Knot(t)nerus –

een familie van predikanten, boeren, burgers en buitenlui

 

*  Oorsprong

*  Ballingschap

*  Derde en vierde generatie

*  Oldambt

*  Oost-Friesland

*  Friesland

*  Familieband

*  Literatuur

*  Noten

 

 

 

Leden van de familie Knot(t)nerus zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten: van vrijdenkers tot gereformeerd, doopsgezind, luthers, oud-katholiek en baptist. Toch is de familiegeschiedenis nauw verbonden met de hervormde, of zoals men vroeger zei: de gereformeerde orthodoxie. De hervormde predikanten nemen, hoewel hun aantal altijd beperkt is gebleven, een centrale plaats in de familiestamboom in.

 

Oorsprong

Stamvader Johannes Knöttnerus (Hans Knöttner) kwam uit het Duitstalige stadje Eger (Cheb) in Bohemen, waar de herinneringen aan de religieuze protestbeweging van Johannes Hus nog levendig waren. In Eger wordt de naam Knöttner of Knottner (soms ook Knettner, Knöders, Knother, Cnot) al sinds het midden van de vijftiende eeuw vermeld. In het aangrenzende Frankenland komt de naam Knöttner nog steeds voor. Ook de Oostenrijkste tak van deze familie is afkomstig uit Eger. Johannes’ vader was vermoedelijk stadsrechter (Georg, ov. 1608), een tante was mogelijk getrouwd met een lutherse predikant: in Leipzig overleed in 1631 een zekere Magdalena Knöttner, echtgenote van stadspredikant Johann Möller. Een ander familielid was misschien Johannes Khostnerus uit Praag, die in 1615 te Heidelberg studeerde. Een overlevering verhaalt daarentegen dat de familie oude rechten had op de bisschoppelijke vesting Oberhaus bij Passau. De naam betekent volgens sommige bronnen ‘bewoner van een rotspunt’, zoals ook de duif op de rots in het familiewapen laat zien.

 

 

Johannes studeerde in elk geval van 1598 tot 1605 aan de lutherse academie van Altdorf bij Neuremberg, waar hij in 1601 enkele filosofische stellingen verdedigde, die bij een uitgever te Neuremberg werden gedrukt. Hij werd vervolgens rector van de stadsschool te Neumarkt in de nabijgelegen Oberpfalz, toentertijd (sinds 1580) een calvinistisch vorstendom. Dankzij zijn tweede huwelijk met een dochter van de vroegere rentmeester der kloostergoederen ging hij bij de plaatselijke elite horen. Zijn schoonvader Caspar Euvelstätter was eerst pastoor, later evangelisch-luthers predikant te Neumarkt. Nadat regio in 1556 tot het protestantisme overging, kon hij alsnog in het huwelijk treden. Aan zijn schoonfamilie zal Johannes Knottnerus het ook mede te danken hebben gehad dat hij zelf predikant werd, eerst te Pfaffenhofen, daarna te Hagenhausen en in het voormalige klooster Gnadenberg. Acht jaar na het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-48) werd dit gebied echter weer katholiek. Paltsgraaf Frederik V (de winterkoning) verloor de strijd tegen de keizerlijke troepen en moest naar Holland vluchtten. Stamvader Johannes vond in februari 1626 onderdak in Altdorf, zo’n tien jaar later trokken zijn kinderen wegens het oorlogsgeweld naar het noorden.

 

Ballingschap

Zoon Johann Michael Knöttnerus (1617-1684) kwam in juni 1637 als vluchteling uit de Pfalz in Groningen. Volgens een familieoverlevering, die in het begin van de negentiende eeuw te boek werd gesteld, had hij slechts een ring en een degen bij zich. Van het inschrijfgeld werd hij vrijgesteld. Na zijn afstuderen werd hij gereformeerd predikant in Oost-Friesland, eerst in Pilsum, daarna in het handelsplaatsje Greetsiel. Dankzij deze laatste benoeming was hij een van de voornaamste predikanten van deze welvarende streek (de zogenaamde Krummhörn) geworden. Sinds 1656 gaf hij bovendien Latijnse les aan het stadsgymnasium te Emden. Zijn (derde) vrouw Juliana Bolenius stamde vermoedelijk uit een lutherse familie: verschillende verwanten bekleedden functies aan het Oost-Friese hof. Ander familieleden waren Omme en diens zoon Johan Bolenius, lutherse predikanten te Riepe en Buttforde.[1] Waarschijnlijk genoot Johan de bescherming van de grafelijke familie. Het kasteeltje in Greetsiel diende gravin-regentes Juliane van Hessen-Darmstadt (ov. 1651) in elk geval als buitenverblijf. Het latere motto van de familie ‘Consumor aliis serviendo’ (ik word verteerd door anderen te dienen) is mogelijk ontleend aan dat van haar vader, landgraaf Georg van Hessen-Darmstadt.[2]

 

Ook andere familieleden kwamen in Oost-Friesland terecht. Johanns oudste broer Georg huwde vermoedelijk een Oost-Friese vrouw. Hij woonde omstreeks 1655 in het katholieke stadje Coesfeld (Westfalen), de residentie van bisschop Bernhard von Galen (‘Bommen Berend’). Maar zijn kinderen belandden later alsnog in het Oost-Friese Leer. De zoon Rutger studeerde in Leiden en werd koopman. Diens zoon Georg (geb. 1666) studeerde vermoedelijk in 1687 theologie in Groningen, maar is blijkbaar jong gestorven. In de stamboom heeft hij waarschijnlijk een verkeerde plaats gekregen.

 

Eén van Johanns broers (Georg, Johann Caspar of Hans Adam) was vermoedelijk legerofficier. Volgens een familieoverlevering was hij als kapitein in Deense dienst getreden. Volgens een ander verhaal was hij echter katholiek: toen Münsterse en Deense troepen in 1663 (dan wel de tweede keer in 1676) Oost-Friesland bezet hielden, hoorde hij dat de predikant van het dorp waar hij gelegerd was dezelfde achternaam droeg. Hij ondervroeg de predikant over diens afkomst en constateerde daarna zonder blikken of blozen: “Dann bist Du mein Bruder, Pfaff”. De volgende morgen trok hij met zijn troepen verder. Tenslotte zouden nog twee zusters als hofdames in Denemarken zijn beland, terwijl een andere broer arts in Amsterdam zou zijn geweest. Deze laatste moet de oudere halfbroer Peter Wilhelm zijn, die in 1635 in Leiden studeerde. Naspeuringen in Denemarken hebben verder niets opgeleverd. Aan gemeenschappelijke namen als Johannes, Cornelius, Barbara en Hester zien we dat verschillende takken van de familie nog lange tijd met elkaar in contact stonden.

 

Derde en vierde generatie

Twee zoons van Johann Michael volgden het spoor van hun vader. De jong gestorven Cornelius (ov. 1665) was korte tijd predikant te Leer, nadat hij tevergeefs in het Groningerland had gesolliciteerd. Diens broer Johann Heinrich (1647-1687) kreeg een aanstelling te Groothusen, daarna in de volkrijke grensplaats Bunde in het Rheiderland, dicht bij Nieuweschans. Hij trouwde Swaantje Hillenius uit ‘t Zandt, die uit een bekende Groningse familie van orthodoxe predikanten stamde. Zijn stiefmoeder hertrouwde vervolgens Swaantje’s oom, die predikant te Usquert was. Swaantje’s grootvader was één van de voormannen van de contra-remonstranten geweest. Diens medestanders werden wel ‘slijkgeuzen’ genoemd, nadat ze vanuit Alkmaar over de modderige wegen naar Koedijk trokken om zijn preken aan te horen. Johann Heinrich stierf tamelijk jong, nadat hij ziek was geworden toen hij per schip op weg was naar Emden, waar de classisvergaderingen werden gehouden. Dan was er nog een derde broer, Engelhart, die koopman werd te Leer. Dat diens zoon Jan predikant werd, zoals de stamboom vermeldt, berust op een misverstand. Deze tak stierf vermoedelijk in 1824 in mannelijke lijn uit.

 

De vierde generatie kende opnieuw enkele predikanten. Cornelius (1684-1744) werd net als zijn grootvader predikant te Pilsum. Ook diens nageslacht stierf vermoedelijk in 1784 in mannelijke lijn uit: een nakomeling was Klaas Cornelius Knotnerus Klaaßen, predikant te Bunde 1846-54. Zijn broer Samuel kreeg in 1695 een aanstelling in het piepkleine boerendorpje Böhmerwold en trouwde met Annichien Hendriks Kamminga, een voorname boerendochter uit Nieuw-Beerta. Zijn moeder huwde op haar beurt in 1704 Annichiens vader.

 

Toen Samuel achterstallige betalingen probeerde te innen, kreeg hij het aan de stok met enkele boeren, die in 1725 een klacht indienden bij de graaf omdat hij zo vaak afwezig was. Samuel verontschuldigde zich: hij moest geregeld op bezoek bij zijn oudste dochters en zijn oude moeder, die samen de familieboerderij in Finsterwolde bestierden. Ook was hij verantwoordelijk voor het herstel van de dijken die daarbij hoorden. We weten bovendien dat hij een boerderij in Holwierde bezat, die hij vermoedelijk van zijn moeder had geërfd. Tenslotte meende hij ook tijd nodig te hebben om te studeren en te schrijven: in 1718 verscheen te Emden zijn strijdschrift ‘Herder-geklang van konink Jesus ende de wachters sijner kudde tegens de vrijgeestige wolven, welke onze Europoeyse kerk-staat dreijgen te overvallen’. Pas toen Samuel in de ban raakte van het radicale piëtisme, dat snel om zich heen greep in de grensstreek, kreeg zijn leven een nieuwe wending. In 1745 schreef hij in het kerkenboek:

 

          Naa dezen Godt de tijden van mijn onwetenheit overgezien hebbende, heeft my en mijn huys de Bekeeringe opgelegt in den jare 1732. Vervolgens sag ik, en most het predigen, hoe onweedergeboorene haar zelve een Oordeel aaten en dronken: Waar op mijn Communicanten meerendeels afbleven, en geen nieuwen toekwamen...

 

Behalve het predikantenechtpaar en de schoolmeester durfden slechts twee anderen aan het avondmaal deel te nemen. Later kwamen daar nog een weduwe en twee dochters van de predikant bij.

 

Oldambt

Samuels derde dochter Diewertien woonde intussen nog altijd bij haar grootmoeder in Finsterwolde. Nadat die in 1729 was overleden, raakte ze zwanger van een zekere Jan Jans Zand uit Bellingwolde, waarna het jonge stel moest trouwen. Deze Jan werkte wellicht op de boerderij als eerste knecht. Hij kwam in elk geval niet uit een bekende boerenfamilie. Met uitzondering van de jongste zoon Jan namen alle kinderen de deftige achternaam van hun moeder aan. Daaruit stamt de Oldambtster boerentak van de familie. De jongste zoon had weer een zoon Jan Jans Zand, wiens nageslacht met de naam Zand landbouwers te Bellingwolde, Holwierde en Zandeweer waren.

 

Jan Boer Knottnerus jr.
(1880-1942)

In de Oldambtster tak treffen we verschillende orthodoxe predikanten, terwijl de boerendochters vaak met predikanten of godsdienstonderwijzers trouwden, met namen als Cazemier, Jellema, Kramer, Van der Lecq, De Vries, Jonkers, Tichelaar, Van Anken, Lodder, Van Noppen en Riphaagen. Diewertiens zoon Samuel Jans Knottnerus verhuisde na zijn huwelijk in 1774 naar het piëtistisch-gezinde dorpje Oostwold, waar zijn nakomelingen de nodige invloed op de plaatselijke politiek kregen. Zijn kleinzoon Jan Boer Knottnerus was rechtzinnig predikant te Vriezenveen (1826-1864). Diens broer Klaas Ottes werd de stamvader van de gereformeerde tak, de zoon Otto Klaas nam deel aan de Doleantie en was Statenlid voor de anti-revolutionairen, diens oomzegger Klaas Ottes (1880-1942) werd gereformeerd predikant, onder andere te Ermelo. Jan Boers gelijknamige zoon Jan Boer jr (1864-1904) werd net als zijn vader predikant bij de hervormde gemeente van Vriezenveen, die later tot de Gereformeerde Bond toetrad.

 

Verschillende takken van de Oldambtster familie hadden bovendien onderling contact. Otto Knotnerus Czn. te Nieuw-Scheemda logeerde bijvoorbeeld bij neef Jan Boer Knottnerus jr te Vriezenveen, terwijl diens zwager Leendert van Noppen, rechtzinnig predikant te Scheveningen, weer in Nieuw-Scheemda logeerde. “Kind, kind, jij zult later toch wel goed christelijk-historisch worden?”, zei hij in 1924 bij het wiegje van de kleine Auke Titi te Nieuw-Scheemda.

 

Oost-Friesland

Hierboven kwam vooral de Oldambtster tak aan bod. Ook Oost-Friese de predikantentak zette zich in de achttiende en negentiende eeuw voort. Samuel Knottnerus te Böhmerwold had zijn gemeente misschien verwaarloosd, zijn kinderen kon hij niettemin een goede opleiding geven. De oudste zoon Hinricus (1704-1762) werd predikant te Hamswehrum, Johannes (1714-1783) kwam terecht in Jarssum (later Campen en Uttum), terwijl Cornelius (1718-1779) pas op oudere leeftijd een beroep naar Landschaftspolder aannam. Vermoedelijk was hij echter al langer werkzaam in deze polder, waar zich tientallen rijke boeren uit Bunde hadden gevestigd. Later vertrok hij naar Harkstede in het Groningerland. Zuster Gesyna huwde een minder voorname vakgenoot: Willem van Laer in het dorpje Gandersum.

 

In de zesde, zevende en achtste generatie vinden we opnieuw de nodige predikanten. In de regel studeerden ze aan de als rechtzinnig bekend staande universiteit van Groningen, waarna ze er nog een jaartje aan de hogeschool van Lingen aan vast knoopten. Hinricus had een dochter Anna Kamminga Knottnerus, die de predikant Tjarko Meyer te Manslagt huwde. Hun zoon Hinricus Knottnerus Meyer (1764-1796) was eerst predikant op het verarmde eiland Nesserland bij Emden, maar moest tenslotte de kost verdienen als ziekenbezoeker te Amsterdam. Hij stierf al binnen een jaar, zijn gezin in armoede achterlatend. Van hem stamt de Duitse familie Knottnerus-Meyer af, die uiteindelijk luthers is geworden. Zijn zuster Ida had een zoon die eveneens voor het beroep van predikant koos: Samuel Knottnerus Cramer (1790-1874) was werkzaam in de Nederlands-Hervormde gemeente te Hanau (bij Frankfurt), die al sinds de zestiende eeuw nauwe betrekkingen met Nederland had.

 

Johannes sr te Uttum werd nog volledig bij het Nederlandstalige predikantencorps gerekend. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1783 besteedde ook het Nederlandse tijdschrift Boekzaal der Geleerde Weereld een artikel aan hem. Hij had weer drie zoons die predikant werden: Samuel Johannes (1753-1822) te Campen (daarna te Upleward, Landschaftspolder en Nüttermoor), Edzard (1755-1844), die zijn vader in Hinte opvolgde, en Johannes jr (1763-1835) te Veenhusen, later Cirkwehrum, Bargebur en tenslotte eveneens te Hinte. In Bargebur bij het slot Lütetsburg stond de schuilkerk waar de deftige hervormden uit de stad Norden kerkten. Dochter Anna huwde eveneens een predikant: Lambertus Hoisingh Penon te Wirdum. Bij hun nakomelingen ging de naam Knottnerus als voornaam fungeren: een van de kinderen noemde zich Knottnerus Penon, een kleindochter was Anna Knottnerus Holtkamp (1815-1885); haar kleinzoon (geb. 1885) werd op zijn beurt Annäus Knottnerus Wübbena genoemd.

 

Van de drie bovengenoemde zoons had alleen Johannes jr weer kinderen. Uit diens eerste huwelijk met Clasina Brons (een tante van de doopsgezinde koopman en parlementariër Ysaac Brons uit Emden) werd Wesselius Brons Knottnerus (1794-1868) geboren, hervormd predikant op het eiland Borkum. Ook diens zuster Habbina huwde een predikant: Claas Willems Wychgram te Buitenpost. Uit het tweede huwelijk met Alberdina Storch (mogelijk van doopsgezinde afkomst) kwam Adolph Meinhard Knottnerus (1804-1869), de stamvader van de Friese tak, die in 1830 predikant in Midlum werd.

 

Het grootste deel van de familie raakte echter, naarmate Oost-Friesland meer bij het koninkrijk Hannover betrokken raakte, steeds sterker op Duitsland georiënteerd. De naam Knottnerus werd ook verschillend uitgesproken: in Nederland al sinds in de achttiende eeuw als Knottnérus, in Duitsland met de nadruk op de eerste lettergreep. Wesselius Brons Knottnerus was vermoedelijk met een lutherse vrouw gehuwd en bracht zijn oudedag in de provinciehoofdstad Aurich door, zijn dochters huwden lutherse beambten en woonden in Aurich, Berlijn en in de Harz. Ook zijn broer Johannes Michael te Detern (bij Leer), die jurist werd, bewoog zich voornamelijk in een Duitstalig luthers milieu. Twee broers (Johann Gerhard en Edzard Samuel) en twee zoons (Adolf en Ernst) emigreerden naar de Verenigde Staten. Hun nakomelingen kwamen tot voor kort nog niet in het familiestamboek voor. Mogelijk behoort ook Werner (1935) te Hamburg tot deze tak. Hij stamt af van Remetius Thode Knottnerus die in 1836 te Rysum leefde.

 

Friesland

Herinneringen van Jan
George Knottnerus,
Veldprediker in
mobilisatietijd

Eigenlijk was het alleen de jongere halfbroer Adolph Meinhard die de traditie van de hervormde orthodoxie hoog hield door naar Friesland te verhuizen. Vier zoons studeerden theologie, één werd koopman, de zesde landbouwer: Johannes (1830-1851) stierf als student, Nicolaas (1847-1868) als kandidaat, Hillrich (1838-1897) was eerst predikant te Loppersum, maar werkte jarenlang op Java, en Ivo Gaukes sr (1840-1917) diende onder andere de gemeenten van Soesterberg, Exmorra, IJlst en Den Haag. In de volgende (negende) generatie bedienden de boerenzoon Bauke Rommert (1871-1961) en diens neven Ivo Gaukes jr (1876-1935) en Jan George (1884-1948) eveneens het ambt van predikant. Hun zoons Adolph Meinhard (1903-1963), Albert Herman (Ab, 1913-1998), Simon Leonard (Lee, 1914-1987), Johannes Ivo Jacobus (1914-1987) en Bartholomeus Johannes (Bart, 1919) kozen opnieuw voor een kerkelijke loopbaan binnen de Nederlands Hervormde kerk. Een kleinzoon is Jacobus Johannes (Hans) Knottnerus (1949), oud-katholiek legerpredikant (via zijn moeder behoorde hij tot dit kerkgenootschap). Bovendien vinden we onder de schoonfamilie predikantennamen als Van Stempvoort en Meeuwenberg.

 

Maar daarmee breekt de traditie af: in Nederland is de theologiestudie bij de familie Knot(t)nerus niet meer zo populair als vroeger. Een nieuwe generatie van dikwijls evangelisch geïnspireerde familieleden in de Verenigde Staten heeft de fakkel inmiddels overgenomen: Jean Catherine (1928) werd zendingswerker bij de United Church of Canada, Samuel Olaf (Sam, 1972) is jeugdpredikant. Zij stammen beide uit de Oldambtster tak.

 

Familieband

De aantallen predikanten waren dus nooit erg groot: twee of drie per generatie. En pas in de negentiende en twintigste eeuw werden dat er een paar meer. Maar die predikanten onderhielden wel het contact tussen de verschillende takken van de familie. Door hun studie en hun werk waren ze gewend te reizen. Bovendien hielden ze vaak een uitgebreide briefwisseling bij. De landbouwer Otto Klaas uit Midwolda vroeg bijvoorbeeld zijn verre neef Ivo Gaukes sr om diens advies met betrekking tot de Doleantie. En Ivo Gaukes bezocht op zijn beurt de Duitse familieleden, die nog in de omgeving van Emden woonden.

 

Dit contact tussen de Friese en de Oost-Friese tak blijkt ook uit de namen van de kinderen. Namen als Ivo Gaukes, Edzard, Adolph, Habbina komen in beide families voor. Vooral eerste voornaam valt op: hij is misschien ontleend aan de arts Yvo Gaukes, die omstreeks 1700 te Emden practiseerde.

 

In Oost-Friesland begon vermoedelijk de belangstelling voor de vroegste familiegeschiedenis. Hier werd waarschijnlijk ook het familieboek aangelegd, waarin enkele oudere overleveringen werden geboekstaafd. De afschriften daarvan raakten in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland bekend. Johannes jr gaf zijn tweede zoon in 1799 de doopnaam van zijn bedovergrootvader: Johannes Michael. Een kleinzoon werd in 1843 zelfs Johannes Michaelis Palatinus (= uit de Pfalz) genoemd, zoals dat op de grafsteen uit 1685 te Greetsiel stond. Op de grafstenen van de broers Samuel Johannes en Johannes jr uit 1822 en 1835 werd bovendien het oorspronkelijke wapenschild (een omgewende duif met een olijftakje op een rots) tot familiewapen verheven. De Friese tak nam dit wapen al snel over. Het onderschrift ‘Consumor aliis serviendo’ raakte tegelijkertijd in Nederland bekend. Aan het eind van de negentiende eeuw duikt dit wapen met het onderschrift ook op bij de familieleden in Oostwold. De Oldambtsters hadden trouwens een eigen boek met familie-aantekeningen dat in de negentiende eeuw bij een brand verloren is gegaan.

 

In de stamboom, die D.G. van Epen in 1897 op verzoek van Ivo Gaukes sr opstelde, kwam de Oldambtster tak nog niet voor. Wel schijnt hij daarover al enkele gegevens te hebben verzameld: zo ontvingen de erfgenamen van Samuel Ottes (1805-1895) te Oostwold een vragenlijst van een niet nader vermelde afzender, die door kleindochter Anna Cornelia uitvoerig werd beantwoord. Pas in de uitgave van het Nederlands Patriciaat uit 1951 en de verschillende versies van de genealogie van Jacoba Otteline (Co) Blomhert-Knottnerus in de jaren 1949 tot 1979 was dat anders. Het voorwerk was onder andere gedaan door ir P.J. Fehmers en mr A.H. Stikker. Ir Fehmers correspondeerde weer met de pastoor van Gnadenberg en de stadsarchivaris van Eger. Ook de Oost-Friese genealoog Wilhelm Itzen schreef brieven naar Eger, dat inmiddels was ingelijfd bij het Duitse Rijk. Na de Tweede Wereldoorlog verzamelde Reinout Bina (Riep) Knottnerus als eerste familielid eigenhandig gegevens in Oost-Friesland, Zuid-Duitsland en Tsjechië. Tenslotte zorgden het echtpaar J.V. Smidt en E. Smidt-Oberdieck (1969) alsmede ds Simon Leonard (Lee) Knottnerus (1978-85) er voor dat ook de ontbrekende delen van de Oost-Friese tak systematisch in kaart werden gebracht.

 

We weten slechts weinig van het allereerste stamboomonderzoek, toch kunnen we er van uit gaan dat de predikanten daarbij voorop liepen. Zij hielpen ook mee bij het organiseren van de eerste familiereünies in de jaren zestig. Mede doordat de meeste familieleden uit hetzelfde rechtzinnige en veelal christelijk-historische milieu kwamen, werden deze bijeenkomsten al snel een succes. Maar die geschiedenis moet uiteraard nog geschreven worden.

 

Otto Samuel Knottnerus, Zuidbroek, 2000

Bijgewerkt augustus 2005, gepubliceerd oktober 2006

 

Dit artikel verscheen eerder in: ’t Knottenkistje – Contactorgaan van de familie Knot(t)nerus nr. 8 (2000) en 9 (2001).

Gegevens over de oudste generaties zijn te vinden in de kwartierstaat van Anna Johanna Barlagen (pdf-file) en op de website van Heinrich Jacobsen te Kronshagen.

Literatuur

J.O. Blomhert-Knottnerus, ‘Knottnerus [Eger]’, in: Nederlands Patriciaat 37 (1951).

J.O. Blomhert-Knottnerus, ‘Knottnerus [Bellingwolde]’, in: Nederlands Patriciaat (1964?).

J.O. Blomhert-Knottnerus, Genealogie van het gslacht Knottnerus, z.pl. 1970.

D.G. van Epen, ‘De predikanten-familie Knottnerus van 1615-1897 (genealogie met biographische aanteekeningen)’, in: De Nederlandsche Leeuw (1898).

B.J. Knottnerus, Varsseveld rond de jaren 1940-1945. Herinneringen van een domineeszoon, Varsseveld 2005.

N.M. Knottnerus, Consumor alliis serviendo. Nakomelingen van Johann Knöttner. Genealogie van het geslacht Knot(t)nerus, Zeist 2003.

S.L. Knottnerus, ‘Twee onderlinge betrekkingen tussen de families Knottnerus en Hillenius’, in: Gruoninga 22 (1977).

S.L. Knottnerus, , ‘De familie Knottnerus tot in de 19e eeuw’, in: Gruoninga 23 (1978), 24 (1979), 27 (1982), 28 (1983).

J.V. Smidt en E. Smidt-Oberdieck, in: Quellen und Forschungen zur ostfriesischen Familien- und Wappenkunde (1969)

Noten



[1] Volgens Reershemius had Johannes Bolenius in 1637 moeten vluchten uit Friesenhagen (Westerwald). Hier is echter sprake van een verwisseling met een naamgenoot, die in 1638 predikant werd te Gummersbach (Rheinland-Pfalz).

[2] Reimar Hartge, ‘Aliis in Serviendo Consumor: Habsburg zur Ehre, Gibraltar zum Ruhm. Landgraf Georg von Hessen-Darmstadt, ein wagemutiger Stratege in schwieriger Zeit’, in: Archiv für Hessische Geschichte und Altertumskunde NF 61 (2003). Zie verder F. Graf, ‘Aliis in serviendo consumor. Zur Entwicklung einer lateinischer Sentenz’. In: Arcadia. Zeitschrift für vergleichende Literaturwissenschaft 4 (1969), p. 199-201.