|
|
Leden van de familie
Knot(t)nerus zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten: van vrijdenkers tot
gereformeerd, doopsgezind, luthers, oud-katholiek en baptist. Toch is de familiegeschiedenis
nauw verbonden met de hervormde, of zoals men vroeger zei: de gereformeerde
orthodoxie. De hervormde predikanten nemen, hoewel hun aantal altijd beperkt is
gebleven, een centrale plaats in de familiestamboom in.
Stamvader Johannes
Knöttnerus (Hans Knöttner) kwam uit het Duitstalige stadje Eger (Cheb) in
Bohemen, waar de herinneringen aan de religieuze protestbeweging van Johannes
Hus nog levendig waren. In Eger wordt de naam Knöttner of Knottner (soms ook
Knettner, Knöders, Knother, Cnot) al sinds het midden van de vijftiende eeuw
vermeld. In het aangrenzende Frankenland komt de naam Knöttner nog steeds voor.
Ook de Oostenrijkste tak van deze familie is afkomstig uit Eger. Johannes’
vader was vermoedelijk stadsrechter (Georg, ov. 1608), een tante was mogelijk
getrouwd met een lutherse predikant: in Leipzig overleed in 1631 een zekere
Magdalena Knöttner, echtgenote van stadspredikant Johann Möller. Een ander
familielid was misschien Johannes Khostnerus uit Praag, die in 1615 te
Heidelberg studeerde. Een overlevering verhaalt daarentegen dat de familie oude
rechten had op de bisschoppelijke vesting Oberhaus bij Passau. De naam betekent
volgens sommige bronnen ‘bewoner van een rotspunt’, zoals ook de duif op de
rots in het familiewapen laat zien.
Johannes studeerde in elk
geval van 1598 tot 1605 aan de lutherse academie van Altdorf bij Neuremberg,
waar hij in 1601 enkele filosofische stellingen verdedigde, die bij een
uitgever te Neuremberg werden gedrukt. Hij werd vervolgens rector van de stadsschool
te Neumarkt in de nabijgelegen Oberpfalz, toentertijd (sinds 1580) een
calvinistisch vorstendom. Dankzij zijn tweede huwelijk met een dochter van de
vroegere rentmeester der kloostergoederen ging hij bij de plaatselijke elite
horen. Zijn schoonvader Caspar Euvelstätter was eerst pastoor, later
evangelisch-luthers predikant te Neumarkt. Nadat regio in 1556 tot het
protestantisme overging, kon hij alsnog in het huwelijk treden. Aan zijn
schoonfamilie zal Johannes Knottnerus het ook mede te danken hebben gehad dat
hij zelf predikant werd, eerst te Pfaffenhofen, daarna te Hagenhausen en in het
voormalige klooster Gnadenberg. Acht jaar na het uitbreken van de Dertigjarige
Oorlog (1618-48) werd dit gebied echter weer katholiek. Paltsgraaf Frederik V
(de winterkoning) verloor de strijd tegen de keizerlijke troepen en moest naar
Holland vluchtten. Stamvader Johannes vond in februari 1626 onderdak in
Altdorf, zo’n tien jaar later trokken zijn kinderen wegens het oorlogsgeweld
naar het noorden.
Zoon Johann
Michael Knöttnerus (1617-1684) kwam in juni 1637 als vluchteling uit de
Pfalz in Groningen. Volgens een familieoverlevering, die in het begin van de
negentiende eeuw te boek werd gesteld, had hij slechts een ring en een degen
bij zich. Van het inschrijfgeld werd hij vrijgesteld. Na zijn afstuderen werd
hij gereformeerd predikant in Oost-Friesland, eerst in Pilsum, daarna in het
handelsplaatsje Greetsiel. Dankzij deze laatste benoeming was hij een van de
voornaamste predikanten van deze welvarende streek (de zogenaamde Krummhörn)
geworden. Sinds 1656 gaf hij bovendien Latijnse les aan het stadsgymnasium te
Emden. Zijn (derde) vrouw Juliana Bolenius stamde vermoedelijk uit een lutherse
familie: verschillende verwanten bekleedden functies aan het Oost-Friese hof.
Ander familieleden waren Omme en diens zoon Johan Bolenius, lutherse
predikanten te Riepe en Buttforde.[1] Waarschijnlijk genoot Johan de bescherming van de grafelijke familie. Het
kasteeltje in Greetsiel diende gravin-regentes Juliane van Hessen-Darmstadt (ov.
1651) in elk geval als buitenverblijf. Het latere motto van de familie
‘Consumor aliis serviendo’ (ik word verteerd door anderen te dienen) is
mogelijk ontleend aan dat van haar vader, landgraaf Georg van Hessen-Darmstadt.[2]
Ook andere familieleden kwamen
in Oost-Friesland terecht. Johanns oudste broer Georg huwde vermoedelijk een
Oost-Friese vrouw. Hij woonde omstreeks
Eén van Johanns broers
(Georg, Johann Caspar of Hans Adam) was vermoedelijk legerofficier. Volgens een
familieoverlevering was hij als kapitein in Deense dienst getreden. Volgens een
ander verhaal was hij echter katholiek: toen Münsterse en Deense troepen in
1663 (dan wel de tweede keer in 1676) Oost-Friesland bezet hielden, hoorde hij
dat de predikant van het dorp waar hij gelegerd was dezelfde achternaam droeg.
Hij ondervroeg de predikant over diens afkomst en constateerde daarna zonder
blikken of blozen: “Dann bist Du mein Bruder, Pfaff”. De volgende morgen trok
hij met zijn troepen verder. Tenslotte zouden nog twee zusters als hofdames in
Denemarken zijn beland, terwijl een andere broer arts in Amsterdam zou zijn geweest.
Deze laatste moet de oudere halfbroer Peter Wilhelm zijn, die in
Twee zoons van Johann
Michael volgden het spoor van hun vader. De jong gestorven Cornelius (ov. 1665)
was korte tijd predikant te Leer, nadat hij tevergeefs in het Groningerland had
gesolliciteerd. Diens broer Johann Heinrich (1647-1687) kreeg een aanstelling
te Groothusen, daarna in de volkrijke grensplaats Bunde in het Rheiderland,
dicht bij Nieuweschans. Hij trouwde Swaantje Hillenius uit ‘t Zandt, die uit
een bekende Groningse familie van orthodoxe predikanten stamde. Zijn
stiefmoeder hertrouwde vervolgens Swaantje’s oom, die predikant te Usquert was.
Swaantje’s grootvader was één van de voormannen van de contra-remonstranten
geweest. Diens medestanders werden wel ‘slijkgeuzen’ genoemd, nadat ze vanuit
Alkmaar over de modderige wegen naar Koedijk trokken om zijn preken aan te
horen. Johann Heinrich stierf tamelijk jong, nadat hij ziek was geworden toen
hij per schip op weg was naar Emden, waar de classisvergaderingen werden
gehouden. Dan was er nog een derde broer, Engelhart, die koopman werd te Leer.
Dat diens zoon Jan predikant werd, zoals de stamboom vermeldt, berust op een
misverstand. Deze tak stierf vermoedelijk in
De vierde generatie kende
opnieuw enkele predikanten. Cornelius (1684-1744) werd net als zijn grootvader
predikant te Pilsum. Ook diens nageslacht stierf vermoedelijk in
Toen Samuel achterstallige
betalingen probeerde te innen, kreeg hij het aan de stok met enkele boeren, die
in 1725 een klacht indienden bij de graaf omdat hij zo vaak afwezig was. Samuel
verontschuldigde zich: hij moest geregeld op bezoek bij zijn oudste dochters en
zijn oude moeder, die samen de familieboerderij in Finsterwolde bestierden. Ook
was hij verantwoordelijk voor het herstel van de dijken die daarbij hoorden. We
weten bovendien dat hij een boerderij in Holwierde bezat, die hij vermoedelijk
van zijn moeder had geërfd. Tenslotte meende hij ook tijd nodig te hebben om te
studeren en te schrijven: in 1718 verscheen te Emden zijn strijdschrift
‘Herder-geklang van konink Jesus ende de wachters sijner kudde tegens de
vrijgeestige wolven, welke onze Europoeyse kerk-staat dreijgen te overvallen’.
Pas toen Samuel in de ban raakte van het radicale piëtisme, dat snel om zich
heen greep in de grensstreek, kreeg zijn leven een nieuwe wending. In 1745
schreef hij in het kerkenboek:
Naa dezen Godt de tijden van mijn onwetenheit overgezien hebbende, heeft my
en mijn huys de Bekeeringe opgelegt in den jare 1732. Vervolgens sag ik, en
most het predigen, hoe onweedergeboorene haar zelve een Oordeel aaten en
dronken: Waar op mijn Communicanten meerendeels afbleven, en geen nieuwen
toekwamen...
Behalve het predikantenechtpaar en de
schoolmeester durfden slechts twee anderen aan het avondmaal deel te nemen.
Later kwamen daar nog een weduwe en twee dochters van de predikant bij.
Samuels derde dochter Diewertien woonde
intussen nog altijd bij haar grootmoeder in Finsterwolde. Nadat die in 1729 was
overleden, raakte ze zwanger van een zekere Jan Jans Zand uit Bellingwolde,
waarna het jonge stel moest trouwen. Deze Jan werkte wellicht op de boerderij
als eerste knecht. Hij kwam in elk geval niet uit een bekende boerenfamilie.
Met uitzondering van de jongste zoon Jan namen alle kinderen de deftige
achternaam van hun moeder aan. Daaruit stamt de Oldambtster boerentak van de
familie. De jongste zoon had weer een zoon Jan Jans Zand, wiens nageslacht met
de naam Zand landbouwers te Bellingwolde, Holwierde en Zandeweer waren.
|
|
|
Jan Boer Knottnerus jr. |
In de Oldambtster tak treffen we verschillende
orthodoxe predikanten, terwijl de boerendochters vaak met predikanten of
godsdienstonderwijzers trouwden, met namen als Cazemier, Jellema, Kramer, Van
der Lecq, De Vries, Jonkers, Tichelaar, Van Anken, Lodder, Van Noppen en
Riphaagen. Diewertiens zoon Samuel Jans Knottnerus verhuisde na zijn huwelijk
in 1774 naar het piëtistisch-gezinde dorpje Oostwold, waar zijn nakomelingen de
nodige invloed op de plaatselijke politiek kregen. Zijn kleinzoon Jan Boer
Knottnerus was rechtzinnig predikant te Vriezenveen (1826-1864). Diens broer
Klaas Ottes werd de stamvader van de gereformeerde tak, de zoon Otto Klaas nam
deel aan de Doleantie en was Statenlid voor de anti-revolutionairen, diens
oomzegger Klaas Ottes (1880-1942) werd gereformeerd predikant, onder andere te
Ermelo. Jan Boers gelijknamige zoon Jan Boer jr (1864-1904) werd net als zijn
vader predikant bij de hervormde gemeente van Vriezenveen, die later tot de
Gereformeerde Bond toetrad.
Verschillende takken van de Oldambtster
familie hadden bovendien onderling contact. Otto Knotnerus Czn. te
Nieuw-Scheemda logeerde bijvoorbeeld bij neef Jan Boer Knottnerus jr te
Vriezenveen, terwijl diens zwager Leendert van Noppen, rechtzinnig predikant te
Scheveningen, weer in Nieuw-Scheemda logeerde. “Kind, kind, jij zult later toch
wel goed christelijk-historisch worden?”, zei hij in 1924 bij het wiegje van de
kleine Auke Titi te Nieuw-Scheemda.
Hierboven kwam vooral de Oldambtster tak
aan bod. Ook Oost-Friese de predikantentak zette zich in de achttiende en
negentiende eeuw voort. Samuel Knottnerus te Böhmerwold had zijn gemeente
misschien verwaarloosd, zijn kinderen kon hij niettemin een goede opleiding
geven. De oudste zoon Hinricus (1704-1762) werd predikant te Hamswehrum,
Johannes (1714-1783) kwam terecht in Jarssum (later Campen en Uttum), terwijl
Cornelius (1718-1779) pas op oudere leeftijd een beroep naar Landschaftspolder
aannam. Vermoedelijk was hij echter al langer werkzaam in deze polder, waar
zich tientallen rijke boeren uit Bunde hadden gevestigd. Later vertrok hij naar
Harkstede in het Groningerland. Zuster Gesyna huwde een minder voorname
vakgenoot: Willem van Laer in het dorpje Gandersum.
In de zesde, zevende en achtste
generatie vinden we opnieuw de nodige predikanten. In de regel studeerden ze
aan de als rechtzinnig bekend staande universiteit van Groningen, waarna ze er
nog een jaartje aan de hogeschool van Lingen aan vast knoopten. Hinricus had
een dochter Anna Kamminga Knottnerus, die de predikant Tjarko Meyer te Manslagt
huwde. Hun zoon Hinricus Knottnerus Meyer (1764-1796) was eerst predikant op
het verarmde eiland Nesserland bij Emden, maar moest tenslotte de kost
verdienen als ziekenbezoeker te Amsterdam. Hij stierf al binnen een jaar, zijn
gezin in armoede achterlatend. Van hem stamt de Duitse familie Knottnerus-Meyer
af, die uiteindelijk luthers is geworden. Zijn zuster Ida had een zoon die
eveneens voor het beroep van predikant koos: Samuel Knottnerus Cramer
(1790-1874) was werkzaam in de Nederlands-Hervormde gemeente te Hanau (bij
Frankfurt), die al sinds de zestiende eeuw nauwe betrekkingen met Nederland
had.
Johannes sr te Uttum werd nog volledig
bij het Nederlandstalige predikantencorps gerekend. Ter gelegenheid van zijn
overlijden in 1783 besteedde ook het Nederlandse tijdschrift Boekzaal der
Geleerde Weereld een artikel aan hem. Hij had weer drie zoons die predikant
werden: Samuel Johannes (1753-1822) te Campen (daarna te Upleward,
Landschaftspolder en Nüttermoor), Edzard (1755-1844), die zijn vader in Hinte
opvolgde, en Johannes jr (1763-1835) te Veenhusen, later Cirkwehrum, Bargebur
en tenslotte eveneens te Hinte. In Bargebur bij het slot Lütetsburg stond de
schuilkerk waar de deftige hervormden uit de stad Norden kerkten. Dochter Anna
huwde eveneens een predikant: Lambertus Hoisingh Penon te Wirdum. Bij hun
nakomelingen ging de naam Knottnerus als voornaam fungeren: een van de kinderen
noemde zich Knottnerus Penon, een kleindochter was Anna Knottnerus Holtkamp
(1815-1885); haar kleinzoon (geb. 1885) werd op zijn beurt Annäus Knottnerus
Wübbena genoemd.
Van de drie bovengenoemde zoons had
alleen Johannes jr weer kinderen. Uit diens eerste huwelijk met Clasina Brons
(een tante van de doopsgezinde koopman en parlementariër Ysaac Brons uit Emden)
werd Wesselius Brons Knottnerus (1794-1868) geboren, hervormd predikant op het
eiland Borkum. Ook diens zuster Habbina huwde een predikant: Claas Willems
Wychgram te Buitenpost. Uit het tweede huwelijk met Alberdina Storch (mogelijk
van doopsgezinde afkomst) kwam Adolph Meinhard Knottnerus (1804-1869), de
stamvader van de Friese tak, die in 1830 predikant in Midlum werd.
Het grootste deel van de familie raakte
echter, naarmate Oost-Friesland meer bij het koninkrijk Hannover betrokken
raakte, steeds sterker op Duitsland georiënteerd. De naam Knottnerus werd ook
verschillend uitgesproken: in Nederland al sinds in de achttiende eeuw als
Knottnérus, in Duitsland met de nadruk op de eerste lettergreep. Wesselius
Brons Knottnerus was vermoedelijk met een lutherse vrouw gehuwd en bracht zijn
oudedag in de provinciehoofdstad Aurich door, zijn dochters huwden lutherse
beambten en woonden in Aurich, Berlijn en in de Harz. Ook zijn broer Johannes
Michael te Detern (bij Leer), die jurist werd, bewoog zich voornamelijk in een
Duitstalig luthers milieu. Twee broers (Johann Gerhard en Edzard Samuel) en
twee zoons (Adolf en Ernst) emigreerden naar de Verenigde Staten. Hun
nakomelingen kwamen tot voor kort nog niet in het familiestamboek voor.
Mogelijk behoort ook Werner (1935) te Hamburg tot deze tak. Hij stamt af van
Remetius Thode Knottnerus die in 1836 te Rysum leefde.
|
Herinneringen van Jan |
Eigenlijk was het alleen de jongere
halfbroer Adolph Meinhard die de traditie van de hervormde orthodoxie hoog
hield door naar Friesland te verhuizen. Vier zoons studeerden theologie, één
werd koopman, de zesde landbouwer: Johannes (1830-1851) stierf als student,
Nicolaas (1847-1868) als kandidaat, Hillrich (1838-1897) was eerst predikant te
Loppersum, maar werkte jarenlang op Java, en Ivo Gaukes sr (1840-1917) diende
onder andere de gemeenten van Soesterberg, Exmorra, IJlst en Den Haag. In de
volgende (negende) generatie bedienden de boerenzoon Bauke Rommert (1871-1961)
en diens neven Ivo Gaukes jr (1876-1935) en Jan George
(1884-1948) eveneens het ambt van predikant. Hun zoons Adolph Meinhard
(1903-1963), Albert Herman (Ab, 1913-1998), Simon Leonard (Lee, 1914-1987),
Johannes Ivo Jacobus (1914-1987) en Bartholomeus Johannes (Bart, 1919) kozen
opnieuw voor een kerkelijke loopbaan binnen de Nederlands Hervormde kerk. Een
kleinzoon is Jacobus Johannes (Hans) Knottnerus (1949), oud-katholiek
legerpredikant (via zijn moeder behoorde hij tot dit kerkgenootschap).
Bovendien vinden we onder de schoonfamilie predikantennamen als Van Stempvoort
en Meeuwenberg.
Maar daarmee breekt de traditie af: in
Nederland is de theologiestudie bij de familie Knot(t)nerus niet meer zo
populair als vroeger. Een nieuwe generatie van dikwijls evangelisch
geïnspireerde familieleden in de Verenigde Staten heeft de fakkel inmiddels overgenomen:
Jean Catherine (1928) werd zendingswerker bij de United Church of Canada,
Samuel Olaf (Sam, 1972) is jeugdpredikant. Zij stammen beide uit de Oldambtster
tak.
De aantallen predikanten waren dus nooit
erg groot: twee of drie per generatie. En pas in de negentiende en twintigste
eeuw werden dat er een paar meer. Maar die predikanten onderhielden wel het
contact tussen de verschillende takken van de familie. Door hun studie en hun
werk waren ze gewend te reizen. Bovendien hielden ze vaak een uitgebreide
briefwisseling bij. De landbouwer Otto Klaas uit Midwolda vroeg bijvoorbeeld
zijn verre neef Ivo Gaukes sr om diens advies met betrekking tot de Doleantie.
En Ivo Gaukes bezocht op zijn beurt de Duitse familieleden, die nog in de
omgeving van Emden woonden.
Dit contact tussen de Friese en de
Oost-Friese tak blijkt ook uit de namen van de kinderen. Namen als Ivo Gaukes,
Edzard, Adolph, Habbina komen in beide families voor. Vooral eerste voornaam
valt op: hij is misschien ontleend aan de arts Yvo Gaukes, die omstreeks 1700
te Emden practiseerde.
In Oost-Friesland begon vermoedelijk de
belangstelling voor de vroegste familiegeschiedenis. Hier werd waarschijnlijk
ook het familieboek aangelegd, waarin enkele oudere overleveringen werden
geboekstaafd. De afschriften daarvan raakten in de tweede helft van de
negentiende eeuw in Nederland bekend. Johannes jr gaf zijn tweede zoon in 1799
de doopnaam van zijn bedovergrootvader: Johannes Michael. Een kleinzoon werd in
1843 zelfs Johannes Michaelis Palatinus (= uit de Pfalz) genoemd, zoals dat op
de grafsteen uit 1685 te Greetsiel stond. Op de grafstenen van de broers Samuel
Johannes en Johannes jr uit 1822 en 1835 werd bovendien het oorspronkelijke
wapenschild (een omgewende duif met een olijftakje op een rots) tot
familiewapen verheven. De Friese tak nam dit wapen al snel over. Het
onderschrift ‘Consumor aliis serviendo’ raakte tegelijkertijd in Nederland
bekend. Aan het eind van de negentiende eeuw duikt dit wapen met het
onderschrift ook op bij de familieleden in Oostwold. De Oldambtsters hadden
trouwens een eigen boek met familie-aantekeningen dat in de negentiende eeuw
bij een brand verloren is gegaan.
In de stamboom, die D.G. van Epen in
1897 op verzoek van Ivo Gaukes sr opstelde, kwam de Oldambtster tak nog niet
voor. Wel schijnt hij daarover al enkele gegevens te hebben verzameld: zo
ontvingen de erfgenamen van Samuel Ottes (1805-1895) te Oostwold een
vragenlijst van een niet nader vermelde afzender, die door kleindochter Anna
Cornelia uitvoerig werd beantwoord. Pas in de uitgave van het Nederlands
Patriciaat uit 1951 en de verschillende versies van de genealogie van Jacoba
Otteline (Co) Blomhert-Knottnerus in de jaren 1949 tot 1979 was dat anders. Het
voorwerk was onder andere gedaan door ir P.J. Fehmers en mr A.H. Stikker. Ir
Fehmers correspondeerde weer met de pastoor van Gnadenberg en de
stadsarchivaris van Eger. Ook de Oost-Friese genealoog Wilhelm Itzen schreef
brieven naar Eger, dat inmiddels was ingelijfd bij het Duitse Rijk. Na de
Tweede Wereldoorlog verzamelde Reinout Bina (Riep) Knottnerus als eerste
familielid eigenhandig gegevens in Oost-Friesland, Zuid-Duitsland en Tsjechië.
Tenslotte zorgden het echtpaar J.V. Smidt en E. Smidt-Oberdieck (1969) alsmede ds
Simon Leonard (Lee) Knottnerus (1978-85) er voor dat ook de ontbrekende delen
van de Oost-Friese tak systematisch in kaart werden gebracht.
We weten slechts weinig van het
allereerste stamboomonderzoek, toch kunnen we er van uit gaan dat de
predikanten daarbij voorop liepen. Zij hielpen ook mee bij het organiseren van
de eerste familiereünies in de jaren zestig. Mede doordat de meeste
familieleden uit hetzelfde rechtzinnige en veelal christelijk-historische
milieu kwamen, werden deze bijeenkomsten al snel een succes. Maar die
geschiedenis moet uiteraard nog geschreven worden.
Otto Samuel Knottnerus, Zuidbroek, 2000
Bijgewerkt augustus 2005, gepubliceerd oktober 2006
Dit artikel verscheen eerder in: ’t Knottenkistje – Contactorgaan van de
familie Knot(t)nerus nr. 8 (2000) en 9 (2001).
Gegevens over de oudste generaties zijn te vinden in de kwartierstaat van Anna Johanna Barlagen (pdf-file) en op de website van Heinrich Jacobsen te
Kronshagen.
J.O. Blomhert-Knottnerus, ‘Knottnerus [Eger]’, in: Nederlands
Patriciaat 37 (1951).
J.O. Blomhert-Knottnerus, ‘Knottnerus
[Bellingwolde]’, in: Nederlands Patriciaat (1964?).
J.O. Blomhert-Knottnerus, Genealogie van het
gslacht Knottnerus, z.pl. 1970.
D.G. van Epen, ‘De predikanten-familie Knottnerus
van 1615-1897 (genealogie met biographische aanteekeningen)’, in: De
Nederlandsche Leeuw (1898).
B.J. Knottnerus, Varsseveld rond de jaren
1940-1945. Herinneringen van een domineeszoon, Varsseveld 2005.
N.M.
Knottnerus, Consumor alliis serviendo. Nakomelingen van Johann
Knöttner. Genealogie van het geslacht Knot(t)nerus, Zeist
2003.
S.L.
Knottnerus, ‘Twee onderlinge betrekkingen tussen de families Knottnerus en
Hillenius’, in: Gruoninga 22 (1977).
S.L.
Knottnerus, , ‘De familie Knottnerus tot in de 19e eeuw’, in: Gruoninga
23 (1978), 24 (1979), 27 (1982), 28 (1983).
J.V. Smidt en E. Smidt-Oberdieck, in: Quellen
und Forschungen zur ostfriesischen Familien- und Wappenkunde (1969)
[1]
Volgens Reershemius had Johannes Bolenius in 1637 moeten vluchten uit
Friesenhagen (Westerwald). Hier is echter sprake van een verwisseling met een
naamgenoot, die in 1638 predikant werd te Gummersbach
(Rheinland-Pfalz).
[2] Reimar Hartge, ‘Aliis in Serviendo Consumor:
Habsburg zur Ehre, Gibraltar zum Ruhm. Landgraf Georg von Hessen-Darmstadt, ein
wagemutiger Stratege in schwieriger Zeit’, in: Archiv für Hessische
Geschichte und Altertumskunde NF 61 (2003). Zie verder F. Graf, ‘Aliis in serviendo consumor. Zur Entwicklung
einer lateinischer Sentenz’. In: