein ’s zondags geregeld vol stond met rijtuigen. Om bij te komen van de lange tocht mochten de kerkgangers hun meegebrachte boterhammen binnen opeten waarbij de koster koffie schonk: een afgepaste vorm van gezelligheid die het orthodoxe milieu typeerde.[342] De situatie was hier overigens anders dan in de rest van het Oldambt: in Wagenborgen was het feodale recht van de dorpsheren om de predikant te mogen benoemen (het zogenaamde collatierecht) – net als op veel plekken in Noord-Groningen – nog niet afgeschaft. De boeren, wier voorouders dit recht in 1763 hadden gekocht, zagen echter tijdig in dat ze beter konden inbinden.[343] Voor de orthodoxen vormde Wagenborgen een voorbeeld dat men elders wilde navolgen.

In Westerlee werd eveneens een evangelisatie opgericht, waaraan in 1867 een jongelingsvereniging was verbonden. Hier rommelde hier al sinds 1856, toen de vorige rechtzinnige predikant was vertrokken. Met het geld dat overschoot van de herdenking van de Slag bij Heiligerlee (in 1868) kon tevens een kerkje in Heiligerlee worden gebouwd. De giften waren eigenlijk bedoeld voor de oprichting van een christelijke school, maar het bedrag schoot daarvoor tekort. Landbouwer Jan Hessels Dethmers ging jarenlang voor in de diensten. In Scheemda bleef het bij een jongelingsvereniging met een eigen lokaaltje, vermoedelijk te Scheemdermeer; een evangelisatie kwam hier niet van de grond, zodat men hier aangewezen bleef op orthodoxe kerkdiensten in de buurdorpen. Pas in 1897 slaagde de orthodoxen erin de preekstoel in het buurdorp Eexta te veroveren, waarna Scheemda zich verder in vrijzinnige richting ontwikkelde.[344]

 Jeugd voor de Hervormde Kerk van Oostwold, ca. 1900
(Kerkelijk erfgoed Oostwold)

 

Het rijke Oostwold werd al snel het bloeiende centrum van de orthodoxe verzetsbeweging in de regio; de invloed van de opwekkingsbeweging bleef enkele generaties in de betrokken families merkbaar. De jongelingsvereniging ‘Ebenhaëzer’ ontving in 1885 koninklijke goedkeuring en beschikte over een eigen vergaderlokaal, waar ook zondagsschool werd gehouden; doelstelling was “de komst van Gods koninkrijk te bevorderen”. Evangelist Te Winkel werd in 1878 opgevolgd door Theodorus Kousbroek, die in de gemeente van ds. Ivo Gaukes Knottnerus te Dordrecht had gewerkt. Vanuit Oostwold werd het orthodoxe evangelie tevens in de omliggende dorpen (waaronder Wagenborgen) gepreekt; zo hield men Bijbellezingen in het verarmde gehucht Ekamp, waar de landerijen ’s winters grotendeels onder water stonden. Kousbroek klaagde later over de helse tochten die hij iedere week moest maken.[345] De jonge onderwijzer, uitgever en boekhandelaar Zwier Jan Koning Gzn. (1860-1935) te Oostwold ondersteunde dit alles met honderden stichtelijke publicaties, waaronder het maandblad ‘De Kindervriend’ (sinds 1888).[346] De politieke tak van de beweging werd aanvankelijk geleid door het antirevolutionaire Tweede Kamerlid Jan Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren (1838-1882), een medestander van Abraham Kuyper. De herdenking van de Slag bij Heiligerlee in 1868 en de onthulling van het monument voor graaf Adolf van Nassau door de koning vijf jaar later – beide geboycot door het katholieke volksdeel – vormden hoogtepunten in het orthodoxe gemeenschapsleven, ook al was het gehalte aan notabelen er hoog.[347] Belangrijker nog waren de Noordelijke Evangelische Zendingsfeesten die vanaf 1871 iedere zomer plaats vonden, vier jaar later voor het eerste in het Sterrebos te Winschoten met meer dan 12.000 bezoekers; Kuyper trad daarbij op als hoofdspreker.[348] Daarna keerde het feest vervolgens geregeld terug in Winschoten. In tussenliggende jaren jaren reisde het orthodoxe volksdeel massaal naar Assen, Veenklooster of Oranjewoud, tot vermaak van de vrijzinnigen die meesmuilend vaststelden dat nogal wat boerenkinderen weinig gewend waren en niet hadden geleerd maat te houden. Om de stroom van belangstellenden te verwerken werden extra treinen ingezet. Vanaf 1902 was er een jaarlijks zendingsfeest op Hemelvaartsdag in het Slochterbos. In de familiealbums bevinden zich soms nog souvenirs van dit uitstapje.


 Ds. Menno Buiskool (1856-1924), predikant te Oostwold 1886-1893
(Regionaal Archief Dordrecht)

 

Na ruim twaalf jaar evangelisatiediensten wisten de actievoerders in 1881 te bereiken dat de vertrekkende predikant Sannes in Oostwold werd vervangen door een orthodoxe tegenhanger, een sympathisant van Kuyper, die later zou overgaan naar de Doleantie. Het evangelisatielokaal werd afgebroken; Kousbroek vertrok naar Den Haag.[349] De nieuwe predikant Johannes Hulsebos werd op zijn beurt in 1886 opgevolgd door zijn jongere collega Menno Buiskool (1856-1924), een aanhanger van de confessionele richting. Hij was een leerling van professor Jacob Cramer en gehuwd met Samuels nichtje Christine Dallinga. De predikantsplaats was een der best betaalde van Nederland, en de kerkelijke gemeente was rijk, zo dat men welbespraakte voorgangers kon aantrekken die een tegenwicht konden bieden aan hun liberale collega’s in de buurdorpen.[350] Ook in de omliggende dorpen ontstond een wedloop tussen orthodoxen en vrijzinnigen wie het meeste aanhangers kon mobiliseren. Eens per tien jaar konden de lidmaten besluiten of ze het benoemingsrecht van de predikanten overlieten aan de kerkenraad dan wel aan een afzonderlijk kiescollege dat door de lidmaten werd verkozen. Zodra dat laatste gebeurde, trokken de orthodoxen meestal aan het langste eind. De groei van de onkerkelijkheid en de opkomende onverschilligheid onder de landarbeiders werkte echter in hun nadeel. Een deel van de gegoede burgerij en veel middenstanders kozen bovendien partij voor de liberale boerenelite.


Gereformeerde Kerk te Oostwold ‘Pro rege’, gebouwd in 1889, hier in 1920. Voor de deur staat de gereformeerde uitgever Zwier Jan Koning Gzn.
(Tjabering Stek, Oostwold in beeld vanaf1898, Wierden 2012)

 

Bij buitenstaanders riep dit gekrakeel herinneringen op aan de hoogtijdagen van het piëtisme. “Er is wellicht geene gemeente in ons vaderland, waar meer strijd op kerkelijk en bijgevolg op staatkundig gebied heerst dan hier”, schreef de Provinciale Drentsche en Asser Courant in 1886, “tegenwoordig is het brandpunt van den strijd verplaatst naar Oostwold”.[351] Maar ook binnen het orthodoxe kamp hield de religievrede geen stand. De Doleantie van 1886 veroorzaakte een heftige breuk die tevens in de familiekring doorwerkte. Het was alsof de oude strijd tussen een ‘irenische’ verbondstheologie en de ‘gereformeerde’ uitverkiezingsleer die eerder de theologen had bezighouden nu in het boerenmilieu opnieuw tot uitbarsting kwam. Dat waren ook de woorden van Abraham Kuyper.[352] En wellicht hadden zich ook onderhuidse spanningen tussen familieleden opgehoopt. Klaas Ottes Knottnerus en zijn zwagers waren op de hand van oud-predikant Johannes Hulsebos, inmiddels te Zuidwolde (Dr.), waar hij met een deel van de kerkenraad uit de Hervormde Kerk was gezet. Hoewel Klaas hervormd ouderling was, had hij een oproep om te breken met de Hervormde Kerk en terug te keren tot de kerkorde van 1618 ondertekend en die verspreid, waarom hij eveneens als kerklid werd geroyeerd. De beide dorpen raakten hierdoor lange tijd verdeeld; in Wagenborgen gebeurde hetzelfde.[353]


Hervormde School met den Bijbel aan de Klinkerstraat te Oostwold, gesticht in 1889
(Tjabering Stek, Oostwold in beeld vanaf1898, Wierden 2012)

 

Klaas en zijn zoon Otto stichtten met hun medestanders (onder andere de boerenfamilies Hamster en Toren) op 1 oktober 1888 een eigen Gereformeerde Kerk en namen vervolgens het bestuur van de christelijke school over; een honderdtal christelijk-gereformeerden sloot zich vervolgens bij hen aan. De tegenstanders richtten een eigen ‘Hervormde School met den Bijbel’ op. De oprichtingsakte van de hervormde schoolvereniging vermeldt de namen van tien bejaarde landbouwers, allemaal leden van de families Knottnerus en hun verwanten, alsmede de dorpspredikant Menno Buiskool en vier middenstanders. Het document benadrukt nog eens het belang van de Bijbel “als gezaghebbende Woord van God” en de erkenning dat Jezus Christus is “overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking”.[354]

De gereformeerden hadden dan wel een eigen kerk en school, maar de gemeente van Oostwold was overigen niet erg kapitaalkrachtig, zodat de weinige boeren in het gezelschap vaak de onkosten moesten voorschieten. Pas in 1917 kon de oude Christelijk-Nationale School worden vervangen door twee nieuwe schoolgebouwen in de dorpen Oostwold en Midwolda. Op het politieke vlak nam Otto Knottnerus Kzn. de leiding; hij was van 1879 tot 1924 lid van de gemeenteraad en sinds in 1897 Statenlid voor de antirevolutionairen. Ook zijn neef uit Zuidbroek, hervormd predikant Klaas Otto Knotnerus, sloot zich in 1906 alsnog bij de Gereformeerde Kerk aan.


Otto Knottnerus Kzn. (1853-
1924) te Oostwolderpolder,
AR-politicus en aanhanger
 van de Doleantie.
(J.P. de Groot)

 

Van de landarbeiders en middenstanders, van wie in de regel verwacht werd dat ze de keuze van hun broodheren volgden, vergde deze stammensstrijd veel tact. Het verhaal gaat dat de gereformeerde herenboeren uit Midwolda strenger en hooghartiger waren dan hun hervormde collega’s uit Oostwold: bij hen mocht bijvoorbeeld niet gefloten worden tijdens het werk, alleen kerkliederen waren toegestaan (vooral de meerstemmige psalmen van Johannes Hazeu waren populair). De sociale betrokkenheid en gemoedelijkheid die typerend waren voor de hervormde orthodoxie lijkt hier plaats te hebben gemaakt voor een zekere eigendunk en een vorm van moralisme die hun tegenstanders als arrogant en ongevoelig bestempelden. Waar de hervormden het traditionele standsbesef met de daaraan gekoppelde fatsoensnormen nieuw leven wilden inblazen, kozen de gereformeerden voor een zakelijke benadering die een spartaanse levensstijl en individuele discipline centraal stelde. Ze trouwden vaker buiten eigen kring en namen daarbij grotere risico’s. Succes en mislukking lagen zodoende dichter bij elkaar.

De jeugd volgde het voorbeeld van de volwassenen: tussen hervormde en gereformeerde schooljongens in Oostwold werden soms ‘hele veldslagen’ uitgevochten. Kerkgangers liepen elkaar op zondag voorbij zonder te groeten, ieder aan een kant van de weg. Vriendschappen werden verbroken en verwantschapskringen raakten gescheiden. Dat was overigens niet altijd het geval. In de meeste andere dorpen bleven hervormden en gereformeerden samen tegen de boze buitenwereld optrekken, zowel in het onderwijs als in het verenigingsleven. Vriendenkransjes brachten gelijkgestemden weer samen, al bleef er ook veel onuitgesproken en was men constant beducht op verwijten uit eigen kring dat men te ver ging in de verbroedering. Vooral in gereformeerde kring bestond de angst dat omgang met de ruimhartige hervormden uiteindelijk tot morele inflatie zou leiden. Alleen op het politieke vlak werkte men zo nu en dan samen met de vrijzinnigen om de conservatief-liberale boerenelite een hak te kunnen zetten. De hartgrondige afkeer van het Verlichtingsdenken en de moderne theologie klonk nog lang na.[355]


Johannes Hinderikus Jansonius Mensinga
 en Anna Knotnerus
bij hun 25-jarig huwelijks-
feest, 1906
(J.P. de Groot)

 

Helemaal buiten de boot vielen de vrijzinnig hervormden in Oostwold, waaronder de nakomelingen van Tjark Hinderikus Knotnerus (1794-1860) en zijn broer Pieter (1797-1849). Pieters weduwe Geessien Botjes hield aanvankelijk het orthodoxe vaandel hoog, maar twee van haar dochters huwden in liberale kring. Een van de schoonzoons was landbouwer Johannes Hinderikus Jansonius Mensinga (1842-1927), kleinzoon van een verlichtingsgezind predikant uit Nieuw-Beerta.[356] Deze hertrouwde in 1881 Tjarks dochter Anna Knotnerus, weduwe van het liberale Statenlid Dirk Uipkes Stikker, en kwam sindsdien voor zijn ‘moderne’ overtuiging uit; van 1896 tot 1918 was hij wethouder voor de vrijzinnig-democraten.[357] Schoolhoofd Albert Meijer gaf leiding aan het verzet tegen de orthodoxie en richtte samen met Mensinga en andere medestanders in 1886 een afdeling van de Nederlandsche Protestanten Bond op. Men organiseerde voortaan eigen kerkdiensten onder leiding van vrijzinnige voorgangers uit buurdorpen. Eerst gebeurde dit in een zaaltje in de plaatselijke herberg, later in een afzonderlijk gebouwtje. De kerkvoogden van de Hervormde Kerk, die de orthodoxe machtsgreep met lede ogen aanzagen, steunden dit alles door jaarlijks duizend, later zelfs vijftienhonderd gulden in de kas te storten. Dankzij een kunstgreep wist het kerkbestuur te verhinderen dat de hervormde lidmaten grip kregen op het beheer van de kerkengoederen; het verkiezen van kerkvoogden en notabelen bleef voorlopig voorbehouden aan de rijkere kerkleden die ook op het politieke vlak hun stem mochten uitbrengen.[358]

Zelfs binnen het gemeentebestuur van Midwolda, waar vanouds hun machtsbasis lag, moesten vrijzinnigen en liberalen gevoelige veren laten. Ze voelden zich met name gedeemoedigd door het gedwongen ontslag van burgemeester Siert Kiel en diens opvolging door de gereformeerde pachtboer Pieter Dijkhuis (gehuwd met een weduwe Knotnerus) in 1903. Die liet zich erop voorstaan dat hij zich met hard werken en wilskracht had opgewerkt van boerenknecht tot burgemeester. Toen Dijkhuis sr. in 1921 werd opgevolgd door zijn zoon, ondanks een breed ondersteunde handtekeningenactie tegen deze benoeming, sprak de socialist Johan Schaper in de Tweede Kamer schamper over ‘erfelijk regentschap’. Bij de eerste democratische verkiezingen van 1920 kregen de confessionelen een absolute meerderheid in de gemeenteraad en dienden andersdenkenden voortaan een tweede viool te spelen.[359]

De democratisering van de samenleving werkte tevens door binnen de Hervormde Kerk van Oostwold. Dankzij de verruiming van het kiesrecht verloren de vrijzinnigen (een kwart van de hervormde lidmaten) vanaf 1920 hun grip op het college van kerkvoogden en notabelen, waardoor de subsidies aan de Protestanten Bond in één klap ophielden. Zelf spraken ze over de “zuiveringen” waardoor hun aanhangers voortaan uit kerkelijke colleges geweerd werden. Via de kiesvereniging ‘De Gereformeerde Belijdenis’ stelden de orthodoxen hun posities veilig. Uiteindelijk liepen de conflicten verder op, zodat de meeste vrijzinnigen in 1932 hun lidmaatschap van de Hervormde Kerk opzegden.[360] Pas tijdens en na de Tweede Wereldoorlog groeiden de verschillende geloofsrichtingen weer naar elkaar toe. Wie zich daarin niet kon vinden, haakte alsnog af.


Landarbeiderswoningen in het Meerland onder Oostwold, 1962
(Tjabering Stek, Oostwold in beeld vanaf 1898, Wierden 2012)

 

De telkens opvlammende geloofsstrijd had veel impact. Familieoudste Samuel Ottes raakte onder de indruk van de eindtijdverwachtingen die in zijn laatste levensjaren opgeld deden. Hij waarschuwde zijn kinderen en kleinkinderen voor de moeilijke tijden die hun nog te wachten stonden.[361] Het Oldambt beleefde in die jaren veel sociale onrust; de landarbeiders eisten voor het eerst hun deel van de welvaart op en organiseerden zich onder de vlag van het socialisme. De onlusten gingen weliswaar grotendeels aan zijn eigen dorp voorbij, maar het was zonneklaar dat alles niet meer op de oude voet kon doorgaan. Zo werden op Sinterklaasavond 1892 vier boerenknechten uit Oostwold gearresteerd die bezig waren - kennelijk uit wraak - de ruiten van de woning van het hoofd der christelijke school in te gooien. De onderwijzer gaf de schuld aan sommige boeren, die hun personeel de vrije hand gaven. Tevergeefs drong het Christelijke Werkliedenvereniging ‘Patrimonium’ aan op maatregelen tegen de schrijnende winterwerkeloosheid. Slechts vijf landbouwers lieten van zich horen. Drie jaar later werd ook een hervormde werkliedenvereniging opgericht.[362]


 Hervormde kerkenraad van Oostwold met
ds. J.C. Kromsigt, ca. 1920
(Groninganus, naar een foto in de consistoriekamer)

 

De toon binnen de hervormde tak van familie werd uiteindelijk gezet door de gematigde voorganger dr. Johannes Christiaan Kromsigt (1872-1958) te Oostwold, een aanhanger van het volkskerkideaal, actief in de Christelijk-Historische Unie (CHU) en een groot kenner van de geschiedenis van het piëtisme in het Oldambt.[363] De hervormde familieleden volgden voortaan het credo ‘Heel de kerk en heel het volk’, zoals de theoloog Philippus Jacobus Hoedemaker dit in 1897 onder woorden bracht. In hun ogen was Nederland een natie die door God was uitverkoren en dienden politici en kerkleiders op Bijbelse grondslag hun verantwoordelijkheid voor het algemeen belang te nemen, in plaats van zich in eigen kring af te zonderen. Deze houding gaf hen een belangrijk raakvlak met de orthodoxe predikanten uit de Friese tak van de familie. In eigen dorp probeerden de leden van de familie tussen de strijdende partijen door te laveren. Ze hielden zich vaak afzijdig van liberale werkgeversorganisaties en sloten zich samen met hun gereformeerde verwanten aan bij christelijke alternatieven. Hun landarbeiders hielden eveneens afstand van het conflictmodel dat de socialisten propageerden; uitgerekend in Oostwold werd in 1907 de eerste landelijke christelijke vakbond voor landarbeiders opgericht. Het gedenkboek van de bond uit 1964 spreekt welhaast pathetisch over een mijlpaal in ‘twintig eeuwen emancipatie’ (gerekend vanaf de Kruisiging op Golgotha).[364] Dat voorjaar later braken de eerste stakingen uit, die vooralsnog in goed overleg werden beëindigd. Naar aanleiding hiervan namen Cornelius (Samuel) en Otto Knottnerus Kzn., beide lid van de gemeenteraad, met anderen het initiatief tot het oprichten van een plaatselijke werkgeversorganisatie. De motivatie is typerend voor de mix van van patriarchale en sociaalchristelijke opvattingen die toentertijd opgeld deed: “De bedoeling van den Bond is niet om het streven naar lotsverbetering der arbeiders tegen te gaan, maar om zooveel mogelijk zekerheid te hebben voor een onbelemmerde en een regelmatige uitoefening van het bedrijf”.[365] Het was het begin van een periode van langdurige en heftige sociale conflicten die ook op kerkelijk gebied diep doorwerkten.

De orthodox hervormde tak van de familie verliet Oostwold rond 1920. De hervormde gemeente ontwikkelde zich in ultra-orthodoxe richting. Ze trad in 1982 alsnog toe tot de Gereformeerde Bond en ging later niet samen met de Gereformeerde Kerk; in plaats daarvan werden de banden met de christelijk-gereformeerden van Midwolda aangehaald. Voor onderhoud van de gebouwen ontbrak steeds vaker het geld. Ze werden samen met het andere kerkelijke erfgoed in 2016 overgedaan aan een afzonderlijke stichting. De gereformeerden gingen op hun beurt samenwerken met de hervormden in Nieuwolda; het in 1955 vernieuwde kerkje van de Protestanten Bond sloot dertig jaar later alsnog zijn deuren. De gemeente Midwolda ging in 2010 op in de grotere gemeente Oldambt. Twee monumentale familieboerderijen kwamen in 2005 aan de oevers van het nieuwe Oldambtmeer te liggen.

Terugkijkend valt vooral op hoe kleinschalig de eerste uitingen van de protestantse ‘verzuiling’ zijn geweest. Zeker in vergelijking met het dichte netwerk van kerkelijke verenigingen en organisaties dat vanaf het het begin van de twintigste eeuw over Nederland werd uitgerold. De negentiende-eeuwse strijd tussen orthodoxen, vrijzinnigen en gereformeerden was in zekere zin een strijd om de macht en om de gunst van de achterban. Wat dit betreft behoorde de familie Knottnerus in Oostwold tot de pioniers van het moderne Nederland. De familieleden fungeerden in zekere zin als ‘patroons’ van de orthodoxe beweging; zij organiseerden en financierden het emancipatieproces van de gelovige ‘kleine man’, zonder overigens hun eigen machtsposities onmiddellijk te willen prijsgeven. De dans om de preekstoelen was dan ook vooral een strijd om de macht. Waar de liberalen wonnen, hadden klassenstrijd en ongeloof in de ogen van de orthodoxen vrij spel. Waar de orthodoxen wonnen, kon men in elk geval proberen de harten van het volk voor andere oplossingen te winnen; oplossingen die meer in overeenstemming waren met de kerkelijke moraal. De Doleantie doorkruiste dit proces: de aanhangers van Abraham Kuyper gingen de strijd feller en compromislozer aan dan hun orthodoxe verwanten. Zij legden de lat hoger, maar waren ook eerder bereid de macht met succesvolle geloofsgenoten van eenvoudige komaf te delen.

Waren de belangrijkste concurrenten voor beide groepen in de negentiende eeuw vooral de liberalen, in de twintigste eeuw werd dat de socialistische arbeidersbeweging, die elders in Oost-Groningen de sterkste groepering werd. In de loop van deze eeuw veranderde bovendien de inzet van het politieke spel. De gewone leden namen langzaamaan de leiding van de christelijke organisaties over. De resterende boerenfamilies gingen daarin op voet van gelijkheid meedoen.

Heden ontsliep, zacht en kalm, na eene ongesteldheid van slechts eenige dagen, onze geliefde echtgenoote en moeder

Geeske Kornelis Knottnerus.

Zij bereikte den ouderdom van 85 jaren en ruim 7 maanden, waarvan ik ruim 65½ jaar in een zeer genoeglijken echt met haar mocht verbonden zijn. Haar heengaan was in volle verzekerdheid des geloofs van haar aandeel in de verworvene gerechtigheid van den Heeren JEZUS CHRISTUS.

Ons overtuigd houdende van Uwe deelneming in ons droevig verlies,

Mede namens kinderen, behuwd-
en kleinkinderen,
Uwe diepbedroefde:

S.O. KNOTTNERUS

Oostwold, 9 April ‘95

Ik leef en zij zult leven
Joh. 14 vs. 20

Zij heeft geloofd en in dit leven
Steeds op Gods gunst en hulp vertrouwd.
Haar hoop op Christus’ werk gebouwd
En moed zijn ongeschokt gebleven,
Tot zij, na langen pelgrimstocht,
Getroost in vrede ontslapen mocht.

Uw geloof heeft U behouden
Marcus 5:34

Hij streed den goeden strijd des levens.
Hij heeft zijn loop getrouw volbracht.
’t Geloof in ’t Lam aan ‘t kruis geslacht
Behield hij en ’t behield hem tevens.
Dus wachte hem ’t genadeloon
Uit Christus’ hand de zegekroon.

Rouwbrief en grafzerken van Geeske Cornelius Knottnerus en Samuel Ottes Knottnerus.
Oostwold, Nieuwe begraafplaats, 1895
(Foto mr. G.L.J. Cazemier, 2005

(Terug naar boven)

 

14. Orthodoxe netwerken


 Familiebijeenkomst te Leiden, ca. 1885. Van links naar rechts: Harmina Klazina Knottnerus, Otto Samuel Knottnerus, zwager ds. Leendert Martinus van Noppen en ds. Jan Boer Knottnerus jr. De derde broer Jan Anthonij Knottnerus was inmiddels geëmigreerd
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)

 

De hervormde familieleden bleven onderling nauw contact houden. Otto Knotnerus Czn. te Nieuw-Scheemda liet zijn jongste zoon Otto Samuel in 1895 dopen in Oostwold omdat hij zich niet kon vinden in de vrijzinnige preektoon in zijn eigen dorp. Zijn schoonfamilie in Midwolda was op de hand van de Doleantie, maar hij hertrouwde na de dood van zijn eerste vrouw een hervormd nichtje (Elizabeth Knottnerus) uit Oostwold; het verhaal gaat dat het kindje na afloop van de plechtigheid werd gezegend door de hoogbejaarde overgrootvader Samuel Ottes. Deze Otto Knotnerus Czn. logeerde weer bij neef Jan Boer Knottnerus jr. te Vriezenveen, zijn zoon Kees was een tijdlang in de kost bij diens broer Otto Samuel in Rotterdam, terwijl hun zwager Leendert van Noppen, rechtzinnig predikant te Scheveningen, later de familieleden in Nieuw-Scheemda bezocht. “Kind, kind, jij zult later toch wel goed christelijk-historisch worden?”, zou deze in 1924 bij het wiegje van kleindochter Auke Titi hebben gezegd. Haar vader (Otto Samuel) had vier ooms, een zwager, een oomzegger, vier neven en twee aangetrouwde neven die predikant waren; bij familiebijeenkomsten waren hij en zijn broer Kees de enige boeren.

De boerendochters en hun nichten trouwden vaak gelijkgestemde predikanten met namen als Cazemier, Jellema, Kramer, Van der Lecq, De Vries, Jonkers, Tichelaar, Van Anken, Lodder, Van Noppen en Riphaagen (de laatste vrijzinnig). Soms zette dit patroon zich ook in volgende generaties door (met namen als Gemser, Hoekzema, Ter Haseborg, Buiskool, Pots, Veldman, Meijering en Los), waardoor er heel wat neven en achterneven met een kerkelijke of universitaire loopbaan waren. Onder de nakomelingen van Otto Samuels Knottnerus en hun partners vinden we meer dan vijfentwintig predikanten, waarvan alleen al zes uit de familie Cazemier. De noordelingen hebben – voor zover ze hervormd waren – in de regel in Groningen gestudeerd.[366] De meeste predikanten vonden hun aanstelling in een van de vele Friese dorpen, dan wel in Overijssel of Zuid-Holland; daarentegen waren ze minder gevraagd in Noord-Groningen en in Drenthe, waar liberale boeren en grootgrondbezitters dankzij het collatierecht nog lang de dienst uitmaakten. Bekende nakomelingen waren de theoloog en egyptoloog ds. Lukas Jan Cazemier (1899-1975; zijn Groningse dissertatie gaat over de zielevogel), de juristen Jan Engbertus Jonkers (1890-1971) en Otto van Anken (1909-1991), en de germanist en dichter Cor Jellema (1936-2003); een van de kleindochters was gehuwd met de theologieprofessor en predikant Berend Gemser (, 1890-1962) te Pretoria, later Groningen.

Veel contacten liepen via vroegere kostschoolvriendinnen die het meisjesinternaat van ds. Johannes Krull te Spannum (1876-1905) of een andere kostschool hadden bezocht.[367] De leerlingenlijst van Spannum bevat tien namen uit de familie Knot(t)nerus en minstens zoveel namen van nichtjes uit verwante families. Het onderwijs was hier streng; het lesprogramma bestond vooral vreemde talen, goede manieren, handwerken en godsdienstonderwijs. “Heel gezwind groeit een dame uit ’t boerenkind”, grapte het Friesch Volksblad, dat de draak stak met de orthodoxie:

Daar leert men ook muziek en zang,

Doch voor 't dansen is men bang,

Schoon elk weet

Dat ook David aan dansen deed.

Het lesgeld bedroeg vierhonderd gulden per jaar, meer dan het gemiddelde jaarinkomen van een landarbeider. Als we de Friese volksschrijver Waling Dykstra mogen geloven diende het internaat vooral om rijke boerendochters aan de man te brengen:

Zoiets is alleen geschikt voor mensen die er de financiële ruimte voor hebben, dus niet voor het gewone volk. En nu willen ze daar van boerendochters dames maken. Die stap lijkt mij vooralsnog te groot. […] Maar misschien biedt deze school wel kansen voor de jonge dominees uit de kweekschool van ‘schraalhans keukenmeester’. Als het namelijk ooit zo ver zal komen dat moderne dominees uit de kerk verjaagd worden, dan zullen heel wat beginnende rechtzinnige predikanten tevreden moeten zijn met een alledaags traktement. En als zo iemand dan een rijke boerendochter aan de haak kan slaan, is dat voor beide een oplossing. Want je kunt evengoed dominees-juffrouw (of –mevrouw!) zijn als boerin, nu je niet meer aan een pachtboerderij kunt komen omdat ze zo gewild zijn, en nieuwe boeren hiermee nauwelijks aan de kost kunnen komen. […] Maar zoals de boerendochters tot dusverre worden opgevoed kunnen ze zich niet in ‘beschaafde kringen’ mengen en dat is voor een jonge dominee heel lastig. Daarom stel ik me voor dat de Spannumer kostschool op dit vlak een nuttige functie kan vervullen.[368]


 Albuminscriptie voor Margrietha Knottnerus
(1873-1902) door Maria Hinsbeek (1872-1957),
Spannum, 27 juli 1890
(Familiearchief O.S. Knottnerus, Scheemda)

 

Dykstra dacht daarbij in 1876 vooral aan oud-leerlingen van de kweekschool te Doetinchem, opgericht door ds. Jan van Dijk Mzn., een voormalige afgescheiden predikant die was teruggekeerd in de Hervormde Kerk. Hier werden jongens uit minder welvarende mileus werden opgeleid om na studie in Utrecht rechtzinnig predikant te worden dan wel onderwijzer aan een bijzondere school. Ook de boerenzoons Adolph Meinhardt en Bauke Rommert Knottnerus (uit de Friese tak) deden vanuit dit internaat examen bij het gymnasium in Doetinchem voordat ze aan hun universitaire studie begonnen. Beide internaten hadden zowel gereformeerde als hervormde leerlingen. Desondanks lijken slechts vier boerendochters uit de familie Knottnerus getrouwd te zijn geweest met een ‘dijkiaan’; in de meeste gezinnen lag de lat over het algemeen kennelijk een stukje hoger.[369]

De kring van geschikte geachte partners was beperkt, zodat voor de vrouwen een belangrijke rol was weggelegd om hun broers en zussen van huwelijkskandidaten te voorzien. Omgekeerd brachten de theologiestudenten elkaar in contact met aantrekkelijke meisjes uit het orthodoxe milieu. Vaak kenden de jongens elkaar van een of andere kostschool; rond 1900 was vooral het gymnasium in Kampen populair. Enkele domineesdochters uit de Friese tak gingen naar de onderwijzeressenopleiding van de O.G. Heldringstichting te Zetten. Tenslotte waren er de gastgezinnen waar jonge predikanten werden ondergebracht als ze ervaring met het pastorale werk moesten opdoen; ook daar ontstonden boeiende contacten. Brieven en ansichtkaarten geven vaak een aardig beeld van de netwerken waarin men zich bewoog. Verschillende boerendochters bleven desondanks ongetrouwd, meestal omdat ze geen geschikte partner wisten te vinden. Ze moesten de rest van hun leven zien rond te komen van een aandeel in de ouderlijke erfenis.[370]

Al met al speelde het kerkelijke leven bij veel afstammelingen nog lange tijd een grote rol. De erfenis van het calvinisme was in vele opzichten bijna tastbaar.


45-jarig huwelijksfeest van Otto Samuel Knottnerus en Klasiena Kranenborg, Oostwold, 12 december 1901.
Boven: Foktje Knottnerus en ds. Gerrit Cazemier Hzn.; Otto Knotnerus Czn. en Elisabeth Knottnerus; ds. Anne Jellema Hzn. en Geziena Harmina Knottnerus. Onder: Otto Samuel Knottnerus en Klasiena Kranenborg, Anna Cornelia Knottnerus, Margrietha Jantiena Knottnerus, Teelkina Margrietha Knottnerus (Tine). Het portret is van Tine’s verloofde, theologiestudent Jan Wiebe Hovinga (1867-1895), die aan tuberculose is overleden; de foto is gemaakt tijdens een sanatoriumkuur te Montreux. Margrietha overleed enkele maanden na het maken van deze foto aan dezelfde ziekte als haar aanstaande zwager.
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda).

 

(Terug naar boven)

 

15. Verwikkelingen rond de ‘derde tak’


Annechien Hinderikus Knotnerus
(1788-1873), gehuwd met Ties
Sibolts Hovinga te Oostwolder-
polder; hun zoon noemden zij
in 1816 Hinderikus Knotnerus
Hovinga. Haar nakomelingen
werden gereformeerd
(Stichting Familie
Knottnerus
)

 

In de ‘derde tak’ van de familie (nakomelingen van Annigje Jans Zand) was de voorkeur voor de orthodoxie – zoals we zagen - minder vanzelfsprekend dan bij de nakomelingen van Samuel Jans Knottnerus. Vaak bepaalden de vrouwen welke religieuze keuze werd gemaakt; verhuizing naar een ander dorp betekende op den duur vaak ook wisseling van kerkelijke voorkeur. We vinden hier daarom zowel gereformeerde als vrijzinnig-hervormde nakomelingen.

Voor Hinderikus Tjarks Knotnerus (1764-1841) en zijn kinderen te Oostwold stond de rechtzinnigheid nog buiten kijf. Hinderikus was succesvol als ondernemer; hij was gehuwd met een rijke boerendochter uit de Stadspolder (Anna Pieters Engelkes) en kon ieder van zijn drie zoons een flinke boerderij nalaten. Samen bewerkten ze ruim 170 hectare vruchtbare zeeklei. Tjark en Pieter verhuisden naar de nieuwe Finsterwolderpolder (bedijkt in 1819), Jan bleef op de ouderlijke hofstede in de Oostwolderpolder, waar hij in 1841 overleed; hun zus Annechien Knotnerus huwde in 1809 de buurjongen Ties Sibolts Hovinga (1784-1853).[371] Haar zoon Hinderikus Knotnerus Hovinga (1816-1890) huwde de jonge weduwe van zijn oom, pachtte daarna de familieboerderij en verhuisde in 1854 naar een ander bedrijf in het dorp Oostwold.[372] Pieters weduwe werd in 1865 opgevolgd door de schoonzoon Koert Hendriks Eskelhoff Gravemeijer, die in 1870 een nieuwe boerderij aan de Polderweg liet bouwen. De beide boerderijen in de Finsterwolderpolder werden later alsnog verplaatst naar de Oostwolderpolder.


Advertentie bij verkoop van de boerderij van de erven Hinderikus Tjarks Knottnerus
(Groninger Courant, 31 januari 1854)

 

De geschiedenis van deze tak van de familie Knotnerus is niet goed te beschrijven zonder de familie Hovinga daarin te betrekken (tabel 2). De vriendschap tussen beide families was uitzonderlijk hecht; hun boerderijen grensden vaak aan elkaar.[373] Annechien en haar nakomelingen waren strenggelovig; slechts de jongste zoon (Derk Ties Hovinga) bleef hervormd, de oudste (Hinderikus Knotnerus Hovinga) sloot zich later in samenspraak met zijn zwagers Klaas Ottes Knottnerus en Pieter Dijkhuis aan bij de Doleantie en werd gereformeerd. Deze keuze vóór of tegen de Doleantie was min of meer een generatie-effect: de hoofdpersonen waren allen op leeftijd en hun geesten waren vermoedelijk al langer rijp voor deze stap. De kinderen volgden hier het spoor van hun ouders. Derk Ties was daarentegen nauw bevriend met de orthodoxe tak van de familie Knottnerus, eveneens mensen op leeftijd die zich jarenlang tegen de neiging tot afscheiding bij hunn geloofsgenoten hadden verzet. Hij behoorde samen met zijn tante Gesien, weduwe van zijn oom Pieter Hinderikus Knotnerus, tot de stichters van de Hervormde Schoolvereniging; zijn naam wordt daarbij als eerste genoemd.

De kinderen van de middelste zoon Habbo Ties (hij was hertrouwd met zijn ‘werkmeid’) werden opgevoed door hun stiefvader Pieter Dijkhuis sr. (1841-1932) te Midwolda, een christelijk-gereformeerde pachtboer van eenvoudige komaf, antirevolutionair politicus en Statenlid, later ook burgemeester van Midwolda.[374] Twee van diens dochters huwden predikanten van christelijk-gereformeerde huize (Kornelis M.R. Veldman en Meertinus Meijering); de zoon (Ties Siebolt) werd na een niet voltooide studie in Leiden verzekeringsagent in Haarlem.


Grafmonument Henderikus
Knotnerus Wiertsema
(1869-1905) te Bierum.
Hij
overleed op jonge leeftijd
na – zoals men zei – een leven van ‘Wijntje en Trijntje’

(MyHeritage: Bram Wiertsema)



De oudste dochter van Hinderikus Knotnerus Hovinga huwde een rijke herenboer van christelijk-gereformeerd huize uit Bierum (Jan Hindrik Wiertsema); hun zoon Hendrik Knotnerus Wiertsema (1869-1905) raakte aan lager wal na een leven van ‘trijntje en wijntje’, zoals dat in die tijd heette. Na een faillissement in 1899 keerde hij als zwerver terug naar zijn geboorteplaats, waar zijn moeder hem – volgens de overlevering – nauwelijk herkende.[375] De overige kinderen bleven in het boerenmilieu. Hinderikus’ zoon Luitjen Hovinga (1844-1908) volgde zijn vader op als landbouwer en huwde in 1868 Anna, de dochter van Samuel Ottes Knottnerus. Hij was actief in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Zijn vier dochters belandden in gereformeerde middenstandskringen en huwden een koopman, een slager, een bakker en een manufacturier. Een deel van de boerderij verhuurden ze later als tuingrond aan landarbeiders.[376]

 

Boerderijen bewoond door vijf generaties van de familie Knot(t)nerus (tot 1900): orthodox-hervormde (zwart), gereformeerde (groen) en liberale netwerken (blauw).
Op de boerderijen nrs. 111-112, 118-121, 134, 141 en 164-167 waren in de negentiende eeuw vooral orthodoxe verwanten te vinden; op nrs. 110, 119 en 167 aanhangers van de Doleantie; op nrs. 168-169 en later 121 en 122 eerder verwanten uit het vrijzinnig-liberale kamp.
(HisGis; klik hier voor kaart met boerderijnummers)

 

De betrekkingen tussen beide families begonnen in 1809 met het huwelijk van Annechien Hinderikus Knotnerus met buurjongen Ties Sibolts Hovinga (een broer van burgemeester Derk Sibolt Hovinga), waaruit zeven jaar later Hinderikus Knotnerus Hovinga werd geboren. Deze huwde in 1843 Gesien Luitjes Bouwman, weduwe van zijn oom Jan Hinderikus Knotnerus; zijn zus Talje huwde in 1852 achterneef Klaas Ottes Knottnerus. Hinderikus hertrouwde in 1863 Geessien Daniëls de Jager, dochter van zijn oudtante Annechien Samuels Knottnerus. Zijn zoon Luitjen huwde in 1868 weer een kleindochter van Otto Samuels Knottnerus; zij werden allen gereformeerd.

De hervormde familieleden onderhielden eveneens warme banden. Nicht Geesien (dochter van broer Derk Ties Hovinga) trouwde in 1882 een kleinzoon van Otto Samuels Knottnerus (Otto Samuel Roemeling), haar broer Ties Sibolt Hovinga in 1886 een andere kleindochter (Anje Bastiaans), terwijl de jong overleden student Jan Wiebo Hovinga (1867-1895) verloofd was met achterkleindochter Teelkina Anna Knottnerus (Tine). Deze Jan Wiebo ging in 1889 theologie studeren in Leiden, nadat hij eerst – net als zijn broer Hinderikus en neef Ties Siebolt - het gymnasium in Kampen had bezocht. Hij stierf aan tuberculose; een sanatoriumkuur te Montreux (Zwitserland) kon niet meer baten.[377] De zus van zijn verloofde (Margrietha oftewel Makkie) overleed zeven jaar later aan dezelfde besmetting. De derde zus uit het gezin van Derk Hovinga trouwde in 1896 een boezemvriend van Jan Boer Knottnerus jr., namelijk dr. Frans Johannes Los, een kerkhistoricus die in 1892 te Leiden promoveerde op een proefschrift over de piëtist Wilhelmus à Brakel. In pamfletten nam hij hartgrondig stelling tegen de moderne theologie.[378] Het hele milieu was nog altijd streng gelovig.

Alleen de jongste broer Hinderikus Hovinga (1871-1946) ging zijn eigen weg. Hij promoveerde tot doctor in de rechten en werd advocaat en procureur, tevens steenfabrikant, bestuurslid van de Vrijzinnig Democratische Bond en tenslotte burgemeester van Uithuizen. Als eerbetoon aan hun overleden broer en zwager gaven Ties Sibolt Hovinga en Anje Bastiaans te Oostwold hun oudste zoon de naam Jan Wiebo; deze studeerde scheikunde in Leiden en promoveerde in 1918. Diens broer Addo Paul Hovinga (1892-1972) werd in 1942 burgemeester van Scheemda; na de Tweede Wereldoorlog werd hij veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens collaboratie. Ook neef Hinderikus kreeg – als waarnemend oorlogsburgemeester – een berisping wegens al te meegaand gedrag.

Waar Annechien en haar schoonzoon Klaas Ottes Knottnerus de basis legden voor de gereformeerde tak van de familie, lag dat voor haar broer Tjark Hinderikus Knotnerus, hun beide zussen Naantje en Talle (te Hamdijk en Zuidbroek) en hun tante Dievertje Tjarks in Noordbroek heel anders. Zij belandden door hun huwelijken in een ander kerkelijk milieu en vaak ook in een ander dorp. Dat geldt ook voor twee kleindochters van broer Pieter. Tjark was de stamvader van de kleine vrijzinnig-liberale tak van de familie Knottnerus.[379] Zelf was hij vermoedelijk nog min of meer orthodox, maar zijn kinderen braken omstreeks 1880 met het strenge milieu. Hier was duidelijk sprake van een generatiewisseling: jonge mensen die de stammenstrijd in orthodoxe kring moe waren, namen het heft over. Uit deze familiekring stammen liberale politici Boelo Luitjen Tijdens (1858-1904) en mr. Dirk Uipko Stikker (1897-1979). We vinden onder hun nageslacht – behalve Boelema, Renken en Stikker – verder bekende boerenfamilies met namen als Dijkema, Ebbens, Eppens, Joling, Heddema, Mensinga, Onnes, Post, Starke en Tijdens. Ook figureren hier enkele predikanten, maar nu van vrijzinnige huize (Nantko Cornelius Renken, Remmo Hazelhoff).

Hinderikus Knotnerus Hovinga (1816-1890), Geessien Luitjes Bouwman (1815-1858) en hun vier kinderen te Oostwold, 1851.
De strenggelovige Hovinga’s waren op vele manieren met de familie Knottnerus verwant.
Pasteltekeningen door Berend Kunst (S. Wessels te Oldenhove)
(Foto’s © Jan Wierts Wessels, Loppersum)
 

 (Terug naar boven)

 

16. Zeven boerengeslachten

De geschiedenis van de boerenfamilie Knot(t)nerus begint in 1729 met het echtpaar Jan Jans Sand en Diewertje Knottnerus in Finsterwolde. Meer dan twee eeuwen lang waren er in Oostwold drie takken van de familie Knot(t)nerus te vinden: een orthodox-hervormde, een gereformeerde en een liberaal-vrijzinnige tak, die ieder een of twee grote boederijen bewerkten. De eerste twee takken kregen bloeiende loten in Zuidbroek en Nieuw-Scheemda. De verwanten uit Finsterwolde en Nieuwolda waren al eerder uitgezwermd. (Klik op de naam achter het nummer om meer over een tak te lezen).

 

Achternaam

Stamouders

Hoofdplaats

Jaren

Religie

Vertrokken naar

Einde boerenbedrijf?

Nr.

1

Zand

Jan Jans Sand & Diewertien Knottnerus

Finsterwolde

1729-1829

chr.-geref.

Hamdijk, Holwierde, Zandeweer

tot 1875, geen nageslacht

BBB 140, 90

2a

Knotnerus

Tjark Jans & Annigje Jans Sand

Finsterwolde

1754-1865

orth.

sinds 1795 Oostwolderpolder

1852 deels naar schoonzoon K.O. Knottnerus

BBB 152, 164, 165, 166, 169

2b

Knotnerus (Bruins)

Tjark Hinderikus Knotnerus

Oostwold

1819-1948

vrijz.

Usquert

Knotnerus Bruins, Eenrum

BBB 169, 121

3

Knottnerus

Samuel Jans Knottnerus

Oostwold

1774-1919

orth.

Grand Rapids

tot ca. 1980 Steenbergen

BBB 122, 111, 112, 121

4

Knot(t)nerus

Jan Samuels Zand Knottnerus

Nieuwolda

1808-1910

orth.

Termunten, Wittewierum, Bedum, Siddeburen, Vlagtwedde, Westerbork

tot ca. 2005 Dronten

BNW 39, BTM 44

5

Knot(t)nerus

Cornelius Ottes Knottnerus

Nieuw-Scheemda

1853-1992

orth.

‘t Waar (tot 1969)

tot 1992 Nieuw-Scheemda

BNW 83, 84, 61, 64

6

Knottnerus

Klaas Ottes
Knottnerus

Oostwold

1852-1960

geref.

sinds 1917 Nieuwolda

Nieuwolda

BBB 167, BNW 1, 1A

7

Knot(t)nerus

Ties Siebolt
Knottnerus

Zuidbroek

1888-1971

geref.

Siddeburen, Grijpskerk

Dwingeloo, Montana

BNZ 109, 112, 127

 


Boerderij van Cornelius (Samuels) Knottnerus, Huningaweg 7 te Oostwold, met woonhuis uit 1890, 2001. Op de voorgevel het symbool van den de leeuw, dat ook de boerderij van zijn vader siert
(Ton van der Wal, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 


(
Hilda Morassi, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

In de hervormde tak te Oostwold nam Cornelius (Samuel) (Knelus, 1850-1938) de leidende positie van zijn vader (Samuel Ottes) en grootvader over. Het echtpaar liet in 1890 voor de achttiende-eeuwse boerenschuur een nieuw boerenwoonhuis in eclectische trant bouwen, zoals de meeste boerderijen voorzien van een stijlvolle tuin in Engelse landschapsstijl (nu rijksmonument Huningaweg 7 te Oostwold). Dochter Lamberta huwde ds. Jakob Kramer, zoon van een timmerman-aannemer afkomstig uit Midwolda en een studiegenoot van haar vaders neef Klaas Otto Knotnerus. Hij werd onder andere predikant te Nieuwolda en Elden en had een voorliefde voor het evangelisatiewerk.[380] Cornelius werd opgevolgd door zijn zoon Samuel Otto (Sam, 1882-1919), gehuwd met een dochter van achterneef Sieto Robert Mellema te Nieuw-Scheemda. Deze stierf op 36-jarige leeftijd aan de gevolgen van de Spaanse griep, waarna de weduwe met haar kinderen naar het achttiende-eeuwse herenhuis ‘Esbörg’ in Scheemda en later naar Groningen vertrok. Het familiebedrijf werd na bijna anderhalve eeuw verkocht; de dochters van Otto (Samuel) Knottnerus hadden hun boerderij al eerder van de hand gedaan. Dochter Greet huwde opnieuw een predikant: ds. Wijnand G. van der Lecq te Boyl, later Scheemda en Terwolde.[381] Haar beide broers waren vooral politiek en bestuurlijk actief: ir. Cees Knottnerus (Cornelius Samuel, 1912-1991) studeerde landbouwkunde in Wageningen; hij werd landbouwer op het bedrijf van zijn schoonouders te Steenbergen, later tevens voorzitter van het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité en het Landbouwschap. De jurist Sieto Robert Knottnerus (1913-1984) was als gemeenteambtenaar betrokken bij het verzet en raakte in gevangenschap. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij burgemeester van Scheemda, daarna van Stadskanaal, en gedurende twaalf jaar Eerste Kamerlid voor de CHU.[382]

 
Talle Tiessens Hovinga
(1817-1876)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)


Klaas Ottes Knottnerus
(1822-1902)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)
 

De gereformeerde tak te Oostwold werd aangevoerd door Klaas Ottes Knottnerus (1822-1902) en zijn echtgenote Talle Tiessens Hovinga (1817-1876) te Oostwolderpolder.[383] Dit in het voetspoor van haar moeder Annechien Hinderikus Knotnerus; die verkeerde vermoedelijk al geregeld in christelijk-gereformeerde kringen. Hij had twee zoons: de oudste Otto Knottnerus Kzn. (1853-1924) volgde enthousiast zijn vaders keuze voor de Doleantie. Hij was – zoals we zagen – bijzonder actief op kerkelijke en politieke vlak. Otto huwde in 1881 Roelfke Dallinga, afkomstig uit een wijd vertakte rechtzinnig boerenfamilie uit Oostwolderhamrik. Ook in haar voorgeslacht was de achternaam tweemaal op de vrouwelijke tak overgegaan en speelden de stammoeders – voorzover als dit blijkt uit de genealogie – een belangrijke rol bij de keuze voor de orthodoxie. Ook haar familiekring telde meerdere jonge predikanten.[384]

Otto’s oudste dochter Talje huwde de gereformeerde predikant Karel van Anken te Heinkenszand (later Pernis, Wildervank en Delft)[385], de tweede een fabrieksdirecteur en antirevolutionair politicus uit Musselkanaal (Jannes Brouwer Bzn.), de derde een landbouwer uit Wildervank. Het ouderlijke bedrijf met 42 hectare polderland vererfde op de kleinzoon Derk Jan Knottnerus (sr.), daarna in 1960 op schoonzoon Jan Pieter Dijksterhuis. De boerderij werd na een brand in 1913 vernieuwd. Derk Jan trouwde zijn achternichtje Abeltje Hamster, kleindochter van oudoom Dallinga. Hij had net als zijn vader een tijdlang zitting in de gemeenteraad. Sinds 1917 exploiteerde hij tevens de boerderij van zijn schoonouders in de Nieuwlandsepolder bij Nieuwolda, zo’n veertig hectare groot. De zoon Otto Knottnerus (1913-2012, sr.) nam dit boerenbedrijf over, maar verhuisde in 1946 naar een groter pachtbedrijf met 65 hectare land te Oostwolderhamrik (Nieuwolda), dat later werd aangekocht. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Derk Jan (jr.), die het gecombineerde bedrijf met zijn zwager deelde; diens echtgenote Annemarie van der Veen was wethouder voor het CDA. Kleinzoon Otto Knottnerus (geb. 1975, jr.) legde zich toe op de tulpenteelt. Het is het enige landbouwbedrijf in het Oldambt waar nog een lid van de familie Knottnerus werkzaam is.

De tweede zoon van Klaas Ottes was Ties Siebolt Knottnerus (1856-1928). Deze verhuisde in 1888 – na een tussenstop te Eexta – naar een boerderij te Uiterburen onder Zuidbroek, waar ook zijn schoonouders woonden. Door aankoop van twee andere boerderijen wist hij het bedrijf tot 92 hectare uit te breiden. Hij werd aanvankelijk opgevolgd door zijn jongte zoon Otto Knotnerus Tzn. (1886-1963), die in 1930 naar het bedrijf van zijn schoonouders in Siddeburen vertrok, daarna door zijn schoonzoon Fedde te Velde. Het grondbezit in Zuidbroek werd weer opgesplitst: de oudste zoon Henderikus Ties (1883-1953) vestigde zich op één van de aangekochte boerderijen, later opgevolgd door de kleinzoons Ties Siebolt (jr.) en Oege Knotnerus. Oege verhuisde in 1959 naar een boerderij onder Grijpskerk, waarna de weduwe van Ties Siebolt het resterende bedrijf met vijftig hectare in 1971 verkocht. Oege’s zoon Rieks werd op zijn beurt schapenhouder in Dwingeloo. Twee broers, Klaas Otto (Otto) en Hillenius Knottnerus (Leonard), emigreerden in 1948 naar Big Sandy, Montana.[386]

Ties Siebolt aarzelde vermoedelijk om – net als zijn vader en zijn broer – voor de Doleantie te kiezen. De gereformeerde gemeente in zijn nieuwe woonplaats bestond vooral uit afgescheidenen, die moeite hadden met de frisse wind die Abraham Kuyper door hun gelederen blies. Maar zijn zoon de predikant ds. Klaas Otto Knotnerus (1880-1942), die was gehuwd met een dochter van ds. Buiskool te Oostwold, brak na zijn studie in Groningen en Leiden alsnog met de Hervormde Kerk. Hij legde in 1906 het predikambt neer, stapte over naar de gereformeerde kerk en werd voorganger te Mildam en Westerlee, tot hij “wegens voortdurende ongesteldheid” tien jaar later met zijn werk moest stoppen. Hij werd opgenomen in een psychiatrische kliniek te Ermelo overleed in 1942 “na een lang lijden”.[387] Zijn familieleden in Zuidbroek maakten net als hij de overstap en traden alsnog tot de Gereformeerde Kerk toe. Vader Ties Siebolt en later ook broer Otto werden bovendien gemeenteraadslid voor de antirevolutionairen. Daarentegen bleef zijn zwager en voormalige studievriend dr. Willem Lodder (zoon van een evangelist uit Vriezenveen) trouw aan confessionele richting; hij werd in 1908 hervormd predikant en promoveerde in 1915 op een kerkhistorisch onderwerp. Zus Annechien huwde tien jaar later diens broer Jan, een fabrikant en christelijk-historisch politicus uit Nieuw-Weerdinge, die eveneens hervormd bleef. Binnen de Gereformeerde Kerk van Zuidbroek speelde de familie Knot(t)nerus een belangrijke rol. Toen de gemeente door de Vrijmaking in 1944 alsnog uiteenviel en het kerkgebouw werd overgenomen door de strenge gereformeerden, stelde zij een herenhuis in Zuidbroek beschikbaar, dat als kerkgebouw voor de overgebleven geloofsgenoten werd ingericht.


Cornelius Ottes Knottnerus
(1828-1898),
foto Van Creveld & Co, Amsterdam


Jantje Hindriks Ufkes
(1824-1887)
(Familiearchief Knottnerus,
Scheemda)
 

De jongste broer Cornelius Ottes Knottnerus (1828-1898) werd zoals gezegd hervormd kerkvoogd in Nieuw-Scheemda; zijn vrouw (Jantje Ufkes) stamde uit een streng-piëtistisch milieu. Haar broer Geert Edskes Dijksterhuis te Midwolda en haar vader Edsdse Galtjes Dijksterhuis te Winschoter Bovenburen waren leiders van de Afscheiding in het Oldambt.[388] Jantjes moeder Fennechien, die vroegtijdig weduwe was geworden, bleef echter hervormd. Nadat haar stiefvader was hertrouwd, nam Jantje het bedrijf over (met ruim dertig hectare land), waarna ze in 1853 in het huwelijk trad. Het oorspronkelijke boerenbedrijf kon door aankoop van drie naburige bedrijven en enkele losse percelen worden uitgebreid tot ruim negentig hectare; een deel daarvan werd in 1960 verkocht aan een belegger.[389] De beide dochters huwden een godsdienstonderwijzer (Gerrit de Vries Ypezn. te Amsterdam, later Wouterswoude en Driebergen) en een predikant (Engbertus Hendrik Jonkers te Buitenpost, later onder andere te Waspik en Goudswaard).[390] Cornelius verhuisde op zijn oude dag naar Eexta, waar in 1897 voor het eerst een orthodoxe predikant werd beroepen. Hij schonk een zilveren avondmaalschotel, maar wel onder het beding dat hij die zou terugkrijgen als men opnieuw van het rechte pad zou afwijken. Zijn jongste kleinzoon uit Nieuw-Scheemda was een van de eerste leerlingen van de nieuwe christelijke school in Eexta.[391]


Otto Knotnerus Czn. en Elizabeth Knottnerus met hun
kinderen, Nieuw-Scheemda, 1891.
Het gebouw dateert uit 1867.
(Familiearchief Knottnerus, Scheemda)

De zoon Otto Knotnerus Czn. (1854-1938) woonde aanvankelijk op de boerderij ‘Ol Kerke’ van zijn schoonfamilie in Midwolda, maar keerde na de dood van zijn eerste vrouw Andrea Toren terug naar zijn geboortedorp Nieuw-Scheemda. Hier stichtte hij met zijn buurman en achterneef Sieto Robert Mellema en andere medestanders de evangelisatievereniging ‘Eltheto’, die zich aansloot bij de Bond van Hervormde Evangelisaties in en ten behoeve van de Hervormde Kerk.[392] Ook andere evangelisaties in de regio, waaronder Heiligerlee-Westerlee, Beerta en Noordbroek, volgden dit voorbeeld. Pas in 1945 werd het evangelisatiekerkje opgedoekt, nadat een doorbraakpredikant van orthodoxe huize was benoemd.

Otto was een tijdje gemeenteraadslid; zijn vriend Mellema werd wethouder en Statenlid voor de CHU. Door hun toedoen ontstond een soort dependance van het orthodoxe buurdorp Oostwold, met personeel dat vaak eveneens uit Oostwold en Midwolda stamde. De oudste zoon Hermannus Robertus leed aan zware toevallen (aanvankelijk bezocht hij de rijkslandbouwschool te Goes) en verhuisde na zijn huwelijk naar Oosterbeek, waar meerdere families uit het orthodoxe boerenmilieu rentenierden. Dochter Jantina huwde landbouwer Menno ter Haseborg in Scheemda, later gemeenteraadslid voor de CHU; diens pleegbroer Jan Pelinck ter Haseborg was hervormd predikant. Ook hun zoon Henderikus J. ter Haseborg (Riekus) werd predikant, onder andere te Sauwerd en Wetsinge. De jongste halfzus Ina trouwde eveneens een predikant: ds. Paul August Tichelaar (Gus), een overtuigd pacifist die als voorganger in Nederlands Indië brak met het orthodoxe milieu.

Otto Knotnerus Czn. werd opgevolgd door zijn jongste zoon Otto Samuel Knottnerus en kleinzoon Abel Sibolt, die de resterende vijftig hectare in 1992 overdeed aan een veehouder uit de Bommelerwaard; Abel was gehuwd met Ann Monster, die een enkele jaren raadslid en wethouder in haar gemeente was. De broer Otto Cornelius werd timmerman-aannemer in een voorstad van Chicago. De andere zoon Cornelius Otto Knottnerus (Kees), die de Gemeentelijke Handelsschool in Rotterdam had bezocht, verhuisde naar de deftige boerderij ‘Waarhoek’ van zijn schoonvader Bouwe Markus Barlagen te ’t Waar. Barlagen was rond 1900 één van de leidende landbouwers in het Oldambt, reactionair-conservatief, diep gelovig en doortrokken van een hartstochtelijk zendingsbewustzijn (hij figureert onder andere in de gedichten van kleinzoon Cor Jellema). Dochter Thalia en haar zus Eetje werden naar het meisjesinternaat van de Evangelische Broedergemeente te Zeist gestuurd; de zus huwde predikant Otto Samuel Jellema, een volle neef van haar zwager. Kees Knottnerus was net als zijn vader en schoonvader actief in CHU en gemeenteraadslid te Nieuwolda. Dit echtpaar had geen kinderen; het hoofdbedrijf ging in 1962 over naar een neef, een tweede boerderij ‘Waarzicht’ werd in 1969 verkocht ten behoeve van een Ruilverkaveling en gesloopt.[393]


Voormalige boerderij van Jan (Samuels) Knotnerus, Hoofdweg 62 te Nieuwolda, 1921
(
RHC Groninger Archieven)

De nakomelingen van neef Jan Samuels Zand(t) Knottnerus (1777-1826) en zijn zoon Samuel Jans Zand in Nieuwolda hebben zich veel minder om kerkelijke en politieke zaken bekommerd dan hun familieleden in Oostwold, Zuidbroek of Nieuw-Scheemda.[394] De kleinzoons zwermden al snel uit: Jan (Samuel) Knotnerus bleef op de ouderlijke boerderij, Samuel Knottnerus jr. huwde in 1877 de weduwe van zijn broer Ailco te Lesterhuis bij Termunten; hun gezin vertrok in 1888 naar een ontginningsboerderij te Zuidveld bij Vlagtwedde.[395] Broer Wubbo Knottnerus vestigde zich in Wittewierum, waar hij een gemengd bedrijf met 28 hectare land had; zus Geessien huwde een graancommissionair uit haar geboorteplaats.[396] De volgende generatie had meer moeite de band met het boerenbedrijf vast te houden: het ouderlijke bedrijf in de dorpskern van Nieuwolda met 37 hectare land werd in 1910 van de hand gedaan.[397] Alleen Wubbo’s dochters huwden vooraanstaande landbouwers te Ten Post (Wiersema) en Oudeschip (Meeuwis). Jans zoon Samuel Knotnerus was eerst landbouwer in Ter Laan bij Bedum, daarna vanaf 1922 in Siddeburen, waar hij later als hervormd ouderling actief was[398]; zus Jantje huwde een horlogemaker, de andere zus Geessien vertrok met haar man Theo Frieling naar Beilen; deze moest zijn boerderij echter van de hand doen en werd handelsreiziger. De kinderen van Samuel jr. bleven evenmin in de buurt: alleen de zoon Samuel Knottnerus bleef in Vlagtwedde, Jan vestigde zich omstreeks 1912 op een boerderij aan de Mantingerdijk bij Westerbork, Harbert werd hoofdonderwijzer te Dinxperlo en Rotterdam (gekozen uit 400 sollicitanten), Anje huwde de landarbeider Harm Nieuwbeerta te Finsterwolderhamrik (wie ze een boerderij met veertien hectare land bewerkte[399]) en stiefzus Aelkolina een melkventer uit Westerlee. In de volgende generatie bleef alleen het de boerderij in Westerbork in de familie; zoon Sam nam het bedrijf over, kleinzoon Thie Knottnerus met verhuisde naar Dronten, waar hij zich toelegde op de kruidenteelt. Inmiddels is ook dit boerenbedrijf verkocht. De overige nakomelingen zochten hun broodwinning buiten de landbouw


Boerderij van Detmer Knotnerus, Goldhoorn 33, Oostwold, ca. 1940
(ebay)

 

De vrijzinnige-liberale tak uit Oostwold – nakomelingen van Tjark Hinderikus Knotnerus – kwam hierboven al ter sprake.[400] Tjark woonde aanvankelijk op een boerderij in de nieuw bedijkte Finsterwolderpolder (gem. Midwolda). Na een brand in 1869 werd het gebouw verplaatst naar de Oostwolderpolder. Tjark werd opgevolgd door zijn zoon Detmer Tjarks, die in 1863 trouwde met Stijntje Dallinga, een orthodoxe boerendochter uit Oostwolderhamrik. Vermoedelijk onder invloed van zijn zwagers Derk Uipkes Stikker en Johannes Hinderikus Jansonius Mensinga belandde Detmer alsnog in het vrijzinnige kamp. De wereld van zijn strenge ooms en tantes, die ook onderling met elkaar in strijd raakten, sprak hem duidelijk minder aan.

Kleinzoon Tjark Hinderikus jr. verhuisde na een volgende brand in september 1890, die de schuur van de boerderij verwoestte, naar pachtbedrijf in Oostwold dat hij later in eigendom verwierf. Hier had eerder familielid Otto Samuels gewoond. De gebouwen werden in 1894 vernieuwd en in 1934 voorzien van een karakteristieke dubbele schuur. Tjark was bestuurslid van de vrijzinnig-democratische kiesvereniging.[401] Achterkleinzoon Detmer Knotnerus (1890-1978) deed beide bedrijven over aan zijn schoonzoons, waarna ze in in 1980 en 2004 werden verkocht. De naam Knotnerus werd voortgezet door oomzegger Tjark Hinderikus Knotnerus Bruins (1928-2012), landbouwer te Usquert, sinds 1959 op ‘Oosterhuizen’ te Eenrum. De zoon Siemon Detmer heeft diens bedrijf voortgezet.[402]

(Terug naar boven)

 

17. Knotnerus of Knottnerus?

Tabel 3: Knot(t)nerus: vermeldingen in
registers burgerlijke stand en retroacta,
provincie Groningen, 1700-1899

 

Knotnerus

Knottnerus

Cnodnerus
Knothnerus

1700-49

3

4

2